Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BP2146

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
07.660157-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0246, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de pogingen tot doodslag bewezen kunnen worden, gelet op het feit dat verdachte in een café op geringe afstand gericht heeft geschoten. Voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.660157-10 (P)

Uitspraak : 12 november 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verblijvende in de [P.I.].

1. ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter openbare terechtzitting is aangevangen op 26 augustus 2010 en is op voornoemde datum geschorst. Op 21 september 2010 is het onderzoek ter terechtzitting hervat en wederom geschorst. Op 29 oktober 2010 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen. Verdachte is op voornoemde data verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.N. Dijkers, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.J.E. Vink en van hetgeen door verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

2. TENLASTELEGGING

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 april 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op of in het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 april 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 25 april 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans in de richting van, het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 18 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 in de gemeente [plaats] [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb gezien dat je een getuigenverklaring hebt afgelegd en ondertekend, dus je weet wat er gaat gebeuren!" en/of "Als ik eruit kom ga ik je vermoorden en als ik niet vrij kom stuur ik iemand op je af om je te vermoorden." en/of "Je kan niet meer op straat lopen, want als de mensen, die ik heb gestuurd je zien lopen, dan gaan ze je schieten in je hoofd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 18 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 in de gemeente [plaats] [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd:"Als ik buiten kom, ga je zien, ik ga je vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. BEWIJS

4.1 Vaststaande feiten

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Op 25 april 2010 omstreeks 22.35 uur surveilleerden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de [adres] te [plaats]. Deze verbalisanten kregen de opdracht om naar [café] te [plaats] te gaan. Daar zou een schietincident hebben plaatsgevonden.

Op 26 april 2010 doet dhr. [slachtoffer 1] aangifte. Hij bevond zich op 25 april 2010 in [café]. [slachtoffer 1] hoorde een knal en voelde direct daarop een stekende pijn in zijn rug. Uit de geneeskundige verklaring bleek dat er sprake was van gekneusd weefsel met daarin centraal gelegen een open wond. In een aanvullende verklaring heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard dat hij vermoedt dat de persoon die vlak achter hem stond de persoon is geweest die heeft geschoten.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2], zoals is neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen , alsmede de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , valt op te maken dat er een woordenwisseling is geweest tussen de uiteindelijke schutter en dhr. [slachtoffer 2] waarna kort daarop een knal wordt gehoord met letsel bij [slachtoffer 1] ten gevolge.

[getuige 1] heeft een situatieschets gemaakt van het café ten tijde van het schietincident. In deze situatieschets heeft [getuige 1] aangegeven op welke plek de aanwezigen zich in het café bevonden. In de toelichting op deze situatieschets heeft [getuige 1] verklaard dat de vader van [getuige 3] aan de bar was gezeten naast het slachtoffer [slachtoffer 1].

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [getuige] de stiefvader is van [getuige 3] en dat deze [slachtoffer 2] aan de bar zat naast een man die na het schot naar zijn rug greep.

Uit de verklaring van [getuige], zoals neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen , valt op de maken dat zijn zoon [getuige 3] heet en dat links van hem aan de bar de man zat die gewond was geraakt aan zijn rug.

In voornoemd café zijn camera’s geplaatst, waarvan de beelden zijn uitgekeken en waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. In dit verbaal wordt weergegeven dat verbalisant [verbalisant 3] op de beelden ziet dat er om 10.40.47 uur een man uit de richting van het toilet komt en langs de bar loopt. De man komt dicht in de buurt van [slachtoffer 2] en zegt kennelijk iets tegen hem. Later loopt die man uit beeld. Verbalisant [verbalisant 3] geeft verder weer dat om 10.41.02 uur te zien valt dat [slachtoffer 2] opstaat van zijn barkruk en in de richting loopt waar de man naartoe is gegaan. Om 10.41.05 uur is dan te zien dat [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en een andere man die aan de bar zit, tegelijkertijd schrikken. [slachtoffer 1] kijkt in de richting waar de man naartoe is gelopen. Later doet [slachtoffer 1] zijn vest uit. Diverse mensen kijken onder het t-shirt van [slachtoffer 1] aan de linkerrugzijde. Ten slotte noteert verbalisant [verbalisant 3] dat tijdens het hele incident [getuige 1] achter de bar staat en kennelijk alles ziet.

Op 27 april 2010 stelt de Regionale Technische Recherche een onderzoek in op de plaats delict, te weten het [adres] te [plaats]. Bij de poot van een stoel, schuin tegenover de plaats waar het schietincident zou hebben plaatsgevonden, zien verbalisanten een projectiel liggen, waarschijnlijk van het kaliber .22. De verbalisanten van de Regionale Technische Recherche concluderen dat er op 25 april 2010 waarschijnlijk een schot is gelost met een vuurwapen van het kaliber .22.

De situatie in het voornoemde café is fotografisch vastgelegd. Het in het voornoemde café aangetroffen projectiel werd veiliggesteld.

Verdachte ontkent tegenover de politie en ter terechtzitting het hem tenlastegelegde. Hij verklaart dat hij die avond niet in voornoemd café is geweest.

Ten aanzien van feit 3:

Nadat het schietincident in het [café] te [plaats] heeft plaatsgevonden, verklaart aangever [slachtoffer 3] dat hij, nadat hij een knal heeft gehoord, iemand in de richting van de uitgang zag rennen. [slachtoffer 3] verklaart dat hij daarop ook naar buiten is gelopen en dat [getuige 3] achter hem aan is gelopen. Wanneer [slachtoffer 3] buiten staat ziet hij de persoon die is weggerend op een afstand van 30 meter staan. Die persoon wees met zijn hand in de richting van [slachtoffer 3] waarna [slachtoffer 3] wederom een knal hoorde en daarbij een oranje puntje zag.

Ter terechtzitting heeft getuige [getuige 3] verklaard dat hij met [slachtoffer 3] naar buiten is gegaan, maar dat hij vrijwel direct weer naar binnen is gegaan toen [slachtoffer 3] doorliep. Getuige [getuige 3] heeft dan ook niets gezien dan wel gehoord van hetgeen zich buiten heeft afgespeeld.

Zoals hiervoor gerelateerd heeft er op 27 april 2010 een onderzoek plaatsgevonden op de plaats delict. Daarbij werd, nadat een projectiel in voornoemd café werd aangetroffen, op de openbare weg een tweede projectiel gevonden. Dit projectiel was vermoedelijk, net als het eerste projectiel, van het kaliber .22 en vertoonde uiterlijke overeenkomsten met het eerste projectiel. De situatie is fotografisch vastgelegd en het spoor werd veiliggesteld.

Het aangetroffen projectiel op de openbare weg was aan één kant afgevlakt. De betreffende verbalisanten relateren dat dit waarschijnlijk komt doordat het projectiel met kracht op de bestrating van de weg is gekomen.

Ten aanzien van feit 4:

Op 24 juni 2010 doet [slachtoffer 4] aangifte terzake bedreiging door verdachte, de ex van aangeefster. Verdachte zou bedreigende bewoordingen hebben geuit tijdens een telefoongesprek vanuit de Penitentiaire Inrichting [plaats] [.] op vrijdag 18 juni 2010. Later verklaart aangeefster dat die datum niet klopt, aangezien het op een zondag was. Ze verklaart dat ze de juiste datum van de vermeende bedreiging nog zal doorgeven. Uit het dossier blijkt niet dat die datum alsnog is doorgegeven door aangeefster.

Ten aanzien van feit 5:

Op 29 juni 2010 doet [slachtoffer 5] aangifte terzake bedreiging door verdachte. Aangeefster [slachtoffer 5] is het nichtje van [slachtoffer 4]. Aangeefster heeft verklaard dat [slachtoffer 4] op zondag 20 juni 2010 bij haar was. [slachtoffer 4] werd daar door verdachte gebeld. Op enig moment tijdens het telefoongesprek heeft [slachtoffer 4] de telefoon aan [slachtoffer 5] overhandigd. In het telefoongesprek dat vervolgens tussen verdachte en [slachtoffer 5] plaatsvond heeft verdachte haar bedreigd, aldus nog steeds [slachtoffer 5].

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van het onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair alsmede van het onder 4 en 5 tenlastegelegde vrij te spreken.

De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 impliciet primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Hij heeft daartoe, kort weergegeven, het navolgende aangevoerd.

Vaststaat dat er op 25 april 2010 een schietpartij heeft plaatsgevonden in het [café] te [plaats]. Hierbij is aangever [slachtoffer 1] vanaf een afstand van één meter beschoten en in zijn rug geraakt. Wanneer een persoon in een vol café op deze wijze een schot met een vuurwapen aflost, aanvaardt deze bewust de aanmerkelijke kans dat hij daarbij iemand raakt. Buiten het café is door dezelfde schutter nogmaals geschoten. Nadat er ter plaatse sporenonderzoek is verricht, wordt er zowel in het café een projectiel aangetroffen als ook buiten op het plein. Beide aangetroffen projectielen hebben hetzelfde kaliber. Dit kaliber past bij de getuigenverklaringen die verklaren dat de schutter met een klein pistooltje schoot.

[getuige X] heeft verdachte op 26 april 2010 aan iemand horen vertellen dat hij -verdachte - heeft geschoten in voornoemd café.

Getuige [getuige 1], de barman, had van achter de bar goed zicht op de hele situatie in het café en hij verklaart tegenover de politie en ter terechtzitting dat verdachte de persoon is die heeft geschoten. Tijdens een enkelvoudige fotoconfrontatie herkent hij verdachte als de schutter. Getuige [getuige 1] kent verdachte als bezoeker van voornoemd café. Het voorgaande is een contra-indicatie voor het toepassen van een Foslo-confrontatie.

Een enkelvoudige fotoconfrontatie is dan ook de aangewezen methode. Getuige [getuige 3] verklaart dat hij verdachte herkent als de schutter.

De inhoud van de verschillende getuigenverklaringen passen naadloos aan op het signalement van verdachte. Zo is ter zitting te zien dat verdachte gouden tanden heeft.

Getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat hij in voornoemd café heeft geschoten. Deze verklaring heeft zij bevestigd bij de rechter-commissaris. Zij zegt dat er met een klein wapen is geschoten, hetgeen zij niet uit eigen wetenschap kan verklaren.

Verdachte verklaart dat hij regelmatig voornoemd café bezoekt. Getuige [getuige 1] en Getuige [getuige 3] verklaren beiden dat ze verdachte vaker in het café hebben gezien.

Het schieten in voornoemd café levert een poging tot doodslag op ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De kogel heeft [slachtoffer 2] gemist doordat er vermoedelijk met een doorgeboord gaspistool is geschoten. De kogel kan dan een draaiende werking krijgen, waardoor de kogel afwijkt.

Ten aanzien van de tweede keer dat verdachte heeft geschoten (feit 3) kan een poging tot moord van dhr. [slachtoffer 3] wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien verdachte op dat moment voldoende gelegenheid heeft gehad om na te denken. Na kalm beraad heeft verdachte op dhr. [slachtoffer 3] geschoten.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van de feiten 4 en 5 vrij te spreken, aangezien er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is ten aanzien van deze feiten.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daartoe – zoals vervat in de pleitnota – kort weergegeven het navolgende aangevoerd.

De signalementen zoals deze zijn gegeven door aangever [slachtoffer 1], aangever [slachtoffer 3] en getuige [getuige Y] zijn zeer oppervlakkig. Geen van voornoemde personen verklaard over de tatoeages van verdachte, alsmede de oorbellen die hij draagt, hetgeen zeer opvallende kenmerken zijn van verdachte. Ook de verklaring van getuige [getuige 3] is weinig specifiek.

Getuige [getuige 1] verklaart uitvoeriger, echter hij verklaart niet dat verdachte een petje droeg, hetgeen de voorgaande personen wel hebben verklaard. Getuige [getuige 1] verklaart voorts dat verdachte geen oorbellen draagt of tatoeages heeft, terwijl duidelijk is te zien dat verdachte aan beide zijden van de nek tatoeages heeft.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte heeft herkend door de eerdere bezoeken van verdachte aan het café. Het signalement dat getuige [getuige 1] geeft is echter onvoldoende specifiek.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de enkelvoudige fotoconfrontatie dient te worden uitgesloten van het bewijs, waarbij getuige [getuige 1] verklaart dat hij verdachte als de schutter herkent. Deze fotoconfrontatie moet als onvoldoende zorgvuldig en onbetrouwbaar worden aangemerkt.

De fotoconfrontatie voldoet niet aan de eisen zoals gesteld in artikel 6 en 8 van het ‘Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek’. Er is onvoldoende behoedzaamheid in acht genomen. Een meervoudige fotoconfrontatie was geboden, gelet op de waarborgen waarmee deze is omgeven.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van getuige [slachtoffer 4] en [getuige Z] niet voor het bewijs dienen te worden gebezigd.

Er had nader onderzoek moeten worden verricht naar de verklaring van getuige [getuige], hetgeen de rechter-commissaris nadrukkelijk heeft overwogen.

De verklaring van getuige [getuige A] kan evenmin bijdragen aan het bewijs, aangezien deze verklaring kan worden aangemerkt als een testemonium de auditu.

Getuige [slachtoffer 2] verklaart ontlastend voor verdachte. Wanneer hem een foto van verdachte wordt getoond, verklaart hij dat deze persoon niet de schutter is, aangezien de persoon die had geschoten donkerder van huidskleur was.

Gelet op de conclusie van het NFI d.d. 20 augustus 2010 kan de betrokkenheid van verdachte op grond van het aangetroffen vuurwapen, de kogels, hulzen en patronen niet worden aangetoond.

Voorts hebben verschillende ingezette opsporingsmethoden geen belastend bewijs opgeleverd, echter wel (steeds) ontlastend bewijs.

Gelet op het voorgaande heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van hetgeen hem onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd.

De raadsman heeft subsidiair, in het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat verdachte de schutter is geweest op 25 april 2010, het navolgende verweer gevoerd.

De raadsman heeft gesteld dat niet is gebleken dat er gericht is geschoten. Er werd een willekeurig persoon geraakt, te weten dhr. [slachtoffer 1]. Er is geen sprake geweest van opzet op het doden van [slachtoffer 1]. Het is onvoldoende duidelijk of [slachtoffer 1] dodelijk zou kunnen worden getroffen door de afgeketste kogel. Gelet op de conclusie van het sporenonderzoek zou een reconstructie op zijn plaats zijn geweest.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde bestonden volgens het Hof onvoldoende ernstige bezwaren. Er is geen aangifte gedaan en het vermeende slachtoffer herkent verdachte niet op de foto. Ter terechtzitting heeft getuige [getuige 3] verklaard dat de arm van de schutter weliswaar omhoog ging, maar dat er niet gericht is geschoten. Gelet op het voorgaande dient verdachte van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde wordt de verklaring van aangever [slachtoffer 3] niet bevestigd door andere getuigen. Er wordt slechts een afgevlakt projectiel aangetroffen. Er is onvoldoende bewijs dat er gericht is geschoten op die [slachtoffer 3] en dat daarmee bewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat die [slachtoffer 3] zou worden geraakt en daarmee zou komen te overlijden. Gelet op het voorgaande dient verdachte van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht verdachte daarvan vrij te spreken, aangezien zich onvoldoende wettig bewijs in het dossier bevindt.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de hierboven omschreven vaststaande feiten ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, dat vaststaat dat er op 25 april 2010 eenmaal is geschoten in het [café] te [plaats] en dat [slachtoffer 1] daarbij is geraakt. Voorts staat vast dat [slachtoffer 2] vlak naast [slachtoffer 1] aan de bar zat en dat de schutter ruzie met deze [slachtoffer 2] had.

De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of verdachte de schutter is geweest.

Getuige [getuige 1], de barman van voornoemd café op 25 april 2010, verklaart tegenover de politie dat hij (alvorens het schietincident plaatsvindt) verdachte op het toilet tegenkwam. Verdachte liep daarna - vanuit het toilet - vier meter achter getuige [getuige 1]. Voornoemde getuige verklaart bij de hoek van de bar te zijn gaan staan en daar met een aantal personen te zijn gaan praten. Opeens hoorde hij verdachte schreeuwen tegen de vader van [getuige 3] (genaamd [slachtoffer 2]). Hij verklaart dat [slachtoffer 2] en verdachte naar elkaar gericht stonden. Daarop volgde een knal en zag hij een lichtflits. Voornoemde getuige zag en hoorde dat dit bij de verdachte vandaan kwam.

Een persoon sprong vlak na de knal op van zijn barkruk. Uit de vaststaande feiten is gebleken dat dit [slachtoffer 1] betreft, die een verwonding aan de onderrug heeft opgelopen.

Getuige [getuige 1] heeft een situatieschets gemaakt en heeft in die schets de betrokken personen, inclusief verdachte, getekend. Persoon 8 is de persoon die wordt geraakt. Persoon 7 is de vader van [getuige 3] ( [slachtoffer 2]). Persoon 12 is verdachte. De rechtbank maakt uit deze schets op dat getuige [getuige 1] een goed overzicht heeft gehad op het schietincident. Voorts is op deze schets te zien dat verdachte dichter in de buurt stond bij [slachtoffer 1] dan bij [slachtoffer 2], die er naast zat. Uit zijn verklaring blijkt dat getuige [getuige 1] de situatie constant in de gaten heeft gehouden, en reeds voordat er is geschoten de hele situatie heeft waargenomen.

De verklaring van getuige [getuige 1] vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 2] en [getuige 3]. Getuige [getuige 3] zat aan de bar en heeft verklaard een Antilliaanse persoon te hebben horen zeggen ‘vieze kankerflikkers’ waarna die persoon tussen [getuige 3] en [slachtoffer 2] in ging staan. Getuige [getuige 3] geeft een signalement van die persoon. [slachtoffer 2] draaide zich naar de Antilliaanse persoon toe. De Antilliaanse persoon pakte iets uit zijn zak wat leek op een pistool. Dit pistool richtte hij op [slachtoffer 2]. Direct erna hoorde getuige [getuige 3] een knal. De Antilliaan stond op een afstand van 2 à 3 meter van [slachtoffer 2] en op een afstand van ongeveer 1 meter van de persoon die uiteindelijk door het schot werd geraakt.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 29 oktober 2010 verklaart voornoemde getuige dat hij weliswaar niet heeft gezien dat er gericht is geschoten op [slachtoffer 2], maar wel dat de schutter iets uit de zak heeft gehaald en de arm in de richting van [slachtoffer 2] heeft bewogen, waarop na hooguit twee seconden een knal volgde.

Getuige [getuige 1] werd op het politiebureau een foto van verdachte getoond, waarop hij uit eigen beweging heeft verklaard dat hij op de getoonde foto de dader voor 100% herkent. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 29 oktober 2010 verklaart voornoemde getuige dat verdachte vaker in het café kwam - waar voornoemde getuige als barmedewerker werkzaam is - en dat hij derhalve goed weet hoe verdachte eruitziet. Ook tijdens voornoemde terechtzitting heeft [getuige 1] verklaard verdachte als de schutter te herkennen.

Getuige [getuige 3] heeft tijdens voornoemd onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij vaker in het café komt en verdachte daar vaker heeft gezien. Voornoemde getuige heeft de verdachte ter terechtzitting herkend als de schutter.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de gegeven signalementen door de verschillende getuigen onvoldoende specifiek zouden zijn.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat er met name door getuige [getuige 1] specifieke kenmerken van verdachte worden genoemd, zoals de “pinda-achtige huidskleur” van verdachte en de gouden tanden. Ook door getuige [getuige 3] worden specifieke kenmerken genoemd, zoals de getinte lichtbruine huidskleur. Bovendien heeft getuige [getuige 3] ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte onder meer heeft herkend aan het postuur, het gezicht en de gelaatsuitdrukking van verdachte.

Getuige [getuige 1] verklaart bovendien ter terechtzitting dat er in het café meerdere Antilliaanse personen waren, maar dat niemand die combinatie van uiterlijke kenmerken had als die verdachte heeft.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de uitkomst van de enkelvoudige fotoconfrontatie onbetrouwbaar is en daarom niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank overweegt dat de herkenning door [getuige 1] niet op zichzelf staat, maar aansluit bij de, eveneens tot het bewijs gebezigde, verklaringen van voornoemde getuige. De rechtbank acht de fotoconfrontatie betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bij het gebruik van een enkelvoudige fotoconfrontatie behoedzaamheid op haar plaats is. Dat klemt temeer in het geval een enkelvoudige fotoconfrontatie het dragende en/of enige bewijs vormt. Daarvan is echter naar het oordeel van de rechtbank hier geen sprake. De enkelvoudige fotoconfrontatie vormt een onderdeel van het bewijs en draagt daaraan slechts in geringe mate bij. De verdachte is immers een bekende van [getuige 1], aangezien deze getuige verdachte kent als een regelmatig terugkerende bezoeker van het [café] waar getuige werkzaam is als barmedewerker.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de voornoemde bewijsmiddelen, verdachte op 25 april 2010 de schutter is geweest in het [café] te [plaats].

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk heeft getracht [slachtoffer 1] [en .] [slachtoffer 2] (met voorbedachten rade) van het leven te beroven.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman,van oordeel dat het onder 1 en 2 impliciet primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, aangezien de voorbedachten rade niet kan worden vastgesteld. Verdachte zal van het onder 1 en 2 impliciet primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De raadsman heeft als subsidiair verweer gevoerd dat het opzet op het doden van [slachtoffer 1] en [.] [slachtoffer 2] heeft ontbroken. Dit verweer wordt verworpen.

De rechtbank overweegt dat verdachte op een afstand van slechts 1 meter vanaf [slachtoffer 1] heeft geschoten. De afstand tussen verdachte en [slachtoffer 2] betrof ongeveer 3 meter. Uit voornoemde bewijsmiddelen is voorts gebleken dat [slachtoffer 1] naast [slachtoffer 2] zat (met enige ruimte daartussen). Met een dergelijke geringe afstand is bij het schieten de aanmerkelijke kans op een dodelijke verwonding gegeven. Bovendien blijkt uit meerdere verklaringen dat er onenigheid heeft bestaan tussen [slachtoffer 2] en verdachte. Uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat verdachte zijn arm in de richting bracht van [slachtoffer 2] met een voorwerp dat op een pistool leek waarop kort erna een knal volgde. Uit deze handelingen kan worden afgeleid dat het de intentie van verdachte was om [slachtoffer 2] te raken. Dat bij het gericht schieten met een wapen een dodelijke verwonding het gevolg zou kunnen zijn geweest is een mogelijkheid die verdachte bewust heeft aanvaard. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zijn beoogde slachtoffer (te weten [slachtoffer 2]), maar ook een willekeurige bezoeker van het café, in dit geval [slachtoffer 1], zou kunnen raken.

De hierboven aangehaalde bewijsmiddelen in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat beide ten laste gelegde pogingen tot doodslag van [slachtoffer 1] en [.] [slachtoffer 2] wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zoals hierna omschreven.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk (en met voorbedachten rade) heeft gepoogd aangever [slachtoffer 3] van het leven te beroven.

Door diverse getuigen is waargenomen dat de persoon die in het café heeft geschoten, naar buiten is gerend. [slachtoffer 3] gaat achter deze persoon aan naar buiten en ziet deze persoon op een afstand van 30 meter staan. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de schutter is geweest in het voornoemde café. Deze persoon is naar buiten gerend en heeft buiten wederom een schot gelost, zoals aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard. Dit wordt bevestigd door een afgeschoten projectiel dat wordt gevonden buiten op het plein, en die overeenkomsten vertoont met het projectiel dat in het café is gevonden.

De rechtbank overweegt dat het projectiel dat buiten is gevonden afgevlakt is. De betreffende verbalisanten hebben gerelateerd dat dit kan komen doordat het projectiel met kracht in aanraking is gekomen met de bestrating.

Gelet op het voorgaande, kan niet worden uitgesloten dat verdachte een soort van waarschuwingsschot heeft afgevuurd, gezien de staat van het aangetroffen projectiel. Bovendien stond verdachte op een afstand van ongeveer 30 meter. Er bestaat slechts de verklaring van aangever [slachtoffer 3] dat verdachte met zijn hand in de richting van aangever [slachtoffer 3] heeft gewezen, waarna er een knal volgde. Verder heeft niemand iets gezien van hetgeen zich buiten het voornoemde café zou hebben afgespeeld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk (en met voorbedachten rade) heeft gepoogd aangever [slachtoffer 3] van het leven te beroven. De rechtbank zal verdachte van het onder 3 impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde:

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, van oordeel dat er ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde bestaat slechts de verklaring van aangeefster. Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde bestaat eveneens slechts de verklaring van aangeefster.

De rechtbank zal verdachte derhalve van het onder 4 en 5 tenlastegelegde vrijspreken.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 impliciet subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 april 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 25 april 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

7. OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

7.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van de hem onder 1 en 2 impliciet subsidiair en de onder 3 impliciet primair tenlastegelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft voorts de teruggave gevorderd van de inbeslaggenomen beelden en kleding aan de rechtmatige eigenaar alsmede gevorderd dat de inbeslaggenomen kogels worden onttrokken aan het verkeer.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een schot heeft afgevuurd in een café, waar op dat moment veel mensen aanwezig waren. Voorts weegt voor de rechtbank zwaar mee dat verdachte zonder noemenswaardige aanleiding kennelijk zodanig agressief is geworden dat hij zijn vuurwapen heeft gebruikt en van een zeer korte afstand op bezoekers heeft geschoten. Dergelijk gevaarzettend gedrag tegenover anderen is onaanvaardbaar. Verdachte heeft voor alle bezoekers van het café een zeer bedreigende en angstaanjagende situatie gecreëerd. De rechtbank acht het aannemelijk dat die avond van de 25ste april 2010 in plaats van een avond van ontspanning een zeer traumatische gebeurtenis voor de direct betrokkenen heeft opgeleverd en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. De verdachte heeft geen blijk gegeven van enig besef van het laakbare van zijn handelen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank - ten nadele van verdachte - rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 oktober 2010, waaruit volgt dat verdachte reeds eerder ter zake van een levensdelict is veroordeeld.

Aangezien verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde, welk feit de officier van justitie heeft meegenomen in zijn strafeis, wordt daarmee rekening gehouden in de na te noemen op te leggen straf.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen lijst van inbeslaggenomen voorwerpen bevindt.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de inbeslaggenomen Cd-rom met ‘bewakingsbeelden [café]’, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen kogels (te weten: SIN AAAN4199NL en SIN AAAN4200NL) dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat de feiten daarmee zijn begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan aangever [slachtoffer 1] gelasten van de aan hem toebehorende kleding (te weten: een meerkleurig vest met voorwerpnummer DZBEAO-2010030209-763340 en een wit t-shirt met voorwerpnummer DZBEAO-2010030209-763341) aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

8. BESLISSING

Het onder 1 impliciet primair, het onder 2 impliciet primair en het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld.

De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 impliciet subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank gelast de teruggave van een vest (voorwerpnummer DZBEAO-2010030209-

763340) en een wit t-shirt (voorwerpnummer DZBEAO-2010030209-763341) aan aangever [slachtoffer 1].

De rechtbank gelast de teruggave van de Cd-rom met ‘bewakingsbeelden [café]’ aan de rechthebbende.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de twee kogels (te weten: SIN AAAN4199NL en SIN AAAN4200NL).

Aldus gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mrs. G. Blomsma en M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 12 november 2010.