Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO7866

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
07.662052-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ervan verdacht dat zij dreig- en/of poederbrieven heeft gezonden aan verschillende justitiële instanties en daarmee verband houdende personen/instellingen alsmede aan leden van het Koninklijk Huis.

Ondanks de ontkenning van verdachte wordt zij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk op basis van de bevindingen van het NFI ter zake de handschriften op de diverse stukken, de inhoud daarvan, het aangetroffen DNA op een aantal daarvan en de overeenkomst van aangetroffen vezels van de kleding van verdachte.

In een tweede zaak waarin dreigbrieven zijn gezonden aan een gezondheidsinstelling heeft verdachte bekend en is met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk opegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.662052-10 (P)

Uitspraak: 20 december 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te Almere,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Overijssel, P.I.V. Zwolle te Zwolle.

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010 en 6 december 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.E.M. van de Ven, en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. D.G. Nagel, advocaat te Almere, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals nader omschreven ter terechtzitting d.d. 6 december 2010)

zij in de periode van 01 juli 2009 tot en met 18 mei 2010 (meermalen) in (de gemeente)

- Almere en/of

- Lelystad en/of

- Emmeloord en/of

- Den Haag en/of

- Apeldoorn en/of

- Middelburg en/of

- Amsterdam en/of

- Hilversum

in elk geval in Nederland

(telkens) (onder meer) de navolgende perso(o)n(en:

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van district noord van de regiopolitie [provincie] en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker van Paleis Noordeinde en/of een of meer leden van het Koninklijk huis (zaak 3) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker van de oostvaarderskliniek (zaak 4) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van district zuid van de regiopolitie [provincie] (zaak 5 en 19) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van TNT post service vestiging [plaats] (zaak 5) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van het arrondissementsparket [plaats] (zaak 6, 10) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van Paleis Noordeinde en/of een of meer leden van het Koninklijk huis (zaak 7) en/of

- meerdere, in ieder geval een lid/leden en/of medewerker(s) van de Tweede kamer der Staten Generaal (zaak 8) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van de [naam], vestiging [naam] (zaak 9) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker van de rechtbank [plaats] (zaak 10) en/of

- [naam advocaat] en/of meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van diens advocatenkantoor (zaak 11) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van Paleis het Loo (zaak 12) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van het Nederlands Forensisch Instituut (zaak 13) en/of

- Minister [naam minister] (zaak 14) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van de Stichting Reclassering [plaats] (zaak 15) en/of

- meerdere, in ieder geval een inwoner(s) en/of meerdere, in elk geval een medewerker(s) van de gemeente [plaats] en/of (zaak 16) en/of een of meer leden van het Koninklijk huis en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van het Paleis van justitie (zaak 17) en/of

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van Ikea vestiging [vestigingsplaats] (zaak 18)

- meerdere, in ieder geval een medewerker(s) van de politie [plaats] (zaak 20)

heeft bedreigd (telkens) met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of (telkens) met enig misdrijf ten het leven gericht, althans (telkens) met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend (vele malen) (onder andere) voornoemde personen schriftelijk (onder meer) de volgende woorden en/of teksten en/of afbeeldingen/tekeningen toegevoegd:

- R I P (waarbij een vrouwspersoon/figuur is getekend met daarbij een pijl in de richting van haar/diens hoofd met daarbij de tekst “pang” en een pijl naar een (volgend) figuur welke liggend is afgebeeld (zaak 5) en/of

- R I P (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis) (zaak 5) en/of

- “ik ga jullie allemaal afmaken. Er moet geen politie bestaan, stelletje honden. Met mijn magnum 45 schiet ik jullie dood. Ik haat jullie. Boem boem” (zaak 5) en/of

- “jullie gaan eraan. Ik rij jullie allemaal dood met mijn auto of ik pak mijn mes zo tussen jullie ribben” en/of “rust in vrede” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis) (zaak 5) en/of

- “fok jullie allemaal, jullie gaan eraan. Pang met 1 kogel door jullie hoofd. Boem, rust in vrede (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist e/of (met daarin) de letters R I P) (zaak 5) en/of

- “van de week ligt er 1, boem boem” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis en daarin de letters R I P) (zaak 6) en/of

- “jullie gaan dood” (zaak 9) en/of

- “ik ga jullie doodschieten met een magnum 45 Pang (waarbij een afbeelding is getekend gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis met daarin de letters R I P) (zaak 10) en/of

- “Rust zacht, jullie gaan eraan. Ik heb een magnum 45” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis met daarin de letters R I P) (zaak 11) en/of

- “Rust zacht, jullie gaan eraan. Ik heb een magnum 45, rust zacht” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis met daarin de letters R I P) (zaak 12)

- “jullie gaan eraan. wij schieten jullie dood. Allah vergeeft ons, inschaallah, Allah akbar” (zaak 13) en/of

- Meneer [naam], shaytan. u gaat dood. Een van ons gaat u dood schieten, misschien wel van een dak, onverwacht want u straft onze broeders te hard. Allah vindt het goed dat wij dat doen. Allah Akbar” (zaak 14)

- “ik ga op 30 april een bom gooien, een aanslag. Koninginnedag, aanslag, heil hitler (waarbij een hakenkruis is getekend, onverwachts boem”(zaak 16) en/of

- “dit gaat met jullie gebeuren en ook met de Koningin en Kabinet” (waarbij in de enveloppe een do(o)d(e) muis/knaagdier was bijgesloten) (zaak 17) en/of

- “er komt een aanslag op jullie. Alle Ikeas worden gepakt, Allah akbar” (zaak 18) en/of

- “dit gaat ook met jullie gebeuren”(waarbij in de enveloppe een do(o)d(e) muis/knaagdier was bijgesloten) (zaak 20)

en/of heeft verdachte in/aan meerdere enveloppen (tevens) een poederachtige substantie (toe)gevoegd (welke substantie een (sterke) gelijkenis vertoonde met de poederachtige substantie waardoor de miltvuurbacterie/antrax werd verspreid en/of (een) andere voor de gezondheid schadelijke (chemische) stof(fen)) daarmee de suggestie wekkend dat er een voor de volksgezondheid gevaarlijke stof werd verspreid (zaak 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 15, 19)

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de navolgende vaststaande feiten vast.

Zaaksdossier 2.

Op 17 mei 2010 doet [aangever 2] aangifte van bedreiging van werknemers van regiopolitie [provincie], District Noord. In de periode van juli 2009 tot en met heden zijn er negen brieven ontvangen met dreigende teksten en in een aantal gevallen is ook poeder in de enveloppen aangetroffen. Een van deze brieven is ontvangen op 19 augustus 2009 op het bureau [naam] te [plaatsnaam] met de onder meer de tekst “Domme skotoe. De poederbrief daar zat geen poedersuiker in. De brandweer heeft het verkeert”.

Zaaksdossier 3.

Op 4 september 2009 ontvangt het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage een enveloppe met een onbeschreven wit vel papier en wit poeder.

Zaaksdossier 4.

Op 17 mei 2010 doet [aangever 4] aangifte van bedreiging van werknemers van het Forensisch Psychiatrisch Centrum de Oostvaarderskliniek te [plaats] vanwege een op 31 december 2009 ontvangen enveloppe met daarin wit poeder.

Zaaksdossier 5.

Op 12 mei 2010 doet [aangever 5] aangifte van bedreiging van werknemers van regiopolitie [provincie], District Zuid. In de periode van juli 2009 tot en met heden zijn in totaal negenendertig brieven ontvangen met dreigende teksten en poeder. Een drietal van deze brieven is onderzocht, te weten een brief geadresseerd aan de politie [adres] te [plaats] (zaaksdossier 5.a), een brief geadresseerd aan de politie [adres] (zaaksdossier 5.b) en een brief geadresseerd aan de politie [adres] te [plaats] (zaaksdossier 5.e).

Op 27 september 2010 doet [aangever 5a] aangifte van bedreiging van medewerkers van TNT post te [plaats]. Op 23 januari 2010 ontvangt het bestelkantoor van TNT post aan de [adres] te [plaats] een enveloppe waaruit poeder was vrijgekomen. Nagenoeg op hetzelfde tijdstip is er in het bestelkantoor van TNT post aan de [adres] in [plaats] een brief aangetroffen waarvan werd aangenomen dat deze van dezelfde briefschrijver als de brief met het poeder, aangezien het handschrift gelijkend was. Beide brieven waren gericht aan een politiebureau in [plaats].

Zaaksdossier 6.

Op 19 januari 2010 doet [aangever 6] aangifte van bedreiging, daar diezelfde dag een brief bij het arrondissementsparket te [plaats] is ontvangen waaruit een poederachtige substantie valt.

Zaaksdossier 7.

Op 20 januari 2010 omstreeks 10.00 uur vernemen [verbalisanten] dat er bij het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage een poederbrief is binnengekomen die is veiliggesteld. Naar aanleiding hiervan is [naam getuige] als getuige gehoord.

Zaaksdossier 8.

Op 21 januari 2010 doet [aangever 8] namens de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal aangifte van bedreiging. Diezelfde dag is op de postkamer van de Tweede Kamer een enveloppe ontvangen waaruit iets lekte, naar later blijkt een poederachtige substantie.

Zaaksdossier 9.

Op 22 februari 2010 doet [aangever 9] aangifte van bedreiging van medewerkers van de [naam] van de vestiging de [naam] te [plaats]. Op 25 januari 2010 is aldaar een enveloppe ontvangen met daarin poeder.

Zaaksdossier 10.

Op 1 februari 2010 doet [aangever 10] aangifte van bedreiging van een parketsecretaris en ander personeel werkzaam bij de rechtbank van [plaats], aangezien op 27 januari 2010 een parketsecretaris een brief had aangetroffen met daarin iets met een korrelige structuur.

Zaaksdossier 11.

Op 2 februari 2010 doet [aangever 11] aangifte van bedreiging daar hij in de periode van 26 januari 2010 tot en met 2 februari 2010 een viertal brieven heeft ontvangen, waarvan twee met dreigende teksten en twee met een poederachtige substantie.

Zaaksdossier 12.

Op 1 februari 2010 doet [aangever 12] aangifte namens Nationaal Museum Paleis het Loo te Apeldoorn. Op 26 januari 2010 is een enveloppe bezorgd met daarin een brief met een bedreigende tekst en roze poeder.

Zaaksdossier 13.

Op 3 februari 2010 doet [aangever 13] aangifte van bedreiging van het [naam bedrijf] (verder te noemen: NFI) te Den Haag. Diezelfde dag is een brief ontvangen met een dreigende tekst.

Zaaksdossier 14.

Op 11 februari 2010 doet [aangever 14] aangifte namens [n[naam minister]. Op 4 februari 2010 is een brief met een bedreigende tekst gericht aan de heer [naam minister] op het Ministerie van [naam] ingekomen.

Zaaksdossier 15.

Op 29 maart 2010 doet [aangever 15] aangifte namens de Stichting Reclassering te [plaatsnaam]. Op 23 februari 2010 is bij de administratie van de reclassering een brief met poeder erin. Op 22 maart 2010 is eveneens een enveloppe ontvangen, waarbij evenals op de enveloppe van 23 februari 2010 het adres over de gehele enveloppe is geschreven.

Zaaksdossier 16.

Op 17 mei 2010 doet [aangever 16] namens de burgemeester van de gemeente [plaats] aangifte van bedreiging. Op 23 april 2010 zijn twee brieven met bedreigende tekst door de postkamer van de gemeente [plaats] ontvangen.

Zaaksdossier 17.

Op 17 mei 2010 doet [aangever 17] aangifte van bedreiging namens het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage. Diezelfde dag is bij de centrale balie een verdachte enveloppe ontvangen, met daarin een dode muis en een brief met de tekst “dit gaat met jullie gebeuren en ook met de Koningin en Kabinet”.

Zaaksdossier 18.

Op 18 mei 2010 doet [aangever 18] namens de Ikea te [plaats] aangifte van bedreiging, aangezien diezelfde dag een poederbrief is ontvangen.

Zaaksdossier 19.

Op 12 mei 2010 doet [aangever 5] aangifte van bedreiging van werknemers van regiopolitie [provincie], District Zuid. Deze aangifte betreft een enveloppe ontvangen op 18 mei 2010 met een dreigende tekst in de Spaanse taal en fijn wit poeder.

Zaaksdossier 20.

Op 28 september 2010 doet [aangever 20] aangifte van bedreiging. Aangeefster is werkzaam als medewerker van de afdeling post en archiefzaken van de politie te [plaats]. Op 17 mei 2010 is een enveloppe ontvangen met daarin een dode muis en een brief met de tekst “dit gaat ook met jullie gebeuren”.

Niet betwist is dat alle bovengenoemde brieven/enveloppen door de geadresseerden zijn ontvangen, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen – met uitzondering van de zaaksdossiers 17 en 20 – gelet op de aangiftes, de DNA-matches met verdachte, het handschriftvergelijkend onderzoek, het documentenonderzoek, het vezelonderzoek en de zoekresultaten op de computer van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ontkent dat zij de anonieme brieven heeft verstuurd. Voor zover zij dreigbrieven heeft verstuurd, heeft zij die altijd ondertekend, zoals blijkt uit de brieven die zij aan [aangever 1] heeft verzonden. Bovendien is zij de Arabische noch de Spaanse taal machtig.

Voorts voert de verdediging aan dat voor de verdediging noch voor de rechtbank is te controleren op welke wijze er sporen zijn veiliggesteld, hoe die zijn aangetroffen en op welke wijze zij zijn verzonden, nu de in de door het NFI uitgebrachte rapportage vermelde SIN-nummers niet zijn te herleiden tot de diverse zaaknummers. Hiermee is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering.

Voor zover het gaat om DNA-onderzoek, is eveneens gehandeld in strijd met artikel 5 lid 2 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, aangezien processen-verbaal van inbeslagneming voorzien van een identiteitszegel ontbreken. De verdediging bepleit uitsluiting van bewijs voor die zaken waarin de in het onderzoek van het NFI vermelde SIN-nummers niet zijn te herleiden tot zaaksdossiers. Indien de rechtbank dit verweer volgt zal dat dienen te leiden tot vrijspraak in de zaaksdossiers 2, 4, 5, 13, 14, 15, 17, 19 en 20, nu zich in die zaaksdossiers geen ander bewijs bevindt.

Ook ten aanzien van de overige zaaksdossiers heeft de verdediging vrijspraak bepleit, aangezien in het dossier geen voldoende wettig bewijs aanwezig is waaruit afgeleid kan worden dat verdachte degene is geweest die de in de tenlastelegging genoemde brieven heeft gestuurd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat de bewijzen die zijn gevonden op de diverse enveloppen en brieven niet enkel dienen te worden beoordeeld in relatie met tot het zaaksdossier van de desbetreffende stukken maar in relatie tot het gehele dossier.

De rechtbank oordeelt voorts dat niet is gebleken dat is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering dat geen processen verbaal zijn opgemaakt, waardoor de sporen niet zijn te volgen in het onderzoekstraject. De rechtbank volgt de verdediging niet in de stelling dat de bevindingen neergelegd in de rapportage “Interdisciplinair onderzoek naar aanleiding van 21 dreigbrieven gericht aan diverse personen en instanties” d.d. 18 oktober 2010 van het NFI (hierna te noemen NFI-rapport d.d. 18 oktober 2010) , niet zouden zijn te herleiden tot de zaaksdossiers. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het totale dossier niet altijd even overzichtelijk is opgebouwd. Dit vloeit voort uit de situatie dat er in verschillende politieregio’s aangiftes zijn gedaan van zaken, die wel voor onderzoek aan het NFI zijn aangeboden, maar waarvan niet meteen de onderlinge samenhang is onderkend. In het NFI-rapport van 18 oktober 2010 is een overzicht gegeven van de tot dan toe verrichte onderzoeken en zijn eindconclusies getrokken over de bevindingen. In dit rapport zijn de onderzoeksbevindingen weergegeven van 21 daartoe geselecteerde brieven en enveloppen. In bijlage 1 van dit rapport bevinden zich kopieën van de onderzochte stukken met daarop de nummering die deze stukken in het onderzoek bij het NFI hebben gekregen. Deze zijn probleemloos te herleiden tot de zaaksdossiers, aangezien zich in ieder zaaksdossier kopieën van de enveloppen/brieven waar de aangiftes op zien, bevinden. De door het NFI aan deze stukken toegekende nummering correspondeert overigens niet met de zaaksdossiers.

Uit onderstaande tabel blijkt naar het oordeel van de rechtbank de samenhang van de diverse nummeringen .

Nummering geadresseerde Sinnummers zaaksdossier

NFI

1a/b Rechtbank [plaats] AABS3415 6

2a/b Paleis Het Loo AACD5431 12

3a/b [naam advocaat] AABO0976 11

4a/b Arondisementsparket [plaats] AABU6851 10

5a/b mr. [naam advocaat] AAF9918/9919 11.a

6a Politie [naam] AAAQ7018 2

7a FPC, [plaats] AAAQ7028 4

8a/b Politie [adres] AAAQ7031 5a

9a/b Politie [adres] AAAQ7032 5b

10a/b Politie [adres] AABQ1148 5c

11a/b Politie [adres] AABQ1147 5d

12a/b Politie [adres] AAAN3767 5e

13a/b Gemeente [plaats] AABG5497 16

14a/b Volwassen en ouderen- AABQ1154 9

Psychiatrie, [plaats]

15a/b Reclassering Nederland, AABS6069 15

[plaatsnaam]

16a/b Rechtbank [plaatsnaam] AAAQ7015 1

17a/b Koningin Huis Ten Bosch AABK9571 3

18a/b Koninklijk Paleis Noordeinde AABK9572 7

19a/b Tweede Kamer AABK9573 8

20a/b Ministerie [naam] AABK9579 14

21a/b NFI Den Haag AABK9580 13 .

Voor wat betreft het verweer dat is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, overweegt de rechtbank dat uit hetgeen is overwogen in hoofdstuk 9 van het NFI-rapport van 18 oktober 2010 blijkt dat bij het onderzoek van het sporenmateriaal gebruik is gemaakt van methoden die zijn beschreven in de NFI-uitgave “De essenties van forensisch DNA-onderzoek”. Deze methoden zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Uit het gestelde in artikel 5 van genoemd besluit blijkt ook niet dat de bemonsteringszegels in het dossier aanwezig dienen te zijn. Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat het onderzoek op de juiste wijze is uitgevoerd.

De rechtbank kent groot gewicht toe aan de bevindingen van het NFI.

De bevindingen met betrekking tot het DNA-onderzoek zijn neergelegd in eerdere rapportages, die als bijlage bij het rapport van 18 oktober 2010 zijn gevoegd.

Op de beeldzijde van de postzegel op de enveloppe (2a) aan Paleis Het Loo wordt het DNA-profiel aangetroffen van een onbekende vrouw A, dat overeenkomt met het DNA op de sluitrand van een enveloppe gericht aan de Rechtbank te [plaats]. De profielen zijn ondergebracht in DNA-profielcluster 14100 . Op de postzegel van de enveloppe gericht aan het FPC (7a) wordt een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het hoofdprofiel is van een onbekende vrouw A en op de tape van de sluitrand van de enveloppe aan de Politie [naam] (6a) wordt een complex, onvolledig mengprofiel aangetroffen van 2 personen waarvan 1 man. Het profiel van de vrouw past binnen het profiel van de onbekende vrouw A en zou van haar afkomstig kunnen zijn . Het profiel blijkt overeen te komen met het profiel in het DNA-cluster 14100. Het profiel van het DNA-spoor op de brief aan het FPC blijkt vervolgens te matchen met het DNA-profiel dat is verkregen uit het van verdachte afgenomen referentiemonster .

Vervolgens is een match van een onvolledig DNA-profiel gevonden met het DNA van verdachte op de kleefzijde van de zelfklevende postzegel op de enveloppe aan de politie [adres] (12a) .

De rechtbank stelt vast dat er in een vijftal zaken sprake is van een meer of minder sterke DNA-match met verdachte. Deze match geldt als bewijs in zaaksdossier 2 (regiopolitie [provincie] [naam]), zaaksdossier 4 (FPC, Oostvaarderskliniek), zaaksdossier 5e (Politie [provincie], [adres]), zaaksdossier 10 (Arrondissementsrechtbank [plaats]) en zaaksdossier 12 (Paleis Het Loo). Dat er op een aantal stukken ook DNA-sporen zijn aangetroffen van andere personen (mannen) doet aan bovenstaande bevindingen niet af. Het gaat immers om sporen op enveloppen die door vele personen zijn aangeraakt, terwijl de aangetroffen sporen welke niet matchen met het DNA van verdachte in geen enkel geval leiden naar eenzelfde persoon.

Vervolgens wordt (steun)bewijs gevonden in de vergelijking van de handschriften op de diverse stukken. De enveloppen en brieven 5a/b (mr. [naam advocaat], zaak11a) 12a/b (politie [adres], zaak 5e), 13 a/b (gemeente [plaats], zaak 16), 20a/b (Ministerie van [naam], zaak 14) en 21 a/b (NFI, zaak 13) vertonen een zodanige onderlinge gelijkenis dat de kans dat zij door verschillende personen zijn geschreven uiterst klein is te achten. Vergelijking met het referentiemateriaal, afkomstig van verdachte, leert dat het veel waarschijnlijker is dat de betreffende handschriften door verdachte zijn geproduceerd, dan dat zulks niet het geval zou zijn . Nu op stukken aan de politie [adres] (zaak 5e) bovendien het DNA van verdachte is aangetroffen in combinatie met het waarschijnlijkheidsoordeel over de herkomst van het handschrift, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van verdachte in zaak 5e. Nu voorts mag worden aangenomen dat ook het handschrift op de stukken 5a/b, 13a/b, 20a/b en 21a/b van verdachte afkomstig is, oordeelt de rechtbank dat er eveneens voldoende bewijs aanwezig is in die zaken, betreffende de zaaksnummers 11, 13, 14 en 16.

Ook van de handschriften op de enveloppen en brieven 1a/b (arrondissementsrechtbank [plaats], zaak 6), 2a/b (Paleis Het Loo, zaak 12), 3a/b ([naam advocaat], zaak 11), 4a/b Arrondissementsparket [plaats], zaak 10), 10a/b (Politie [provincie], [adres], zaak 5c) en 11a/b (politie [adres], zaak 5d) is het waarschijnlijker dat deze van verdachte afkomstig zijn, dan van iemand anders. Dit waarschijnlijkheidsoordeel acht de rechtbank voldoende overtuigend, nu dat bovendien in relatie gebracht kan worden met het van verdachte afkomstige DNA op de brieven 1a/b (rechtbank [plaats]) en 2a/b (Paleis Het Loo, zaak12). Ook in deze zaken geldt derhalve dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van verdachte (zaaksdossiers 5, 6, 10, 11 en 12).

Namens verdachte is nog aangevoerd dat blijkens de door haar buurvrouw ondertekende getuigenverklaring blijkt dat ook de buurvrouw kennelijk een bibberend handschrift heeft en vrijelijk toegang heeft tot de woning van verdachte en dat hiernaar ten onrechte geen nader onderzoek is verricht. De rechtbank deelt deze visie niet. Uit de rapportages blijkt voldoende dat de overeenkomsten in de handschriften zijn enkel zijn gebaseerd op een bibberend handschrift, maar ook op vele andere karakteristieken in het handschrift. Bovendien zijn er DNA-sporen die naar verdachte leiden alsmede vezels van haar kleding waarvan door het NFI is gesteld dat het hier om betrekking zeldzaam voorkomende vezels gaat.

Het NFI heeft voorts relaties kunnen leggen tussen alle onderzochte documenten en het uit de woning van verdachte afkomstige referentiemateriaal. De rechtbank stelt vast voor de stukken 16a/b en 17a/b (Huis Ten Bosch, zaak 3) slechts een relatie kan worden gelegd met verdachte door een overeenkomst van het soort enveloppes, schrijfblok of schrijfmiddel . Deze samenhang acht de rechtbank te zwak om aan te nemen dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van verdachte. De rechtbank zal verdachte derhalve (partieel) vrijspreken van zaaksdossier 3.

Ook voor de stukken 13 en 15 geldt dat zij slechts op 1 wijze, namelijk het handschriftonderzoek aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Voor de stukken 13a/b (zaak 16) is reeds boven overwogen dat het onderzoek naar het handschrift en het DNA-onderzoek een sterke bewijskracht heeft en op zichzelf voldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert. Voor de stukken 15a/b (Reclassering Nederland, zaak 15) geldt zulks niet. Voor deze stukken is slechts aangegeven dat het iets waarschijnlijker is dat deze van verdachte zijn dan van iemand anders. Dat acht de rechtbank ontoereikend voor het bewijs. De rechtbank zal verdachte derhalve (partieel) vrijspreken van zaaksdossier 15.

Ook de stukken 6a en 7a (zaken 2 en 4) kunnen slechts op 1 wijze aan verdachte worden gekoppeld, maar hier betreft het DNA-bewijs. Dat acht de rechtbank wel toereikend, gelet op mate van toevalligheid van het voorkomen van hetzelfde DNA en bezien in verband met de overige DNA-matches. Het NFI heeft geen oordeel gegeven over het handschrift op de betrefffende enveloppes, maar de rechtbank stelt vast dat er een grote gelijkenis bestaat tussen deze handschriften en dat op stukken die wel met grote waarschijnlijkheid aan verdachte zijn te koppelen. Zij passen voorts in het patroon van het soort bedreigingen en de organisaties die zijn bedreigd.

Ook de zaken 7 (Paleis Noordeinde, NFI- stukken 18a/b), 8 (NFI-stukken 19a/b,Tweede kamer) en 9 (NFI-stukken 14a/b, Volwassenen en ouderen Psychiatrie) zijn op verschillende wijze aan verdachte te linken.

Voor de zaken 7 en 8 geldt dit voor het documentonderzoek en het handschriftonderzoek. De enveloppen van deze zaken vertonen overeenkomsten met enveloppen uit een groot aantal andere zaken met bijzondere kenmerken van die enveloppen. Indeze 2 zaken kan verder een onderlinge overeenkomst worden vastgesteld met het gebruikte schrijftblok. Het is volgens het NFI waarschijnlijker dat deze alle van eenzelfde bron afkomstig zijn dan van een andere en zijn terug te herleiden tot het referentiemateriaal uit de woning van verdachte . Uit het handschriftonderzoek komt naar voren dat de stukken zijn ingedeeld in groep B3 . Voor deze groep geldt dat het iets waarschijnlijker is dat dit handschrift is produceert door verdachte . Enkel op basis van de handschriftvergelijking acht de rechtbank dit bewijs onvoldoende, maar gezien de combinatie bevindingen acht de rechtbank voldoende bewijs aanwezig in de zaaksdossiers 7 en 8.

Voor zaak 9 geldt dat er een overeenkomst is vastgesteld met de gevonden vezels , de gebruikte enveloppe en het gebruikte schrijfpapier . Ook voor dit stuk geldt dat het handschrift valt in groep B3, waarvan het nog steeds iets waarschijnlijker is dat dit is geproduceerd door verdachte dan door iemand anders. Gelet op de combinatie van de diverse overeenkomsten, acht de rechtbank ook in deze zaak voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

Op 6 augustus 2010 is door het NFI gerapporteerd over een dreigbrief die door Ikea [plaats] is ontvangen (zaaksdossier 18). Op deze brief is een (gedeeltelijke) doordruk aangetroffen van een Spaanstalige brief. Door het NFI is vastgesteld dat diverse woorden eveneens in contrast zijn aangetroffen op een in de woning van verdachte aangetroffen schrijfblok. Ook overigens wordt door het NFI overeenkomst met de uit het onderzoek Regentes onderzochte stukken vastgesteld. Dit betreft dan de term “Allah Akbar”, de gebruikte enveloppe en het gebruikte type schrijfblokvel . De rechtbank ziet hierin voldoende bewijs ten aanzien van verdachte.

De op het schrijfblok aangetroffen doordruk komt vrijwel letterlijk overeen met de brief gericht aan de politie, [adres] te [plaats] (zaak 19) , zodat de rechtbank deze zaak bewezen acht, temeer nu deze laatste brief past binnen het patroon van bedreigingen door verdachte en de kring van geadresseerden. De rechtbank merkt overigens nog wel op dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat verdachte de Spaanse taal in enigerlei vorm beheerst, maar ziet daarin onvoldoende grond tot een ander oordeel te komen.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat alle thans voorliggende bedreigingen passen binnen het gedrag van verdachte. Zij heeft erkend dat zij (medewerkers van) [naam kliniek] heeft bedreigd, maar ook al eerder een Officier van het Parket van het Openbaar Ministerie te [plaatsnaam]. . Daarnaast blijkt uit de zoekhistorie van computers uit haar woning dat vele zoekvragen en resultaten zijn te relateren aan de ontvangers van de onderhavige dreigbrieven, maar ook dat medische sites met vragen over antidepressiva (welke aan verdachte zijn voorgeschreven) zijn benaderd.

Verdachte blijkt verder een bijzondere belangstelling te hebben voor misdaad, opsporing en vervolging, zoals blijkt uit haar eigen verklaringen met betrekking tot haar voorkeur voor bepaalde tv-programma’s en literatuur, maar ook uit die van haar buurvrouw .

Over haar kennis van het Arabisch merkt de rechtbank op dat verdachte is gehuwd met een Egyptische man en dat zij diverse malen Egypte heeft bezocht en dat zij daardoor wel enige Arabische woorden kent . De rechtbank stelt voorts vast dat de in de dreigbrieven voorkomende Arabische woorden geen grote kennis van het Arabisch vereisen en het niveau van een basale kennis niet te boven gaan. De rechtbank ziet in de voorkomende Arabische woorden dan ook geen aanwijzing dat de brieven niet door verdachte kunnen zijn geschreven.

Met betrekking tot de ten laste gelegde bedreiging van medewerkers van TNT merkt de rechtbank op dat nu deze brieven niet zijn geadresseerd aan deze organisatie en ook anderszins niet blijkt van enige bedoeling van verdachte deze medewerkers te bedreigen komt de rechtbank ook tot vrijspraak op dit onderdeel. De rechtbank stelt wel vast dat het onderscheppen van de poederbrieven door TNT tot grote organisatorische onrust heeft geleid, hetgeen in direct verband staat met de door verdachte gepleegde handelingen.

Met betrekking tot de bedreiging van andere medewerkers van organisaties waartoe geadresseerde bedreigen behoren, is de rechtbank van oordeel dat dit verdachte wel kan worden toegerekend. Zij zal moeten hebben beseft dat vele geadresseerden het openmaken en behandelen van de post in eerste instantie dan wel in het geheel overlaten aan andere medewerkers. Het zijn dan ook met name die medewerkers die zijn blootgesteld aan verdacht poeder en die zich daardoor bedreigd hebben gevoeld.

Met de Officier van Justitie en de raadsvrouw is ook de rechtbank van oordeel dat er in zaaksdossier 17 betreffende de aangifte van het Paleis en Justitie te Den Haag en de aangifte door [aangever 20] van de Politie [plaats] (zaaksdossier 20) onvoldoende bewijs voorhanden is dat wijst naar de betrokkenheid van verdachte. De rechtbank spreekt verdachte van deze zaken derhalve (partieel) vrij.

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder zaaksdossier 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 18 en 19 ten laste gelegde bedreigingen heeft begaan.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij in de periode van 01 juli 2009 tot en met 18 mei 2010 (meermalen) in (de gemeente)

- Almere en

- Lelystad en

- Emmeloord en

- Den Haag en

- Apeldoorn en

- Middelburg en

- Amsterdam

(telkens) (onder meer) de navolgende personen:

- medewerkers van district noord van de regiopolitie [provincie] en

- medewerkers van Paleis Noordeinde en een of meer leden van het Koninklijk huis (zaak 3) en

- medewerkers van de Oostvaarderskliniek (zaak 4) en

- medewerkers van district zuid van de regiopolitie [provincie] (zaak 5 en 19) en

- medewerkers van het arrondissementsparket [plaats] (zaak 6, 10) en

- medewerkers van Paleis Noordeinde en een of meer leden van het Koninklijk huis (zaak 7) en

- leden en medewerkers van de Tweede kamer der Staten Generaal (zaak 8) en

- medewerkers van de [naam], vestiging [naam] (zaak 9) en

- medewerkers van de rechtbank [plaats] (zaak 10) en/of

- [naam advocaat] en medewerkers van diens advocatenkantoor (zaak 11) en

- medewerker(s) van Paleis het Loo (zaak 12) en

- medewerkers van het [naam bedrijf] (zaak 13) en

- Minister [naam minister] (zaak 14) en

- medewerkers van de gemeente [plaats] en een of meer leden van het Koninklijk huis (zaak 16) en

- medewerkers van Ikea vestiging [vestigingsplaats] (zaak 18)

heeft bedreigd (telkens) met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of (telkens) met enig misdrijf ten het leven gericht, althans (telkens) met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend (vele malen) (onder andere) voornoemde personen schriftelijk (onder meer) de volgende woorden en/of teksten en/of afbeeldingen/tekeningen toegevoegd:

- R I P (waarbij een vrouwspersoon/figuur is getekend met daarbij een pijl in de richting van haar/diens hoofd met daarbij de tekst “pang” en een pijl naar een (volgend) figuur welke liggend is afgebeeld (zaak 5) en

- R I P (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en (met daarin) een kruis) (zaak 5) en

- “ik ga jullie allemaal afmaken. Er moet geen politie bestaan, stelletje honden. Met mijn magnum 45 schiet ik jullie dood. Ik haat jullie. Boem boem” (zaak 5) en

- “jullie gaan eraan. Ik rij jullie allemaal dood met mijn auto of ik pak mijn mes zo tussen jullie ribben” en “rust in vrede” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en (met daarin) een kruis) (zaak 5) en

- “fok jullie allemaal, jullie gaan eraan. Pang met 1 kogel door jullie hoofd. Boem, rust in vrede (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en (met daarin) de letters R I P) (zaak 5) en

- “van de week ligt er 1, boem boem” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en/of (met daarin) een kruis en daarin de letters R I P) (zaak 6) en/of

- “jullie gaan dood” (zaak 9) en

- “ik ga jullie doodschieten met een magnum 45 Pang (waarbij een afbeelding is getekend gelijkend op een doodskist en (met daarin) een kruis met daarin de letters R I P) (zaak 10) en

- “Rust zacht, jullie gaan eraan. Ik heb een magnum 45” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en(met daarin) een kruis met daarin de letters R I P) (zaak 11) en

- “Rust zacht, jullie gaan eraan. Ik heb een magnum 45, rust zacht” (waarbij een afbeelding is getekend, gelijkend op een doodskist en (met daarin) een kruis met daarin de letters R I P) (zaak 12)

- “jullie gaan eraan. wij schieten jullie dood. Allah vergeeft ons, inschaallah, Allah akbar” (zaak 13) en

- Meneer [naam], shaytan. u gaat dood. Een van ons gaat u dood schieten, misschien wel van een dak, onverwacht want u straft onze broeders te hard. Allah vindt het goed dat wij dat doen. Allah Akbar” (zaak 14)

- “ik ga op 30 april een bom gooien, een aanslag. Koninginnedag, aanslag, heil hitler (waarbij een hakenkruis is getekend, onverwachts boem”(zaak 16) en/of

- “er komt een aanslag op jullie. Alle Ikeas worden gepakt, Allah akbar” (zaak 18)

en heeft verdachte in meerdere enveloppen (tevens) een poederachtige substantie (toe)gevoegd welke substantie een gelijkenis vertoonde met de poederachtige substantie waardoor de miltvuurbacterie/antrax werd verspreid of andere voor de gezondheid schadelijke (chemische) stoffen) daarmee de suggestie wekkend dat er een voor de volksgezondheid gevaarlijke stof werd verspreid (zaak 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 19)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een psychiatrisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 18 oktober 2010, uitgebracht door L.A. Vink, psychiater.

Het psychiatrisch onderzoek van de deskundige Vink houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid en in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met theatrale en paranoïde trekken.

Als gevolg hiervan is er bij verdachte sprake van een matige realiteitstoetsing, zijn er weinig remmingen en neigt verdachte tot achterdocht. De geringe copingvaardigheden schoten tekort. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was hiervan sprake. Volgens de psychiater kan verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor de delicten waarvan zij verdacht wordt.

De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met een psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 12 oktober 2010, uitgebracht door drs. S. Wijga, klinisch psycholoog/psychotherapeut.

Het psychologisch onderzoek van de deskundige Wijga houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige stoornis van de geestvermogens die diagnostisch te omschrijven is als een persoonlijkheidsstoornis NAO met theatrale en paranoïde trekken op de voorgrond. Voort functioneert verdachte op zwak begaafd niveau. Deze problematiek was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde aanwezig. Volgens de psycholoog kan verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor de delicten waarvan zij verdacht wordt.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen Vink en Wijga ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid op de daarvoor in voornoemd rapporten bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert op grond van deze rapporten dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ten aanzien van parketnummer 07.607287-09 en 07.662052-10 tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door of namens de Reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag of Stichting MEE.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit – indien de rechtbank komt tot een strafoplegging – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, haar verminderde toerekeningsvatbaarheid, artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de parketnummers 07.662052-10 en 07.660053-10 en het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens enig strafbaar feit.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft naar verschillende instanties en personen brieven gestuurd met bedreigende teksten en/of poeder, gedurende een periode van bijna een jaar. Een aantal instanties heeft een groot aantal brieven ontvangen. Dergelijke driegbrieven en/of poederbrieven zullen in het algemeen een grote impact op (het leven van) ontvangers hebben, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij de bedreigingen heeft gedaan in een periode waarin de vrees voor terroristische aanslagen en poederbrieven zeer leeft in de samenleving. De bedreigingen zijn, gezien het feit dat anderen in het verleden de dreigementen daadwerkelijk hebben uitgevoerd en mensen hierdoor zijn gedood, terecht zeer serieus opgevat.

Ter illustratie hiervan wordt opgemerkt dat een bedrijf dat een poederbrief van verdachte ontving en hiervan melding maakte, door politie en brandweer werd bezocht, dat ruimtes in het pand werden afgezet en dat de melding vervolgens ingevolge de procedure biologische terreurmelding werd afgehandeld. Hierdoor is het meermalen voorgekomen dat mensen in quarantaine werden geplaatst.

Hoewel de rechtbank ervan uit gaat dat verdachte nooit werkelijk van plan is geweest uitvoering te geven aan de door haar geuite bedreigingen, neemt dit, mede gezien de wijze waarop de bedreigingen zijn geuit en de inhoud van de bedreigingen, de ernst van de feiten geenszins weg. Dergelijke feiten dienen krachtig bestreden te worden.

Daar de tegen verdachte aangebrachte dagvaardingen (met het onderhavige parketnummer 07.607287-09 en parketnummer 07.662052-10) niet zijn gevoegd ter terechtzitting van 6 december 2010, zal de rechtbank ten aanzien van beide dagvaardingen een aparte beslissing dienen te geven. De rechtbank heeft de op te leggen straffen wel in hun onderlinge samenhang bezien. De rechtbank komt ten aanzien van het onderhavige parketnummer 07.607287-09 tot een bewezenverklaring en zal ook tot strafoplegging overgaan. Derhalve zal de straf wezenlijk van de strafvordering van de officier van justitie – die ziet op beide tegen verdachte aangebrachte dagvaardingen – in enige mate afwijken, aangezien het zwaartepunt de onderhavige strafzaak betreft.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden en om het opleggen van een bijzondere voorwaarde – zoals geadviseerd door de psychiater Vink en de psycholoog Wijga – mogelijk te maken.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft, ondanks dat verdachte op onderdelen van de tenlastelegging wordt vrijgesproken, toch nauwe aansluiting gezocht bij de eis van de Officier van Justitie, aangezien deze vrijspraken niet afdoen aan het patroon van het sturen van dreig- en/of poederbrieven.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 mei 2010;

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 3 december 2010 uitgebracht door Y. Slot, reclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 19 augustus 2010 uitgebracht door Y. Slot, reclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;

- een psychologisch rapport (Pro Justitia) d.d. 18 oktober 2010, uitgebracht door L.A. Vink, psychiater;

- een psychologisch rapport (Pro Justitia) d.d. 12 oktober 2010, uitgebracht door drs. S. Wijga, klinisch psycholoog/psychotherapeut.

10. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag en/of Stichting MEE.

Aldus gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mr. C.E. Buitendijk en mr. S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2010.

Mr. S.M. Milani voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.