Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BP6239

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
167243 - HA ZA 10-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ziekenhuis en specialist over gebondenheid specialist aan concurrentiebeding.

- Beding over geschillenbeslechting d.m.v. bindend advies in Toelatingsovereenkomst tussen specialist en ziekenhuis is niet onredelijk bezwarend.

- Toepassing van de criteria voor vernietigbaarheid van een bindend advies.

- De vraag over de bevoegdheid van de bindend adviseurs moet door de rechter, geheel onafhankelijk van wat de adviseurs daarover hebben geoordeeld, beslist worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
XpertHR.nl 2014-366086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 167243 / HA ZA 10-157

Vonnis van 27 oktober 2010

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. Schröder te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING IJSSELMEER ZIEKENHUIZEN,

gevestigd te Lelystad,

gedaagde,

advocaat mr. R.P.F. van der Mark te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en IJsselmeer ziekenhuizen genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. IJsselmeer ziekenhuizen exploiteert het Zuiderzeeziekenhuis te Lelystad en het Dokter J.H. Jansensziekenhuis te Emmeloord.

2.2. [eiser] is sinds 1998 werkzaam in het Dokter J.H. Jansensziekenhuis te Emmeloord, eerst op basis van een voorlopige toelating als chirurg en met ingang van 1 november 1998 op basis van een definitieve toelating.

2.3. IJsselmeer ziekenhuizen heeft bij brief van 29 juli 1998 aan [eiser] geschreven, dat zij voornemens zijn de voorlopige toelating als chirurg in de IJsselmeer ziekenhuizen om te zetten in een definitieve toelating. In de brief staat:

"De voorwaarden verbonden aan de toelating liggen vast in de u reeds bekende toelatingsovereenkomst ziekenhuis/medisch specialist (als onderdeel van de 'Regelingen IJsselmeerziekenhuizen-Medische Staf') en zullen vervolgens worden bekrachtigd door wederzijdse ondertekening"

2.4. IJsselmeer ziekenhuizen heeft bij brief van 28 oktober 1998 aan [eiser] geschreven:

"Onder verwijzing naar onze brief van 29 juli 1998, delen wij u mede dat wij besloten hebben u vanaf 1 november toelating te verlenen als chirurg in de IJsselmeerziekenhuizen.

Deze toelating zal door u worden bevestigd door ondertekening van deze aanbiedingsbrief. De voorwaarden verbonden aan de toelating liggen vast in de hierbij ingesloten toelatingsovereenkomst ziekenhuis/medisch specialist (als onderdeel van de 'Regelingen IJsselmeerziekenhuizen - Medische Staf) en het daaraan toegevoegde individuele addendum inzake specifieke regelingen met betrekking tot uw discipline en de kosten die u in rekening zullen worden gebracht. Ook deze stukken dienen ondertekend te worden, alvorens de toelating van kracht wordt.

Voor de goede orde vestigen wij uw aandacht op het feit dat de statuten sinds de totstandkoming van de 'Regelingen IJsselmeerziekenhuizen - Medische Staf', zijn gewijzigd. Daar waar in de 'Regelingen' sprake is van 'bestuur', gelieve te lezen 'Raad van Bestuur' (te noemen: de directie)."

2.5. Deze brief van 28 oktober 1998 is 'voor akkoord' ondertekend door [eiser]. Er is geen door [eiser] ondertekende Toelatingsovereenkomst.

2.6. De 'Regelingen IJsselmeerziekenhuizen - Medische staf' van 1995 bevat meerdere onderdelen. Onderdeel 5 hiervan is de 'Toelatingsovereenkomst', hierna aangeduid als 'Toelatingsovereenkomst 1995'. In de 'Toelatingsovereenkomst 1995' staat onder meer het volgende:

"Artikel 7 Eigendomsrecht van de praktijk

1. Het eigendomsrecht van de praktijk, waaronder de op te bouwen goodwill, berust bij de stichting. De specialist kan nimmer enig recht doen gelden op een overdrachtsom voor de praktijk. Hiervan is uitgezonderd de overname van kantoorinventaris.

2. Het is de specialist niet toegestaan binnen een tijdvak van vijf jaar na het beëindigen van deze overeenkomst binnen een straal van 30 km een praktijk, bedoeld als in het Professioneel Statuut, uit te oefenen, anders dan binnen het ziekenhuis.

3. ..."

"Artikel 14 Geschillen

1. Indien er tussen de directie en de specialist een geschil is naar aanleiding van deze overeenkomst, zal dit geschil worden voorgelegd aan het bestuur, dat terzake binnen twee maanden een beslissing neemt.

2. Tegen de beslissing terzake van een besluit als bedoeld in lid 1 van dit artikel is beroep mogelijk. In dat geval wordt het geschil beslecht bij wege van bindend advies door het scheidsgerecht."

2.7. In 2006 is door IJsselmeer ziekenhuizen een nieuwe versie van de Toelatingsovereenkomst vastgesteld; hierna genoemd 'Toelatingsovereenkomst 2006'. De Toelatingsovereenkomst 2006 bepaalt onder meer:

"Artikel 27 Geschillen

27.1 Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daaruit voorvloeien, zullen partijen in onderling overleg trachten tot een oplossing te brengen, zodanig en indien door partijen gewenst, met inschakeling van een daartoe in gezamenlijk overleg te benoemen bemiddelaar.

27.2 Indien met betrekking tot deze geschillen door partijen geen vergelijk wordt bereikt zullen deze geschillen worden beslecht door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg overeenkomstig het reglement van dat Scheidsgerecht."

De 'Toelatingsovereenkomst 2006' kent geen concurrentiebeding zoals artikel 7 lid 2 van de 'Toelatingsovereenkomst 1995'

2.8. Bij brief van 30 juni 2008 heeft [eiser] aan IJsselmeer ziekenhuizen als volgt geschreven:

"Eind juni 2008 zijn de oude maatschappen Heelkunde ontbonden. Aansluitend aan de ontbinding van deze oude maatschappen is er een nieuwe maatschap Heelkunde gevormd. Een afschrift van de ondertekende overeenkomst hebt u inmiddels ontvangen.

Bij het aangaan van de onderhavige overeenkomst ga ik ervan uit dat de nieuwe DMS en MTO van toepassing zullen zijn en dat hiermee de oude toelatingsovereenkomst van voor 2006 niet meer van toepassing is."

Bij brief van 15 juli 2008 bevestigt IJsselmeer ziekenhuizen de ontvangst van de brief.

2.9. In een brief van 24 april 2009 aan de heer [A], voorzitter van de Raad van Bestuur van IJsselmeer ziekenhuizen, heeft [eiser] gerefereerd aan een gesprek dat hij die dag met de heer [A] heeft gehad over opvlammende conflicten binnen de maatschap chirurgie. [eiser] heeft geschreven:

"Wij hebben afgesproken dat ik per 1 mei 2009 niet weer werkzaam zal zijn binnen de MC-groep."

2.10. In een emailbericht van de secretaris van de Raad van Bestuur van IJsselmeer ziekenhuizen aan [eiser] staat:

"Bij beëindiging van de toelatingsovereenkomst is de heer [A] bereid je niet te houden aan de opzegtermijn van zes maanden. Jij vindt het belangrijk om de vrijheid te hebben bij andere ziekenhuizen te kunnen solliciteren. Daar is de heer [A] ook mee akkoord mits je niet voor het Antonius Ziekenhuis in Emmeloord gaat werken."

2.11. [eiser] is vervolgens in dienst getreden van het Antonius Ziekenhuis, locatie Emmeloord als Medisch Hoofd Acute Zorgopvang (MHAZ).

2.12. Het Scheidsgerecht Gezondheidszorg heeft op 8 september 2009 bij wege van bindend advies in kort geding uitspraak gedaan. Het Scheidsgerecht heeft - samengevat - [eiser] bevolen zijn werkzaamheden in het Antonius Ziekenhuis te Emmeloord te staken en verboden om in dat ziekenhuis werkzaamheden te verricht op straffe van verbeurte van een dwangsom bij niet nakomen.

Het Scheidsgerecht heeft in een nader bindend advies van 18 september 2009 een maximum verbonden aan te verbeuren dwangsommen.

2.13. Het Antonius Ziekenhuis heeft bij brief van 23 september 2009 aan de advocaat van [eiser] bericht dat het gevolg van de uitspraken van het Scheidsgerecht was, dat de arbeidsverhouding van [eiser] met het Antonius Ziekenhuis met onmiddellijke ingang eindigde.

2.14. [eiser] heeft in kort geding bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle-Lelystad gevorderd om IJsselmeer ziekenhuizen te verbieden het bindend advies ten uitvoer te leggen. Bij vonnis van 22 oktober 2009 is deze vordering afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert:

1.

- primair: het bindend advies d.d. 8 september 2009 te vernietigen;

- subsidiar: voor recht te verklaren dat het [eiser] vrijstaat zijn werkzaamheden van welke aard dan ook uit te oefenen bij het Antonius Ziekenhuis te Emmeloord;

- meer subsidiair: voor recht te verklaren dat het [eiser] vrijstaat zijn werkzaamheden als gespecificeerd in punt 48 van de dagvaarding (hoofd acute zorg) uit te oefenen bij het Antonius Ziekenhuis te Emmeloord;

2.

voor recht te verklaren dat het Scheidsgerecht onbevoegd zal zijn om wederom van onderhavig geschil kennis te nemen;

3.

veroordeling van IJsselmeer ziekenhuizen in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] voert daartoe het volgende aan:

Zijn vorderingen strekken tot vernietiging van het bindende advies ingevolge artikel 7:904 BW en wel op basis van de volgende punten:

- Het Scheidsgerecht heeft zich ten onrechte bevoegd geacht. [eiser] heeft de Toelatingsovereenkomst 1995 niet ondertekend noch is er sprake van een stilzwijgende overeenstemming. Voorts is de geschillenregeling in de Toelatingsovereenkomst 1995 vernietigbaar, omdat [eiser] de Toelatingsovereenkomst - zijnde algemene voorwaarden - niet heeft ontvangen en omdat er sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Er ontbreekt een ingevolge artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995 aan het bindend advies voorafgaand besluit van de Raad van Bestuur. Artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995 kent bindend advies indien er sprake is van een geschil tussen de Raad van Bestuur en de specialist, maar het gaat hier om een geschil tussen de stichting en de specialist.

- [eiser] heeft de volgende inhoudelijke bezwaren tegen het bindend advies. IJsselmeer ziekenhuizen heeft de Toelatingsovereenkomst 1995 losgelaten en voortaan de Toelatingsovereenkomst 2006 gebruikt, welke geen concurrentiebeding bevat. Er is sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat andere medewerkers in het geheel niet zijn gehouden aan het concurrentiebeding. Het Scheidsgerecht heeft het concurrentiebeding onjuist uitgelegd. Er is geen sprake van inbreuk op het eigendomsrecht van de praktijk danwel op de goodwill.

- [eiser] stelt dat het Scheidsgerecht procedurele fouten heeft gemaakt, namelijk dat het Scheidsgerecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht en niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht. In dat laatste kader wijst [eiser] op het door hem gedane beroep op de nietigheid van het concurrentiebeding met een beroep op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat IJsselmeer ziekenhuizen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen instandhouding daarvan kon verwachten.

3.3. IJsselmeer ziekenhuizen voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van IJsselmeer ziekenhuizen wordt hierna, voor zover van belang, nog nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag, dat het bindend advies van 8 september 2009 dient te worden vernietigd overeenkomstig de eisen van artikel 7:904 lid 1 BW. In geschil is derhalve of het bindend advies in stand kan blijven dan wel vernietigbaar is.

Criterium

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het bindend advies een vaststellingsovereenkomst is, waarop de artikelen 7:900 BW en verder van toepassing zijn. Gebondenheid van partijen aan het bindend advies is regel. Een bindend advies is slechts vernietigbaar, indien gebondenheid aan dat bindend advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechter dient zich daarbij terughoudend op te stellen; niet elke onjuistheid in het bindend advies kan tot vernietiging leiden. Van een verkapt hoger beroep is geen sprake. Slechts indien aan het bindend advies ernstige gebreken kleven, kan met recht een beroep op vernietiging worden gedaan.

Voorvraag: bevoegdheid tot het geven van bindend advies?

4.3. De artikelen 7:900 BW en verder zijn echter pas van toepassing, indien vaststaat dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten om geschillen via de weg van bindend advies op te lossen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat een dergelijke overeenkomst niet tot stand is gekomen. Deze vraag - dus de vraag over de bevoegdheid van de bindend adviseurs - moet door de rechter, geheel onafhankelijk van wat de adviseurs daarover hebben geoordeeld, beslist worden. De rechtbank zal dan ook eerst op deze bevoegdheidsvraag ingaan.

Bij de beantwoording van de vraag of het Scheidsgerecht bevoegd was tot het geven van bindend advies spelen de volgende onderwerpen:

a. Is de Toelatingsovereenkomst 1995 van toepassing tussen partijen ofwel zijn partijen deze overeengekomen?

b. Moet de Toelatingsovereenkomst 1995 gezien worden als een set algemene voorwaarden?

c. Is de Toelatingsovereenkomst 1995 vernietigbaar?

d. Is artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995 vernietigbaar?

e. Is hier sprake van een geschil tussen de directie en de specialist dus van een geschil dat valt onder artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995?

4.4. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het Scheidsgerecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht van het geschil kennis te nemen. Nu de rechtbank hier onafhankelijk zal oordelen, is op dit punt het oordeel van het Scheidsgerecht als zodanig niet aan de orde, zodat de bezwaren van [eiser] tegen dit oordeel onbesproken blijven.

4.5. Allereerst dient de vraag aan de orde te komen, of de Toelatingsovereenkomst 1995 tussen partijen van toepassing is, ofwel: zijn partijen de Toelatingsovereenkomst 1995 overeengekomen? De rechtbank overweegt, dat [eiser] de aanstellingsbrief van 28 oktober 1998 voor akkoord heeft ondertekend. In deze brief wordt uitdrukkelijk gesteld, dat de voorwaarden verbonden aan de toelating vastliggen in de Toelatingsovereenkomst. Hoewel [eiser] de Toelatingsovereenkomst niet heeft ondertekend, heeft hij wel door ondertekening van de aanstellingsbrief ingestemd met het gestelde in de brief, dus met de voorwaarden voor toelating te weten de Toelatingsovereenkomst 1995.

De rechtbank overweegt, dat [eiser] door het niet ondertekenen van de Toelatingsovereenkomst 1995, blijkbaar niet de bedoeling heeft gehad niet in te stemmen met de Toelatingsovereenkomst 1995. Hoewel [eiser] zich in de procedure op het standpunt stelt, dat hij nooit gebonden is geweest aan de Toelatingsovereenkomst 1995, is dat in het verleden niet zijn visie geweest. Gezien de woorden in zijn brief van 30 juni 2008, was [eiser] toen blijkbaar van mening dat hij - in ieder geval tot dan - gebonden was geweest aan de Toelatingsovereenkomst 1995.

Op deze plaats is opvallend dat de Toelatingsovereenkomst 2006, waaraan [eiser] zich blijkens zijn brief van 30 juni 2008 blijkbaar wel gebonden acht, eveneens een bepaling bevat, dat het Scheidsgerecht in geval van geschillen de bevoegde instantie is. Ook alle door [eiser] overgelegde Toelatingsovereenkomsten danwel arbeidsovereenkomsten die IJsselmeer ziekenhuizen heeft gesloten met andere artsen kent een vergelijkbare geschillenregeling.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] met de ondertekening van de brief van 28 oktober 1998 heeft ingestemd met de daarbij behorende Toelatingsovereenkomst 1995. Dat IJsselmeer ziekenhuizen in de brief stelt, dat de Toelatingsovereenkomst dient te worden ondertekend door [eiser], doet hier, gezien het vorenstaande, niet aan af.

4.6. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de Toelatingsovereenkomst 1995 gezien moet worden als een set algemene voorwaarden en of de Toelatingsovereenkomst 1995 danwel artikel 14 daarvan op grond van de wettelijke regeling inzake algemene voorwaarden vernietigbaar is.

[eiser] stelt dat de Toelatingsovereenkomst vernietigbaar is, omdat hij deze niet heeft ontvangen.

Een beroep op vernietigbaarheid van de overeenkomst waarin de bevoegdheid van het Scheidsgerecht is vastgelegd, raakt direct de bevoegdheid, zodat de rechtbank ook op dit punt onafhankelijk zal oordelen.

De Toelatingsovereenkomst bevat bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Daarbij is niet van belang of deze bedingen landelijk worden gehanteerd, zoals IJsselmeer ziekenhuizen naar voren brengt, maar voldoende is, dat IJsselmeer ziekenhuizen deze bedingen in een aantal overeenkomsten hanteert. Dit laatste wordt niet betwist door IJsselmeer ziekenhuizen. Het beding betreffende de geschillenregeling geeft voorts niet de kern van de prestaties tussen partijen weer. Dit betekent dat de regeling omtrent de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden op dit beding van toepassing is.

IJsselmeer ziekenhuizen stelt, dat [eiser] de brief van 28 oktober 1998 voor akkoord heeft ondertekend in welke brief staat: "De voorwaarden verbonden aan de toelating liggen vast in de hierbij ingesloten toelatingsovereenkomst ..." Deze stellingen heeft [eiser] onvoldoende betwist; een enkele ontkenning dat hij de Toelatingsovereenkomst heeft ontvangen is daarvoor onvoldoende. Daarmee dient als vaststaand te worden aangenomen, dat de Toelatingsovereenkomst bij de brief was ingesloten en dat [eiser] de Toelatingsovereenkomst dus heeft ontvangen. Bovendien heeft [eiser] met de ondertekening van de brief een verklaring ondertekend inhoudende dat hij de algemene voorwaarden heeft ontvangen. Deze verklaring levert op grond van artikel 157 lid 2 Rv. dwingend bewijs op. Het uitgangspunt is dat van dwingend bewijs tegenbewijs mogelijk is, maar in dit geval is er voor het toelaten van tegenbewijs geen plaats. Hiervoor is immers reeds overwogen, dat de stellingen van IJsselmeer ziekenhuizen over de ontvangst van de Toelatingsovereenkomst 1995 onvoldoende zijn betwist en daarmee tussen partijen vaststaan.

Voor vernietiging van de Toelatingsovereenkomst is op deze plaats dan ook geen reden.

4.7. [eiser] stelt dat het beding inhoudende het bindend advies vernietigbaar is, omdat het hier een onredelijk bezwarend beding betreft. Hij verwijst hiervoor naar artikel 6:236 sub n BW en doet een beroep op de reflexwerking nu [eiser] geen consument is. Hij stelt dat hij van de gewone rechter is afgetrokken.

Dat een partij, nadat partijen voor de beslechting van geschillen de weg van bindend advies zijn overeengekomen, niet meer vrijelijk kan kiezen tussen de overheidsrechter en bindend adviseurs, is de kern van een overeenkomst tot bindend advies. Dit op zich maakt een overeenkomst tot bindend advies dan ook niet onredelijk bezwarend. De rechtbank ziet geen reden deze reflexwerking toe te passen nu [eiser] bij het tekenen van de brief die verwijst naar de Toelatingsovereenkomst 1995 weliswaar niet heeft gehandeld in het kader van de gebruikelijke uitoefening van zijn beroep, maar wel ten behoeve van de uitoefening van zijn beroep. Het beding is dan ook niet op deze grond vernietigbaar.

4.8. Tot slot dient hier de vraag aan de orde te komen of het onderhavige geschil valt onder de toepasselijkheid van artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995. [eiser] stelt, dat artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995 bindend advies kent, indien er sprake is van een geschil tussen de directie en de specialist, maar dat het hier gaat om een geschil tussen de stichting en de specialist.

De rechtbank overweegt, dat artikel 14 van de Toelatingsovereenkomst 1995 spreekt over een geschil tussen de directie en de specialist, daarmee de functie benoemend, de directie als vertegenwoordiger van de rechtspersoon IJsselmeer ziekenhuizen. In de persoonlijke contacten is er sprake van een geschil tussen specialist en directie. Zodra echter een geschil aanhangig wordt gemaakt, dient dit te geschieden door de rechtspersoon IJsselmeer ziekenhuizen, welke ook formeel de wederpartij is bij de toelating. Het Scheidsgerecht is dan ook bevoegd van dit geschil kennis te nemen.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat de Toelatingsovereenkomst 1995 tussen partijen bindend is en dat het Scheidsgerecht op grond van artikel 14 lid 2 van de Toelatingsovereenkomst 1995 bevoegd was in deze bindend te adviseren. De vordering van [eiser] om voor recht te verklaren dat het Scheidsgerecht onbevoegd zal zijn om wederom van het geschil kennis te nemen, dient dan ook te worden afgewezen.

De rechtbank zal nu overgaan tot toetsing van het bindend advies op de voet van artikel 7:904 BW.

Toetsing bindend advies

4.10. [eiser] stelt, dat er een ingevolge artikel 14 lid 1 van de Toelatingsovereenkomst 1995 aan het bindend advies voorafgaand besluit van de Raad van Bestuur ontbreekt.

Deze stelling raakt de bevoegdheid van het Scheidsgerecht niet in de basis, doch heeft enkel betrekking op eventuele handelingen voorafgaand aan het moment dat het Scheidsgerecht van haar bevoegdheid gebruik maakt. Het was dan ook aan het Scheidsgerecht om in haar bindend advies hierover een oordeel te geven, welk oordeel door de rechtbank op de voet van artikel 7:904 BW wordt getoetst.

Het Scheidsgerecht is onder punt 3.5 van haar bindend advies op deze stelling ingegaan. De rechtbank overweegt als volgt. In de door [eiser] ondertekende brief van 28 oktober 1998 staat reeds, dat voor 'het bestuur' moet worden gelezen 'Raad van Bestuur (te noemen: de directie)'. Hieruit volgt, dat voorafgaand aan het bindend advies, het geschil met de directie moet worden voorgelegd aan de directie (ook genoemd: de Raad van Bestuur), die daarover een beslissing neemt. In wezen gaat het dus om een heroverweging door de directie. Dit is geen onafhankelijke geschillenbeslechting door een ander orgaan, voorafgaand aan de procedure tot bindend advies, zoals [eiser] blijkbaar beoogt te stellen. In dat licht is het oordeel van het Scheidsgerecht, dat de raad van bestuur herhaaldelijk zijn standpunt schriftelijk heeft verwoord, zodat reeds daarom sprake is geweest van een heroverweging door dit orgaan, in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

4.11. De rechtbank komt thans toe aan de door [eiser] naar voren gebrachte inhoudelijke bezwaren. De rechtbank beoordeelt hier de vraag of het Scheidsgerecht ten aanzien van de inhoud, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

4.12. [eiser] stelt als inhoudelijk bezwaar, dat IJsselmeer ziekenhuizen de Toelatingsovereenkomst 1995 heeft losgelaten en voortaan de Toelatingsovereenkomst 2006 gebruikt, welke geen concurrentiebeding bevat. IJsselmeer ziekenhuizen heeft het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt, dat de Toelatingsovereenkomst 2006 ook voor [eiser] geldt, door deze op de website te plaatsen en door niet op dit punt richting [eiser] te reageren op de brief van 30 juni 2008.

Hiervoor heeft de rechtbank reeds vastgesteld, dat partijen de Toelatingsovereenkomst 1995 zijn overeengekomen. [eiser] stelt niet dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de Toelatingsovereenkomst 2006, maar doet slechts een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen. Het Scheidsgerecht is onder punt 4.3 van haar bindend advies op de Toelatingsovereenkomst 2006 ingegaan. Het Scheidsgerecht overweegt, dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen partijen een Toelatingsovereenkomst 2006 tot stand is gekomen. Reden waarom het Scheidsgerecht vasthoudt aan de Toelatingsovereenkomst 1995. De rechtbank is van oordeel, dat niet gezegd kan worden, dat het Scheidsgerecht ten aanzien van de inhoud, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

4.13. [eiser] stelt als inhoudelijk bezwaar, dat er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat andere medewerkers in het geheel niet zijn gehouden aan het concurrentiebeding.

Deze stelling is niet door [eiser] bij het Scheidsgerecht naar voren gebracht. Deze nieuwe stelling heeft geen onderdeel uitgemaakt - en ook niet kunnen maken - van de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies. Reeds daarom kan deze stelling niet tot het oordeel leiden dat gebondenheid aan het bindend advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

[eiser] stelt nog dat IJsselmeer ziekenhuizen het Scheidsgerecht heeft misleid, omdat IJsselmeer ziekenhuizen op de vraag van het Scheidsgerecht of andere artsen door IJsselmeer ziekenhuizen zijn gehouden aan het concurrentiebeding, "nee" antwoordde. De rechtbank begrijpt niet hoe IJsselmeer ziekenhuizen hiermee het Scheidsgerecht zou hebben kunnen misleid.

4.14. [eiser] stelt als inhoudelijk bezwaar, dat het Scheidsgerecht het woord 'praktijk' in het concurrentiebeding onjuist heeft uitgelegd. De functie als Medisch Hoofd Acute Zorgopvang (MHAZ) bij het Antonius ziekenhuis is een geheel andere functie dan die als chirurg bij het Dokter J.H. Jansensziekenhuis.

De rechtbank overweegt, dat [eiser] zich bij het Scheidsgerecht, blijkens punt 14 van de memorie van antwoord, op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn praktijk nog een aantal jaren wenst voort te zetten. Bij het Scheidsgerecht stond mitsdien niet ter discussie, of de functie al dan niet onder het begrip 'praktijk' viel, integendeel. Reeds daarom is de rechtbank van oordeel, dat niet gezegd kan worden, dat het Scheidsgerecht ten aanzien van de inhoud, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Voorzover [eiser] beoogt deze visie nu als nieuw argument ter beoordeling voor te leggen, dan geldt, hetgeen hiervoor reeds is overwogen, dat nieuwe stellingen geen onderdeel hebben uitgemaakt van de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies.

4.15. [eiser] stelt als inhoudelijk bezwaar, dat er geen sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht van de praktijk danwel op de goodwill, omdat het ziekenhuis werd ontmanteld, de maatschappelijke en patiëntenbelangen een rol spelen en er vrije keuze is voor de patiënten.

Het Scheidsgerecht is onder punt 4.4 van haar bindend advies op deze stelling ingegaan.

Door IJsselmeer ziekenhuizen is gesteld en door [eiser] niet betwist, zodat dit tussen partijen vaststaat, dat in het Dokter J.H. Jansensziekenhuis wel tijdens kantooruren spoedeisende hulp aanwezig is en chirurgen werkzaam zijn. Het moge derhalve zo zijn, dat het Dokter J.H. Jansensziekenhuis tegenwoordig minder voorzieningen kent dan in het verleden; vaststaat dat het ziekenhuis nog steeds, zij het in afgeslankte vorm, operationeel is. Reeds daarom kan gezegd worden dat er sprake is van concurrentie tussen het Dokter J.H. Jansensziekenhuis en het Antoniusziekenhuis te Emmeloord. Niet gezegd kan worden dat het Scheidsgerecht ten aanzien van de inhoud, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Op grond van de door [eiser] naar voren gebrachte inhoudelijke bezwaren kan niet gezegd worden dat gebondenheid aan het bindend advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.16. [eiser] stelt voorts dat het Scheidsgerecht procedurele fouten heeft gemaakt, namelijk dat het Scheidsgerecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht en niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht.

Ten aanzien van de bevoegdheid is de rechtbank reeds tot een volledige beoordeling overgegaan.

Ten aanzien van de vraag in hoeverre een bindend advies dient te worden gemotiveerd, heeft in beginsel te gelden dat een bindend advies tenminste een bepaalde mate van motivering moet bevatten teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het advies (marginaal) te laten controleren door de rechter. Partijen hebben er recht op te weten op welke gronden een beslissing is genomen en waarom het door hen naar voren gebrachte werd verworpen. Verder moeten partijen kunnen nagaan hoe het advies tot stand is gekomen en waarop het steunt, alsmede of bepaalde geschilpunten zijn onderkend en of daarop is beslist.

De rechtbank stelt voorop, dat de enkele omstandigheid dat [eiser] de motivering althans de door het Scheidsgerecht gemaakte keuzes niet deelt, niet betekent dat de motivering niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Anders dan [eiser] stelt geeft het bindend advies in voldoende mate inzicht in de door het Scheidsgerecht gehanteerde uitgangspunten en maatstaven. Per geschilpunt wordt door het Scheidsgerecht aangegeven wat haar beslissing is ten aanzien van het geschilpunt en motiveert het Scheidsgerecht hoe zij tot haar beslissing ten aanzien van het betreffende geschilpunt is gekomen. Op deze wijze heeft het Scheidsgerecht in voldoende mate gemotiveerd hoe zij tot haar bindend advies is gekomen.

4.17. In het kader van zijn standpunt dat het Scheidsgerecht niet aan de motiveringsplicht heeft voldaan, wijst [eiser] op het door hem gedane beroep op de nietigheid van het concurrentiebeding met een beroep op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat IJsselmeer ziekenhuizen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen instandhouding daarvan kon verwachten. Die onvoorziene omstandigheden bestaan eruit, dat het Dokter J.H. Jansensziekenhuis wordt ontmanteld en dat het op termijn dreigt te worden afgestoten, hetgeen [eiser] gedocumenteerd heeft onderbouwd met onder andere een deskundigenrapport.

Het Scheidsgerecht is onder punt 4.6 tot en met 4.8 van haar bindend advies op dit beroep op onvoorziene omstandigheden ingegaan.

Hiervoor heeft de rechtbank reeds overwogen, dat het Dokter J.H. Jansensziekenhuis nog steeds operationeel is, zodat er reeds daarom sprake is van concurrentie tussen het Dokter J.H. Jansensziekenhuis en het Antoniusziekenhuis te Emmeloord. Van belang is daarbij dat het Scheidsgerecht heeft overwogen onder punt 4.8 van haar bindend advies, dat thans niet kan worden vastgesteld dat zich onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan of zullen voordoen waardoor IJsselmeer ziekenhuizen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep kan doen op het concurrentiebeding. Het Scheidsgerecht overweegt daarbij uitdrukkelijk:

"Zij heeft, ook in deze periode van besluitvorming op dit vlak, een voldoende spoedeisend belang bij nakoming van het beding. Dit oordeel kan anders worden indien op enig later moment zou blijken dat de toekomst van de vestiging te Emmeloord toch anders wordt, maar met deze mogelijkheid kan thans geen rekening worden gehouden."

De rechtbank overweegt daarbij dat dit oordeel van het Scheidsgerecht in kort geding is gegeven en dat het volgens de reglementen van het Scheidsgerecht voor partijen mogelijk is een bodemprocedure op te starten bij het Scheidsgerecht.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gebondenheid aan het bindend advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.18. [eiser] stelt, dat bij de beantwoording van de vraag of een partij haar wederpartij aan een bindend advies mag houden bij de totstandkoming waarvan procedurele fouten zijn gemaakt, mede van belang is of en zo ja in welke mate door de procedurefout nadeel is toegebracht.

De rechtbank overweegt, dat uit het vorenstaande blijkt dat er geen procedurele fouten zijn gemaakt, zodat niet aan de orde behoeft te komen of er enig nadeel is toegebracht.

4.19. [eiser] vernietigt onder punt 21 van de dagvaarding de regeling met betrekking tot het non-concurrentiebeding. Deze vernietiging wordt evenwel op geen enkele wijze onderbouwd, zodat deze reeds daarom geen doel treft.

4.20. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake van is, dat de gebondenheid aan het bindend advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit oordeel leidt ertoe, dat de vordering van [eiser] tot vernietiging van het bindend advies dient te worden afgewezen. [eiser] stelt bij zijn subsidiaire en meer subsidiaire vordering enkel, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij gebonden is aan het bindend advies. Dit is echter niets anders dan de toetsing die reeds ingevolge artikel 7:904 heeft plaatsgevonden, zodat ook de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen onder 1. zullen worden afgewezen.

4.21. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IJsselmeer ziekenhuizen worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.167,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting IJsselmeer ziekenhuizen tot op heden begroot op EUR 1.167,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2010.