Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BP1875

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-10-2010
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
176285 - KG ZA 10-451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot continuering van kredieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 176285 / KG ZA 10-451

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2010

in de zaak van

1. [eiser]

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M.C.J. Freijters te Koekange,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. D.K. Greveling te Hilversum.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en ABN AMRO c.s. worden genoemd, waarbij geldt dat gedaagden afzonderlijk ABN AMRO en Deutsche Bank zullen worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 20

- de producties 1 tot en met 15 van de zijde van ABN AMRO c.s.

- de eerste wijziging van eis

- de tweede wijziging van eis

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser] c.s.

- de pleitnota van ABN AMRO c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In november 2001 heeft ABN AMRO aan de Maatschap [eiser] te [woonplaats] (hierna: de maatschap) een kredietfaciliteit verstrekt van EUR 14.000,00.

2.2. ABN AMRO heeft [eiser] c.s. in juli 2005 een (privé)krediet ter beschikking gesteld tot een maximum van EUR 25.000,00. In artikel 3 onder B van de betreffende kredietovereenkomst is - voor zover van belang - overeengekomen:

“Kredietnemer is gehouden tot een maandelijkse betaling aan de Bank van een bedrag van 2,5% van de kredietlimiet (de “maandtermijn”).”

Artikel 6 van de op de overeenkomst van toepassing zijnde ‘Productvoorwaarden ABN AMRO privélimiet plus’ (hierna: de Productvoorwaarden) luidt:

“De ABN AMRO privélimiet Plus zal maandelijks, vanaf het tijdstip dat de onder 1A genoemde Kredietnemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, worden afgebouwd tot

EUR 1.000 met 1/120 deel van de op het tijdstip van het bereiken van de 65-jarige leeftijd geldende limiet.”

2.3. Naast voornoemde kredietfaciliteiten bestond tussen ABN AMRO en [eiser] c.s. ten behoeve van de V.O.F. Makelaardij [eiser] (hierna: de makelaardij) een kredietfaciliteit van EUR 27.227,00.

2.4. Op 22 augustus 2006 hebben [eiser] c.s. en ABN AMRO gesproken over verhoging van de kredietfaciliteit.

2.5. In december 2006 zijn ABN AMRO en [eiser] c.s. overeengekomen dat de kredietfaciliteit van de makelaardij ad EUR 27.227,00 zou worden verhoogd tot

EUR 37.500,00. In de ten behoeve van deze verhoging opgemaakte kredietovereenkomst is voorts bepaald dat het krediet van de maatschap zal worden verlaagd naar EUR 10.000,00. Daarnaast is overeengekomen dat [eiser] c.s. tot een bedrag van EUR 72.500,00 een recht van hypotheek zou verlenen op zijn woonhuis. De ter uitvoering hiervan opgemaakte hypotheekakte is op 22 januari 2007 ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers te Apeldoorn.

2.6. In artikel III.5.1 van de op de in 2.5 genoemde kredietovereenkomst toepasselijke Algemene Bepalingen voor Kredietverlening door ABN AMRO (hierna: de Algemene Bepalingen) is - voor zover van belang - bepaald:

“Het nog niet afgeloste gedeelte van de hoofdsom van de lening kan, tezamen met rente en met al het overige door de kredietnemer uit hoofde van de kredietovereenkomst verschuldigde, terstond en in zijn geheel tussentijds door ABN AMRO worden opgeëist, zonder dat enige sommatie of ingebrekestelling zal zijn vereist:

[..]

j. indien er zich een omstandigheid voordoet van politieke, militaire, economische of financiële aard of indien de financiële positie van de Kredietnemer aanmerkelijk is verslechterd, of dat het voorzienbaar is dat een dergelijke omstandigheid of verslechtering zich zal kunnen voordoen, zodanig dat naar het oordeel van ABN AMRO de mogelijkheid van de Kredietnemer om zijn verplichtingen jegens ABN AMRO stipt na te komen nadelig kan worden beïnvloed.”

2.7. ABN AMRO heeft bij schrijven van 9 februari 2010 meegedeeld dat zij zich op basis van de financiële gegevens per 31 december 2008 zorgen maakt over de continuïteit van de onderneming en dat een (verdere) afname van het eigen vermogen voor haar niet acceptabel is en mogelijk gevolgen zal hebben voor de kredietverlening. In haar brief heeft ABN AMRO [eiser] c.s. verzocht vóór 1 mei 2010 de jaarcijfers over 2009 ter beschikking te stellen, en meegedeeld dat zij aan de hand daarvan de kredietregeling opnieuw zal bezien.

2.8. Wegens splitsing en naamswijziging van ABN AMRO is Deutsche Bank sinds april 2010 rechthebbende van de vorderingen op [eiser] c.s. uit de verstrekte zakelijke kredieten.

2.9. Bij brief van 18 mei 2001 heeft Deutsche Bank meegedeeld een verhoogd risicoprofiel te hanteren omdat de jaarcijfers niet vóór 1 mei 2010 zijn ontvangen. Dit betekent dat per 1 juni 2010 de risico-opslag in het rentetarief met 1% wordt verhoogd. Deutsche Bank heeft [eiser] c.s. in haar brief tevens gewezen op zijn verplichting Deutsche Bank uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar in het bezit te stellen van de jaarcijfers. In een brief van 26 mei 2010 heeft de Deutsche Bank de verhoging van de risico-opslag nog eens bevestigd en aangegeven dat zij aan de hand van de cijfers en de uitkomst van de lopende rechtszaken het krediet zal bezien en daar waar mogelijk een passende aflossingsregeling zal treffen.

2.10. Op 12 augustus 2010 zijn de (aangepaste) voorlopige cijfers van de makelaardij over 2009 en de eerste helft van 2010 verstrekt.

2.11. Bij brief van 7 september 2010 heeft Solveon Incasso B.V. (hierna: Solveon) meegedeeld dat de Deutsche Bank de kredieten van de makelaardij en de maatschap heeft overgedragen aan Solveon. In de brief is over de reden van de overdracht het volgende aangegeven:

“[..] de Bank heeft [..] meermaals aangegeven, dat zij zich zorgen maakte over de continuïteit van de ondernemingen, [..].

Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat de Bank zeer recent herziene jaarcijfers 2009 heeft beoordeeld, hetgeen de Bank niet heeft doen besluiten om haar standpunt te wijzigen. De conclusie luidt dan ook, dat de Bank op grond van haar algemene voorwaarden gebruik maakt van de dagelijkse opzegbaarheid t.b.v. bovengenoemde kredietovereenkomsten.

Eveneens wordt de constatering van de Bank versterkt, daar de financiële situatie van uw cliënten weldegelijk lijkt te verslechteren, inmiddels is dan ook geconstateerd dat er t.b.v. de verstrekte krediethypotheek op het onroerend goed [adres] te [woonplaats] conservatoir beslag (d.d. 13 augustus 2010) is gelegd ten bedrage van EUR 28.000,00.

[..]

Derhalve verzoeken wij uw cliënten om binnen 14 dagen na dagtekening van ons schrijven voor algehele betaling zorg te dragen, anderzijds een voor ons conveniërend aflossingsvoorstel te doen.”

2.12. Naast de zakelijke kredieten is - zoals blijkt uit een brief van Solveon van 8 september 2010 - ook het privékrediet in zijn geheel opeisbaar gesteld. Voorafgaand aan de opzegging van het privekrediet is [eiser] c.s. bij brief van 18 mei 2010 aangemaand het saldo op de rekening voor 30 mei 2010 binnen de grenzen van de overeengekomen limiet te brengen. Bij schrijven van 6 augustus 2010 is [eiser] c.s. gewezen op een achterstand in maandelijkse betalingen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert samengevat en na wijziging van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden:

1.

primair:

zal gebieden om ten behoeve van [eiser] c.s. de overeengekomen kredietfaciliteit van

EUR 72.500,00 weer open te stellen (zo nodig verdeeld in EUR 25.000,00 privé en

EUR 47.500 zakelijk) en opengesteld te houden, op straffe van een dwangsom van

EUR 500,00 per dag dat gedaagden met het voorgaande in strijd handelen;

subsidiair:

zal gebieden om ten behoeve van [eiser] c.s. de overeengekomen kredietfaciliteit van

EUR 72.500,00 weer open te stellen (zo nodig verdeeld in EUR 25.000,00 privé en

EUR 47.500,00 zakelijk) en opengesteld te houden voor een periode van tien (10) jaar na dit vonnis, althans voor een periode door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 per dag dat ABN AMRO c.s. met het voorgaande in strijd handelt;

meer subsidiair:

zal gebieden om ten behoeve van [eiser] c.s. de tot medio juli 2010 feitelijk aanwezige kredietfaciliteit van respectievelijk EUR 47.500,00 zakelijk en EUR 17.600 privé weer open te stellen en opengesteld te houden, op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 per dag dat ABN AMRO c.s. met het voorgaande in strijd handelt;

(nog) meer subsidiair:

zal gebieden om ten behoeve van [eiser] c.s. de tot medio juli 2010 feitelijk aanwezige kredietfaciliteit van respectievelijk EUR 47.500,00 en EUR 17.600,00 privé weer open te stellen en opengesteld te houden, voor een periode van tien (10) jaar na dit vonnis, althans voor een periode door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 per dag dat ABN AMRO c.s. met het voorgaande in strijd handelt;

uiterst subsidiair:

zal gebieden om ten behoeve van [eiser] c.s. de tot medio juli 2010 feitelijk aanwezige kredietfaciliteit van respectievelijk EUR 47.500,00 en EUR 17.600,00 privé weer open te stellen en opengesteld te houden met inachtneming van de toepasselijke voorwaarden, voor een periode van tien (10) jaar na dit vonnis, althans voor een periode door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, op straffe van een dwangsom van

EUR 500,00 per dag dat ABN AMRO c.s. met het voorgaande in strijd handelt;

2.

zal gebieden om de extra risico-opslag van 1% terug te draaien en het op die voet door [eiser] c.s. betaalde, aan [eiser] c.s. terug te betalen;

3.

zal gebieden om de gedebiteerde buitengerechtelijke kosten te crediteren.

3.2. ABN AMRO c.s. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van een spoedeisend belang van [eiser] c.s. bij de vorderingen is in voldoende mate gebleken.

Het onder ‘1’ gevorderde

4.2. [eiser] c.s. stelt zich primair op het standpunt dat sinds de overeenkomst van 1 december 2006 de drie afzonderlijke kredieten zijn ondergebracht in één krediethypotheek van EUR 72.500,00. Afgesproken was, aldus [eiser] c.s., dat vanwege het onderpand geen aflossing nodig zou zijn, zodat tot een maximum van EUR 72.500,00 vrije opname mogelijk was.

4.2.1. De voorzieningenrechter verstaat deze primaire stelling van [eiser] c.s. aldus dat hij meent dat zolang de limiet van EUR 72.500,00 niet wordt overschreden, de kredieten niet mogen worden opgezegd.

4.2.2. Zowel uit het door ABN AMRO c.s. als productie 13 ingebrachte verslag van het overleg tussen partijen op 22 augustus 2006, als uit hetgeen hierover door [eiser] c.s. naar voren is gebracht, alsmede uit de hoogte van de hypothecaire inschrijving, blijkt dat bij vestiging van de hypotheek in januari 2007 de totale kredietverstrekking aan [eiser] c.s. (zowel zakelijk als privé) is betrokken.

4.2.3. De enkele omstandigheid dat bij bedoelde vestiging van de hypotheek in januari 2007 de totale kredietverstrekking aan [eiser] c.s. (zowel zakelijk als privé) is betrokken laat evenwel onverlet dat de onderscheidenlijke kredietverhoudingen in beginsel worden beheerst door de aan deze kredietverhoudingen ten grondslag liggende kredietovereenkomsten. Wanneer daarin een aflossingsverplichting of een kredietlimiet is neergelegd dienen deze - daargelaten dit recht van hypotheek - door de kredietnemer in acht te worden genomen.

4.2.4. Dat partijen bij onderhavige aanpassing van de kredietfaciliteiten in 2006 zijn overeengekomen dat geen aflossingsverplichting zou gelden en vrije opname tot

EUR 72.500,00 mogelijk zou zijn, zoals [eiser] c.s. stelt, is geenszins aannemelijk geworden. Dat de aflossingsverplichting uit het privékrediet en de overige aan de kredieten verbonden voorwaarden niet zouden gelden vanwege de verschafte hypothecaire zekerheid blijkt op geen enkele wijze uit de aan de kredietverstrekkingen ten grondslag liggende overeenkomsten, te meer nu dit niet blijkt uit de kredietovereenkomst van 1 december 2006, die is opgemaakt ter uitvoering van de in 2006 gemaakte afspraken en waarin ook uitdrukkelijk is uitgegaan van onderhavige hypotheekverstrekking. De door [eiser] c.s. overgelegde aantekeningen van het gesprek van 22 augustus 2006 waarin de door hem gestelde afspraken zouden zijn neergelegd, vormen - nu ABN AMRO c.s. de gestelde afspraken uitdrukkelijk betwist - onvoldoende aanknopingspunten voor een voorshands oordeel dat genoemde afspraken desondanks zijn gemaakt.

4.2.5. Voor het standpunt dat het [eiser] c.s. - ongeacht de in de onderliggende kredietovereenkomsten opgenomen aflossingsverplichting en overige voorwaarden - vrij stond altijd en onvoorwaardelijk tot een bedrag van EUR 72.500,00 vrij op te nemen en dat het ABN AMRO c.s. dan ook niet geoorloofd was de kredietovereenkomsten op te zeggen zolang het totaal van het uitstaande krediet beneden een bedrag van EUR 72.500,00 bleef, bestaat dan ook geen grond.

4.3. [eiser] c.s. stelt - subsidiair - dat de kredieten niet opzegbaar zijn omdat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging ontbreekt. De in de jaren 2003-2005 geleden verliezen zijn in de jaren 2006-2010 teruggedrongen en in 2009 omgebogen naar een winstgevende situatie (met inbegrip van de privé-opnamen). In verhouding tot de uitgangspositie eind 2006 bestond voor de bank geen enkele goede grond om somberder te oordelen over de situatie van [eiser] c.s. en al helemaal niet om het krediet in zijn geheel op te zeggen. Van een rechtsgeldige opzeggingsgrond van het zakelijk krediet is geen sprake. Dit geldt ook voor het beëindigen van het privékrediet. ABN AMRO c.s. heeft [eiser] c.s. nimmer gehouden aan zijn ‘voedingsverplichting’ zodat zij haar recht op dit punt heeft verwerkt. Verder is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de bank wegens voedingsgebrek tot beëindiging van de kredietrelatie zou mogen overgaan, zeker nu uit de hele aanpak van de bank blijkt dat zij hoe dan ook van de relatie met [eiser] c.s. af wil en het ‘voedingsgebrek’ op het laatste moment als spitsvondigheid heeft toegevoegd, aldus [eiser] c.s.

Ten aanzien van de zakelijke kredieten

4.3.1. Ondanks het bestaan van de mogelijkheid tot opzegging met onmiddellijke opeisbaarheid - zoals neergelegd in artikel II 5 van de Algemene Bepalingen - kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

Voor een bank geldt daarbij dat zij in verband met de maatschappelijke functie van banken zowel een bijzondere zorgplicht heeft jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Zie hieromtrent onder meer gerechtshof Arnhem 18 februari 2003, JOR 2003, 267.

Een en ander betekent dat een opzegging van de financiering van een onderneming in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.3.2. Bij opzegging van de zakelijke kredieten heeft Deutsche Bank gewezen op haar zorgen over de continuïteit van de ondernemingen en de omstandigheid dat de financiële situatie van [eiser] c.s. lijkt te verslechteren. Ondanks de omstandigheid dat Deutsche Bank niet expliciet heeft aangegeven op grond van welke bepaling uit de kredietovereenkomst zij over is gegaan tot directe opeising van het nog niet afgeloste deel van de hoofdsom, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de formulering in de brief van 7 september 2010 genoegzaam dat de onmiddellijke opeising van het zakelijke krediet door Deutsche Bank is gegrond op het bepaalde in artikel III 5.1 aanhef en onder j van de Algemene Bepalingen voor Kredietverlening door ABN AMRO.

4.3.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de financiering van de onderneming in 2006 is gewijzigd omdat de onderneming op dat moment wegens financiële krapte behoefte had aan extra financieringsruimte. ABN AMRO heeft de extra financiering verstrekt omdat hypothecaire zekerheid werd verleend en omdat in verband met een door [eiser] c.s. aangegaan samenwerkingsverband met een derde partij de verwachting bestond dat de bedrijfsresultaten zouden verbeteren. In de navolgende jaren is - rekeninghoudend met privé-onttrekkingen - echter een negatief resultaat blijven bestaan.

Deutsche Bank betoogt daarbij terecht dat de in de herziene jaarcijfers van 2009 aanwezige toename van het vermogen van de makelaardij kan worden herleid tot een storting door [eiser] c.s. privé en geen blijk geeft van een verbetering van de bedrijfsresultaten als zodanig. Onbetwist is gebleven dat de makelaardij sinds 2003 verlies lijdt en dat de bedrijfsresultaten - mede door privé-onttrekkingen - sinds de wijziging van de kredietfaciliteit in 2006 niet zijn verbeterd. De vrees van Deutsche Bank voor de continuïteit en kredietwaardigheid van de onderneming komt dan ook gerechtvaardigd voor.

Het voorgaande brengt met zich dat voor de bank een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van het zakelijke krediet bestond.

4.3.4. Vervolgens moet worden beoordeeld of Deutsche Bank ondanks die zwaarwegende grond in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht. ABN AMRO c.s. heeft in de loop van 2009 meerdere malen haar zorg geuit over de continuïteit van de onderneming en gevraagd om overlegging van de jaarcijfers over 2009. Daarbij is onder meer aangegeven dat: “verdere afname van het eigen vermogen [..] voor ons niet acceptabel [is], dit zal mogelijk gevolgen hebben voor de kredietverlening” (brief van 9 februari 2010). Het voorgaande in aanmerking genomen kon bij [eiser] c.s. niet de gerechtvaardigde verwachting bestaan dat de kredietovereenkomst ondanks voortzetting van de tegenvallende resultaten ongewijzigd zou worden voortgezet en kan de opzegging voor [eiser] c.s. na overlegging van de (tegenvallende) cijfers over 2009 niet zo onverwacht zijn geweest dat hij daarmee geen rekening diende te houden.

4.3.5. Dat tegenover de geleende bedragen voldoende hypothecaire zekerheid staat, zoals [eiser] c.s. stelt, kan - wat daar verder ook van zij - gelet op de structureel tegenvallende bedrijfsresultaten niet tot het oordeel leiden dat de kredietovereenkomst onverkort diende te worden voortgezet. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat [eiser] c.s. tot op heden (vrijwel) binnen de limiet van het zakelijke krediet is gebleven. Dat [eiser] c.s. door de onmiddellijke opeising niet in de gelegenheid is geweest bij een andere bank herfinanciering te vinden brengt niet met zich dat Deutsche Bank het krediet niet onmiddellijk kon opeisen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat - zoals hiervoor is overwogen - de opzegging voor [eiser] c.s. na overlegging van de cijfers over 2009 geenszins als onverwacht kan worden aangemerkt. [eiser] c.s. had dus reeds in de loop van 2010 uit kunnen zien naar herfinanciering. Ter zitting is door [eiser] c.s. overigens ook aangegeven dat dit zonder succes geprobeerd is. Ook de omstandigheid dat de kredietfaciliteit pas 3,5 jaar bestaat en geen afspraak is gemaakt over het geleidelijk verlagen van de kredietfaciliteit brengt niet met zich mee dat onmiddellijke opeising van het krediet op gespannen voet staat met de bijzondere zorgplicht die Deutsche Bank heeft jegens [eiser] c.s. Het krediet is immers verstrekt in de redelijke verwachting dat de bedrijfsresultaten door samenwerking met een derde partij zouden verbeteren. Daarbij komt dat, zoals door de ABN AMRO c.s. ter zitting onbetwist is gesteld, door Deutsche Bank in overleg met [eiser] c.s. is geprobeerd tot een afbouw van het krediet te komen maar dat dit niet is gelukt. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de opzegging van de financiering aldus in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering als door [eiser] c.s. is ingesteld, die ziet op de onverkorte en ongewijzigde voortzetting van het verstrekte zakelijke krediet, reeds hierom niet toewijsbaar is.

Ten aanzien van het privékrediet

4.3.7. ABN AMRO stelt dat het privékrediet in zijn geheel opeisbaar is wegens overschrijding van de kredietlimiet met meer dan één termijn gedurende meer dan twee maanden, ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestelling. ABN AMRO verwijst in dit verband naar de afbouw van de kredietlimiet met 1/120e deel in verband met het door

[eiser] op [datum] bereiken van de 65-jarige leeftijd (vgl. artikel 6 van de Productvoorwaarden). Vanaf mei 2010 - de kredietlimiet zou dan EUR 18.000,00 zijn - vindt een overschrijding plaats van de limiet.

4.3.8. Door [eiser] c.s. is niet betwist dat de overeengekomen - en tot mei 2010 uitgevoerde - maandelijkse afbouw van de kredietlimiet met 1/120e deel door hem niet langer wordt nagekomen, dat hij tot nakoming van de kredietovereenkomst is aangemaand en dat hij ingebreke is gesteld. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het privékrediet in beginsel opzegbaar en in zijn geheel opeisbaar was.

4.3.9. Wat in 4.3.1 ten aanzien van opzegging van het zakelijke krediet is overwogen geldt evenzeer ten aanzien van het privékrediet. Ter beoordeling staat aldus of een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat en of ABN AMRO heeft gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende bijzondere zorgplicht.

4.3.10. De omstandigheid dat [eiser] c.s. zijn verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet nakwam, vormde voor ABN AMRO voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de kredietovereenkomst.

4.3.11. Voor het oordeel dat de opzegging van het privékrediet door ABN AMRO in strijd is met haar bijzondere zorgplicht bestaat geen grond. Sprake is immers van een ernstige tekortkoming van de zijde van [eiser] c.s., bestaande uit het niet nakomen van de maandelijkse afbouwverplichting en - daarmee samenhangend - het overschrijden van de toegestane limiet. Daarbij komt dat [eiser] c.s. reeds bij brief van 18 mei 2010 en dus binnen een maand na de overschrijding van de kredietlimiet is aangemaand tot aanvulling van het saldo zodat [eiser] c.s. tot de daadwerkelijke opzegging van het privékrediet voldoende in de gelegenheid is geweest het saldo binnen de grenzen van de kredietlimiet te brengen. Nu desondanks bedoelde aanvulling door [eiser] c.s. uitbleef, moet worden geconcludeerd dat opzegging en onmiddellijke opeising door ABN AMRO van het privékrediet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De door [eiser] c.s. gevorderde (onverkorte) voortzetting van het verstrekte privékrediet is daarom niet toewijsbaar.

4.4. Op grond van het voorgaande zal het onder 1 (zowel primair, subsidiair, (nog) meer subsidiair en uiterst subsidiair) gevorderde worden afgewezen. Het antwoord op de door ABN AMRO c.s. opgeworpen vraag of een vordering met een dergelijk verstrekkend karakter überhaupt toewijsbaar is kan daarom in het midden blijven.

Het onder ‘2’ en ‘3’ gevorderde

4.5. [eiser] c.s. heeft ter onderbouwing van het gevorderde onder 2 en 3 volstaan met de - enkele - stelling dat ABN AMRO c.s. ten onrechte een risico-opslag in rekening heeft gebracht en buitengerechtelijke kosten heeft gedebiteerd. ABN AMRO c.s. heeft een en ander gemotiveerd betwist. Ten aanzien van de risico-opslag stelt ABN AMRO c.s. dat zij deze in rekening heeft gebracht wegens het niet aanleveren van cijfers door [eiser] c.s., hetgeen, aldus ABN AMRO c.s., een extra risico voor de voortzetting van het krediet oplevert. Ten aanzien van de gedebiteerde incassokosten heeft ABN AMRO c.s. verwezen naar I-10 van de Algemene Bepalingen, artikel 28 van de Algemene Voorwaarden en artikel 6:96 lid 2 BW.

4.5.1. Gezien de gemotiveerde betwisting door ABN AMRO c.s. en de omstandigheid dat [eiser] c.s. tegen deze betwisting slechts heeft ingebracht dat gezien de handelwijze van de bank bedoelde kosten niet voor rekening van [eiser] c.s. mogen komen, moet worden geconcludeerd dat voor toewijzing van het gevorderde onder 2 en 3 onvoldoende is gesteld, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.

Conclusie

4.6. Het vorenstaande brengt met zich mee dat de vorderingen van [eiser] c.s. dienen te worden afgewezen.

4.7. Tot slot geeft de voorzieningenrechter partijen uitdrukkelijk in overweging om

- ondanks de ter zitting zonder positief gevolg gebleven pogingen - door middel van nader overleg te beproeven het onderhavige geschil alsnog in der minne te regelen in die zin dat tot een voor beide partijen acceptabele en haalbare afbouwregeling wordt gekomen.

4.8. [eiser] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.167,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO c.s. tot op heden begroot op EUR 1.167,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2010.