Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BP1964

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
176740 - KG ZA 10-470
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW9701, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering ex art. 843a Rv in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 176740 / KG ZA 10-470

Vonnis in kort geding van 4 november 2010

in de zaak van

1. de Gesellschaft mit beschränkter Haftung

MEI MIDDLE EUROPE INVESTMENTS GMBH,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Liebenwalde, Ortsteil Kreuzbruch (Duitsland),

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M. Schuring te Groningen,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna MEI GmbH c.s. dan wel MEI GmbH, c.q. [eiser sub 2] en ABN AMRO genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12 van de zijde van MEI GmbH c.s.

- de producties 1 tot en met 12 van de zijde van ABN AMRO

- kopie van de bij de rechtbank Groningen aanhangige procedure met zaaknummer / rolnummer: 112559 / HA ZA 09-792.

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van MEI GmbH c.s.

- de pleitnota van ABN AMRO.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. MEI GmbH is sinds 27 februari 2004 beherend vennoot van Roudnice Real Estate C.V., gevestigd [adres] (hierna: Roudnice). [eiser sub 2] is - sinds haar oprichting - bestuurder van MEI GmbH.

2.2. In ieder geval sinds 16 maart 2004 bestond er bij ABN AMRO een rekening met het [rekeningnummer] (hierna: de 200-rekening). De 200-rekening stond aanvankelijk op naam van “MEI beheer B.V. o.h.o. Roudnice Real Estate C.V.”. Vanaf eind maart 2010 stond de 200-rekening op naam van “Roudnice Real Estate C.V.”.

2.3. Bij brieven van 2 maart 2004 en 8 maart 2004 zijn investeerders door MEI Beheer B.V. (zich presenterende als handelend op verzoek van MEI GmbH) benaderd voor deelname als (stille) vennoot aan investeringsproject Roudnice Real Estate s.r.o. te Tsjechië. Eén participatie beloopt een bedrag van EUR 50.000,-.

2.4. De deelnemende investeerders hebben in de periode medio maart 2004 tot en met juni 2004 het bedrag van hun participatie(s) gestort op de 200-rekening. Op 19 maart 2004 is een bedrag van EUR 1.750.000,- overgeschreven naar [rekeningnummer] (hierna: de 040-rekening) op naam van “MEI Middel Europe Investments GmbH”. Naar genoemde 040-rekening is voorts op 5 april 2004 en op 15 april 2004 een bedrag overgemaakt van EUR 250.000,-.

2.5. [eiser sub 2] is door (een deel van) de stille vennoten gedagvaard. De stille vennoten vorderen veroordeling van [eiser sub 2] tot betaling aan hen van een bedrag ter hoogte van hun inleg, te vermeerderen met een rendement van 43% tot en met 31 december 2005. De zaak is bij de rechtbank Groningen bekend onder zaaknummer: 112559 / HA ZA 09-792. De stille vennoten hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat: “[eiser sub 2] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Dit handelen bestaat daaruit dat [eiser sub 2] als bestuurder van de beherende vennoot van Roudnice Real Estate C.V. heeft toegestaan dat de gelden die bestemd waren voor de verwezenlijking van het overeengekomen doel (artikel 2 statuten) heeft aangewend voor een ander doel, als gevolg waarvan de participanten schade hebben geleden. Participanten stellen deze schade op het door hen ingelegde kapitaal [..].”.

2.6. [eiser sub 2] verweert zich in bovengenoemde zaak met - onder meer - de stelling dat MEI GmbH niet in verzuim is jegens de stille vennoten omdat sprake is van schuldeisersverzuim. De 200-rekening is, aldus het verweer van [eiser sub 2], geen rekening van Roudnice of MEI GmbH maar een rekening van - uitsluitend - MEI Beheer B.V. De stille vennoten hebben dan ook nimmer betaald aan MEI GmbH.

2.7. De 200-rekening is op 15 april 2009 opgeheven.

2.8. Bij schrijven van 18 mei 2010 heeft MEI GmbH aan ABN AMRO meegedeeld dat zij betwist dat Roudnice dan wel MEI GmbH de 200-rekening heeft geopend. In haar brief heeft zij ABN AMRO verzocht aan te geven wanneer de rekening is geopend en waaruit dat blijkt. Daarnaast heeft zij verzocht om een afschrift van rekeningafschriften, bevestigingen, nota’s of andere opgaven.

2.9. In reactie op de brief van 18 mei 2010 heeft ABN AMRO handtekeningenkaarten overgelegd van Roudnice van respectievelijk 28 april 2004 (met handtekeningen van B.W. [A] en [B]) en januari 2006 (met handtekening van [eiser sub 2]).

2.10. Bij brief van 14 juni 2010 heeft MEI GmbH - onder meer - verzocht aan te geven op welke wijze de tenaamstelling “MEI Beheer B.V. o.h.o. Roudnice Real Estate C.V.” is gewijzigd in de tenaamstelling “Roudnice Real Estate C.V.” en wie vóór 28 april 2004 bevoegd was ten aanzien van de 200-rekening.

2.11. ABN AMRO heeft bij brief van 24 juni 2010 meegedeeld dat het voor haar niet duidelijk is met welk belang MEI GmbH voornoemde vragen stelt en in zoverre over te gaan tot sluiting van het dossier.

3. Het geschil

3.1. MEI GmbH c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ABN AMRO zal veroordelen tot “afgifte aan eiseres van de bescheiden waaruit blijkt dat eiseres, dan wel de commanditaire vennootschap Roudnice Real Estate C.V. een rekening aanhoudt bij gedaagde, dan wel indien dat niet het geval mocht zijn, aan eisers zulks te bevestigen, zulks vijf dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan gedaagde een dwangsom verbeurt van EUR 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde niet aan het ten deze te wijzen vonnis voldoet, tot een maximum van EUR 1.000.000,-, kosten rechtens.”

3.2. ABN AMRO voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht.

4.1. Deze zaak heeft internationaalrechtelijke aspecten. De voorzieningenrechter zal daarom eerst onderzoeken, of zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen. Op grond van het bepaalde in art. 2 van de EEX-Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien ABN AMRO woonplaats heeft in Nederland. Gelet op de woonplaats van ABN AMRO is de rechtbank Zwolle-Lelystad relatief bevoegd van de vordering kennis te nemen.

4.2. Uit de stellingen van MEI GmbH c.s. blijkt dat zij een rechtskeuze hebben gemaakt voor de toepassing van Nederlands recht. Nu deze rechtskeuze verder onweersproken is gebleven zal op de vordering Nederlands recht worden toegepast.

Ontvankelijkheid van [eiser sub 2]

4.3. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de voorziening uitsluitend wordt gevraagd door MEI GmbH en dat [eiser sub 2] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De voorzieningenrechter deelt in dit verband het standpunt van MEI GmbH c.s. dat het gebruik van het woord ‘eiseres’ in plaats van ‘eiser’ in het petitum van de dagvaarding moet worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Het lichaam en petitum van de dagvaarding vormen immers een geheel en uit het lichaam van de dagvaarding blijkt afdoende dat ook [eiser sub 2] bedoeld heeft een vordering tot afgifte van de bescheiden in te stellen.

Spoedeisend belang

4.4. Van een spoedeisend belang van MEI GmbH c.s. bij de vordering is in voldoende mate gebleken. [eiser sub 2] wil de gevraagde bescheiden gebruiken ter onderbouwing van zijn verweer tegen de door de stille vennoten jegens hem ingestelde vordering. Onder deze omstandigheden is sprake van zodanige spoed dat een bodemprocedure niet behoeft te worden afgewacht. Nu deze vordering door de stille vennoten is ingesteld vanwege de rol van [eiser sub 2] als bestuurder van de beherend vennoot MEI GmbH heeft ook zij, zij het zijdelings, belang bij de uitkomsten van genoemde procedure en dus bij spoedige afgifte van bescheiden die kunnen dienen ter onderbouwing van het verweer van [eiser sub 2]. Dit geldt te meer nu het in meergenoemde procedure onder meer gaat om betalingen die zijn verricht op een rekening die op naam stond van Roudnice, waarvan MEI GmbH beherend vennoot is.

De vordering ex artikel 843a Rv

4.5. Uit art. 843a Rv blijkt dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan voordat MEI GmbH c.s. aan deze bepaling jegens ABN AMRO een recht op verstrekking van de gevraagde bescheiden kan ontlenen. Er dient - kort gezegd - sprake te zijn van een rechtmatig belang op kennisneming (i) van bepaalde bescheiden (ii), aangaande een rechtsbetrekking waarbij MEI GmbH c.s. partij is (iii). Bovendien dient de wederpartij van MEI GmbH c.s. over de bescheiden te beschikken of deze onder haar berusting te hebben (iv).

4.6. Aan het vereiste dat de gevraagde bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij MEI GmbH c.s. partij is, is zonder meer voldaan.

4.7. ABN AMRO betwist dat MEI GmbH c.s. een rechtmatig belang heeft bij de gevraagde voorziening. MEI GmbH c.s. was in ieder geval sinds het voorjaar van 2004 op de hoogte van het bestaan en de tenaamstelling van de 200-rekening. Nu het bestaan van deze 200-rekening op naam van Roudnice voor MEI GmbH c.s. geen geheim was ziet ABN AMRO niet in wat [eiser sub 2] in de procedure met de stille vennoten met de gevraagde informatie zou kunnen bereiken.

4.8. Voorop staat dat een rekeninghouder altijd een rechtmatig belang heeft bij afgifte van (afschriften van) bescheiden die betrekking hebben op de op zijn naam staande rekening. Wanneer de rekening op naam staat van een commanditaire vennootschap moet ook de beherend vennoot en - zo daarvan sprake is - de bestuurder van deze vennoot geacht worden een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van bescheiden die betrekking hebben op genoemde rekening. ABN AMRO heeft ter zitting ook erkend dat zij - in geval van een daartoe strekkend verzoek - een afschrift van dergelijke stukken afgeeft aan de rekeninghouder.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat de omstandigheid dat MEI GmbH c.s. op enig moment op de hoogte is geraakt van het bestaan van een rekening op naam van Roudnice niet met zich brengt dat [eiser sub 2] bij het voeren van verweer in de procedure tegen de stille vennoten geen belang heeft bij de gevraagde bescheiden. Het door [eiser sub 2] gevoerde verweer in genoemde procedure houdt immers niet in dat hij niet op de hoogte is van de 200-rekening, maar - kortgezegd - dat deze rekening ten onrechte op naam van Roudnice staat. Gelet op dit door hem gevoerde verweer heeft [eiser sub 2] rechtmatig belang bij afgifte van bescheiden waaruit blijkt door wie de rekening is geopend en wie bevoegd was over de rekening te beschikken. Of dit verweer wel of geen kans van slagen heeft gaat - wat daar verder ook van zij - het bestek van dit kort geding te buiten en is daarom niet relevant voor het antwoord op de vraag of [eiser sub 2] een rechtmatig belang heeft bij afgifte van de gevraagde stukken.

Nu [eiser sub 2] in rechte wordt aangesproken uit hoofde van zijn functie van bestuurder van MEI GmbH en zijn verweer betrekking heeft op een bankrekening die op naam staat van Roudnice, waarvan MEI GmbH beherend vennoot is, heeft ook MEI GmbH een rechtmatig belang heeft bij de afgifte van de gevraagde bescheiden.

4.9. Ter zitting heeft MEI GmbH c.s. toegelicht dat het gaat om bescheiden waaruit blijkt wie de 200-rekening heeft geopend en wie vanaf de opening bevoegd was over de rekening te beschikken, zoals een handtekeningenkaart, overeenkomst of formulier dat is gebruikt bij het openen van de rekening. De stelling van ABN AMRO dat de stukken te weinig gespecificeerd zijn om te kwalificeren als ‘bepaalde stukken’ treft dan ook geen doel. Uit hetgeen door ABN AMRO hierover ter zitting naar voren is gebracht, namelijk dat zij wel over dergelijke bescheiden zou moeten beschikken maar dat zij deze in dit geval tot op heden niet heeft kunnen vinden, moet overigens worden afgeleid dat zij in ieder geval wist dat MEI GmbH c.s. (ook) deze bescheiden wilde hebben, zodat ABN AMRO door deze nadere specificering niet in haar verdediging is geschaad.

4.10. Ter zitting is namens ABN AMRO niet slechts aangegeven dat een stuk waaruit blijkt hoe de opening van de rekening is gegaan er wel hoort te zijn doch in dit geval niet voorhanden is, maar ook dat er nog altijd naar wordt gezocht.

4.11. Dat ABN AMRO een stuk dat normaliter in haar administratie aanwezig zou moeten zijn (nog) niet heeft kunnen vinden kan niet tot de conclusie leiden dat ABN AMRO niet (langer) over een dergelijk stuk beschikt of onder haar berusting heeft. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat ABN AMRO haar zoektocht zelf nog niet heeft gestaakt en ook zij kennelijk niet overtuigd is van de omstandigheid dat zij niet over genoemde stukken beschikt.

4.12. Gelet op al het voorgaande zal de gevraagde voorziening worden toegewezen voor zover het betreft afschriften van bescheiden waaruit blijkt wie de 200-rekening heeft geopend en wie vanaf dat moment bevoegd was over de rekening te beschikken. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot EUR 200.000,- en ABN AMRO zal niet binnen vijf dagen, maar binnen twee weken na de betekening van het vonnis afschriften van genoemde bescheiden dienen af te geven.

4.13. ABN AMRO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van MEI GmbH c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.240,89

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt ABN AMRO om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan MEI GmbH c.s. afschriften af te geven van bescheiden waaruit blijkt wie de 200-rekening heeft geopend en wie vanaf dat moment bevoegd was over de rekening te beschikken,

5.2. veroordeelt ABN AMRO om aan MEI GmbH c.s. een dwangsom te betalen van EUR 10.000,- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 200.000,- is bereikt,

5.3. veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van MEI GmbH c.s. tot op heden begroot op EUR 1.240,89,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Zomer en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2010.