Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BV6630

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
489495 CV 10-1316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel overig. Overeenkomst op afstand betreffende levering van energie. Na het beluisteren van de audio-opname van opgenomen (verkoop)gesprek niet aannemelijk geacht dat er bij de consument de wil aanwezig is geweest op het sluiten van een overeenkomst dan wel dat de energiemaatschappij ter zake een gerechtvaardigd vertrouwen mocht koesteren. Geen vergoedingsplicht op grond van onverschuldigd presteren door energiemaatschappij omdat dat de weg opent naar praktijken dat energiemaatschappijen gebruikers tegen hun wil tot 'klant' kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 489495 CV EXPL 10-1316

datum : 13 juli 2010

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap OXXIO NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Leusden,

eisende partij,

gemachtigde AGC Gerechtsdeurwaarders te Zwolle,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Oxxio respectievelijk [gedaagde partij].

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het tussenvonnis van 11 mei 2010

- de door Oxxio ingebrachte CD met geluidsopname

- het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2010.

De verdere beoordeling

1.

In vorenbedoeld tussenvonnis is bepaald dat Oxxio in de gelegenheid wordt gesteld bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat zij op 21 augustus 2006 met [gedaagde partij] een overeenkomst heeft gesloten inzake de levering van elektriciteit en gas. Oxxio heeft dat willen doen door het inbrengen en ten gehore brengen van een geluidsopname. Dat is gebeurd op de zitting 2 juli 2010.

2.

Voor de totstandkoming van een overeenkomst tussen Oxxio en [gedaagde partij] is de daarop gerichte wil van beide partijen nodig, die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

3.

Ter zitting is een geluidsopname beluisterd die Oxxio heeft gemaakt van een gesprek tussen een van haar medewerkers en [gedaagde partij].

Het gesprek duurt circa 3 minuten en begint met het verifiëren van de persoons- en adresgegevens van [gedaagde partij]. Vervolgens laat de medewerker weten: “ik zal de tarieven al vast met u doornemen; u gaat vanaf 21 augustus 2006 met Oxxio een overeenkomst aan voor de levering van energie en gas.” Daarna volgt anderhalve minuut, waarin de medewerker een veelheid aan gegevens verstrekt over de door Oxxio gehanteerde tarieven, het doorbelasten van andere kosten, en de voordeel- en kortingsregelingen, afsluitend met de mededeling dat die kortingen zullen worden verrekend in het maandelijkse voorschotbedrag. Daarna verloopt het gesprek als volgt.

Medewerker: “is dat akkoord?”.

[gedaagde partij]: “ik begrijp dat u dit zo zegt”.

Medewerker: “is dat tot zover akkoord, bedoel ik”,

[gedaagde partij]: “ik hoor u aan als informant”.

Medewerker: “ja dat begrijp ik, daarom krijgt u het hele verhaal ook letterlijk zwart op wit, dus dat is akkoord?”

[gedaagde partij]: “Ja”

De medewerker vervolgt met het verstrekken van allerlei gegevens over de voorwaarden zoals de looptijd, de wijze van betaling en de annulerings- en opzegmogelijkheden en sluit af met de vraag “is de procedure duidelijk en zijn uw vragen tot zover beantwoord?” [gedaagde partij] antwoordt: “ja, vooralsnog”.

4.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van deze geluidsopname niet worden vastgesteld dat de wil van [gedaagde partij] in dat gesprek gericht is geweest op het afsluiten van een overeenkomst met Oxxio.

Door Oxxio is het hele gesprek in het teken gezet van het verstrekken van informatie over haar tarieven, voordelen, en leveringsvoorwaarden. Daarbij is van haar kant zo’n veelheid aan gegevens verstrekt, dat voor haar duidelijk moet zijn dat de gesprekspartner dat onmogelijk allemaal kan bevatten en kan onthouden, en dus ook niet in staat mag worden geacht op basis van de verstrekte gegevens zijn wil te bepalen en een weloverwogen beslissing te nemen. [gedaagde partij] maakt dit ook duidelijk door de vraag “is dat tot zover akkoord” nadrukkelijk te beantwoorden met “ik hoor u aan als informant”. Dat getuigt niet van de wil om een overeenkomst aan te gaan maar wijst er veeleer op dat [gedaagde partij] op dat moment niet meer wilde dan de door Oxxio verstrekte informatie tot zich te nemen. Oxxio reageert daarop met de toezegging “daarom krijgt u het hele verhaal ook letterlijk zwart op wit”, waarmee Oxxio laat blijken dat ook voor haar duidelijk is dat [gedaagde partij] de draagwijdte van alle informatie op dat moment niet kan overzien. Als [gedaagde partij] vervolgens bevestigend antwoordt op de vraag of dat akkoord is, ligt het in de rede dat te duiden als instemming met het op schrift toezenden van alle telefonisch verstrekte informatie.

In het vervolg van het gesprek zijn door [gedaagde partij] geen uitlatingen gedaan die erop wijzen dat bij hem alsnog de wil tot stand was gekomen om met Oxxio te contracteren. Als hij aan het eind van het gesprek een bevestigend “ja” laat horen is dat als antwoord op de vraag of de procedure duidelijk is en of zijn vragen tot zover zijn beantwoord.

5.

Oxxio heeft nog aangevoerd dat [gedaagde partij] totstandkoming van een overeenkomst eenvoudig had kunnen voorkomen door een eenduidig “nee” te laten horen op duidelijke informatie met als strekking “u sluit een overeenkomst en Oxxio wordt dan uw nieuwe energieleverancier”. Dat argument miskent echter dat overeenkomsten niet tot stand komen omdat één partij dat wil en de ander niet voldoende tegenstribbelt, maar doordat de wil van beide partijen daarop gericht is.

Bovendien kunnen zinnen met die strekking in de context van (ongevraagde) telefonische informatieverstrekking heel wel worden begrepen als uitleg over wat er zal gebeuren als men ingaat op het aanbod van Oxxio.

6.

Evenmin zijn er aanknopingspunten voor het oordeel dat in de gegeven omstandigheden Oxxio datgene wat [gedaagde partij] heeft gezegd, ondanks het ontbreken van een daarop gerichte wil, redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen als instemming met de totstandkoming van een overeenkomst. Het telefonisch contact verdient in feite niet de benaming gesprek; het bestond vrijwel uitsluitend uit het verstrekken van gegevens door de medewerker van Oxxio terwijl [gedaagde partij] nauwelijks aan het woord is geweest. Oxxio is niet door [gedaagde partij] benaderd met de wens om klant te worden maar Oxxio heeft ongevraagd telefonisch contact gelegd met [gedaagde partij]. Die heeft onvoorbereid in zeer korte tijd een veelheid aan informatie moeten verwerken en heeft op voor Oxxio kenbare wijze laten blijken op dat moment niet meer te willen dan die informatie aan te horen. Onder die omstandigheden heeft Oxxio redelijkerwijs aan de uitlatingen van [gedaagde partij] niet de betekenis kunnen toekennen dat hij een overeenkomst wilde afsluiten.

7.

Waar geen sprake is van een verklaring van [gedaagde partij], waaruit blijkt van een bij hem aanwezige wil, gericht op het aangaan van een overeenkomst met Oxxio, noch van gerechtvaardigd vertrouwen dat [gedaagde partij] dat zou hebben gewild, moet het oordeel zijn dat een dergelijke overeenkomst niet tot stand is gekomen.

8.

Voor het geval er geen overeenkomst zou worden aangenomen heeft Oxxio haar vordering tevens gebaseerd op het onverschuldigd geleverd hebben van een prestatie.

Artikel 6:203 BW kent aan degene die onverschuldigd heeft gepresteerd het recht toe ongedaanmaking te vorderen. De onverschuldigde prestatie van Oxxio zou hebben bestaan uit het feit dat [gedaagde partij] gas en elektriciteit geleverd heeft gekregen. Dat laatste is juist maar het is niet Oxxio die moet worden aangemerkt als leverancier en dus als degene die heeft gepresteerd door te leveren. Nu het oordeel luidt dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, is de conclusie dat [gedaagde partij] niet van leverancier is gewisseld en dat Essent zijn leverancier is gebleven. Die laatste moet worden aangemerkt als degene die de prestatie heeft verricht en die kan daarvoor van [gedaagde partij] betaling verlangen.

Overigens kan Oxxio, ook als zij wel zou moeten worden beschouwd als degene die (onverschuldigd) heeft gepresteerd, niet in haar betoog worden gevolgd. Voor het geval de prestatie naar haar aard niet ongedaan kan worden gemaakt – en dat is hier aan de orde – bepaalt artikel 6:210 BW, dat daarvoor een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats treedt, voor zover dit redelijk is. Een vergoedingsplicht kan in situaties als hier aan de orde echter niet als redelijk worden aangemerkt. Het wel aannemen van een vergoedingsplicht zou immers de weg openen naar een praktijk waarbij energiemaatschappijen gebruikers tegen hun wil tot klant kunnen maken.

Onverschuldigd presteren door Oxxio kan derhalve geen grondslag vormen voor de vordering.

Evenmin kan de vordering worden gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, nu de redelijkheid daaraan evenzeer in de weg staat.

[gedaagde partij] heeft overigens verklaard voor het geleverde te willen betalen, maar uitsluitend aan Essent.

9.

Het vorenstaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

10.

Oxxio zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

I wijst de vordering af;

II veroordeelt Oxxio in de proceskosten, voor zover gevallen aan de zijde van [gedaagde partij] tot

op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. H.C. Moorman, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 13 juli 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.