Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO7559

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
07.660194-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sprake van voorbedachten rade en voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer, ondanks de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Beroep op noodweer danwel noodweerexces wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660194-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is aangevangen ter openbare terechtzitting van 21 september 2010 te Lelystad, waarbij verdachte noch zijn raadsman mr. A. Taner, advocaat te Lelystad is verschenen. Het onderzoek is op voornoemde terechtzitting geschorst tot de terechtzitting van 9 november 2010. Op 9 november 2010 is het onderzoek hervat en heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.J. Buis en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juli 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de armen en/of de benen en/of de buik en/of elders in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 02 juli 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand van die [slachtoffer 2] bevond, meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans met en scherp voorwerp, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gezwaaid en daarbij die [slachtoffer 2] in de hand, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juli 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand van die [slachtoffer 2] bevond, meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gezwaaid en daarbij die [slachtoffer 2] in de hand, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

De rechtbank neemt het navolgende, hetgeen niet betwist is, als vaststaand aan:

Ten aanzien van de feiten:

Op 2 juli 2010 komt er bij de politiemeldkamer Flevoland een melding binnen dat er aan de Voorstraat te Lelystad een persoon in zijn hand zou zijn gestoken. Van de vermoedelijke dader werd een signalement doorgegeven. Eenmaal ter plaatse werden de verbalisanten gewenkt door omstanders. Verbalisanten zagen vervolgens een man voor een woning aan de [plaats delict] die aan het opgegeven signalement voldeed. In de hal van deze woning lag een man in een grote plas bloed. De aanwezige verbalisanten zagen dat deze man meerdere steekwonden op zijn lichaam had. Hierop is deze man overgebracht naar het ziekenhuis. De man die zich voor de woning bevond, is aangehouden op verdenking poging doodslag.

Op 2 juli 2010 doet [slachtoffer 2] aangifte. Hij verklaarde dat hij met zijn broer [slachtoffer 1] in de Voorstraat een sigaret stond te roken toen zij een man die op zeer korte afstand van hen zat, aanspraken. Deze man reageerde boos en een en ander escaleerde waarop de man met een mes zwaaide en begon te steken. Doordat [slachtoffer 2] een afwerende beweging maakte, werd hij in zijn hand geraakt. Op de spoedeisende hulp werd er als letsel een diepe snijwond in de linkerhand geconstateerd.

Op 3 juli 2010 doet [slachtoffer 1], zijnde de man die in de woning aan de [plaats delict] lag, aangifte van poging moord dan wel poging doodslag. Hij verklaarde door de verdachte meerdere malen in zijn lichaam te zijn gestoken. In het ziekenhuis bleek dat [slachtoffer 1] op zijn linkerbovenbuik een snijwond had, een diepe snijwond tot in de spier in zijn rechterboven- en onderbeen, een ondiepe wond in zijn bovenarm en een wond tot op de spier in zijn onderarm.

Diverse getuigen van het voorval zijn door de politie gehoord.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde veroordeeld wordt. Hij heeft daartoe voor de ten laste gelegde poging tot moord verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 1], de medische verklaring en de diverse getuigenverklaringen in het dossier. De voorbedachten rade is af te leiden uit het feit dat verdachte alvorens hij [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken, riep “Ik maak je af”. Verdachte heeft [slachtoffer 1] achtervolgd en meerdere malen op hem ingestoken. [slachtoffer 1] had kunnen overlijden en verdachte is daar verantwoordelijk voor.

Met betrekking tot de onder 2. primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte van [slachtoffer 2], de medische verklaring en de getuigenverklaringen van de heer [getuige 1], [slachtoffer 1] en de heer [getuige 2] De getuigen zien dat verdachte een slaande beweging maakt met een scherp voorwerp. Door te steken en te zwaaien met een scherp voorwerp richting [slachtoffer 2] heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] zou kunnen overlijden.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot moord vrijspraak bepleit. Gezien de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte kan er geen opzet worden bewezen. Evenmin kan de voorbedachten rade bewezen worden. Verdachte heeft niet een moment gehad waarin hij zijn handelen rustig kon overdenken. De raadsman heeft voorts vrijspraak betoogd van zowel het onder 2. primair als subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft geen opzet gehad op het beroven van het leven van [slachtoffer 2]. Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte gefocust was op [slachtoffer 1]. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2] die verklaart dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer 1]. Het feit dat [slachtoffer 2] door een afwerende beweging met zijn hand is geraakt terwijl hij “ertussen sprong”, levert niet het opzet op de dood op. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen opzet kan zijn nu verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het onder 4.1. als vaststaand aangenomen dat de heer [slachtoffer 1] op 2 juli 2010 door verdachte is gestoken in zijn lichaam. De rechtbank stelt aan de hand van de verklaringen van omstanders zoals zijn broer [slachtoffer 2] en [getuige 3] tezamen bezien met de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van de heer [getuige 1] vast dat verdachte met een mes heeft gestoken.

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of dit steken met een mes in het lichaam van [slachtoffer 1] de primair ten laste gelegde poging tot moord oplevert. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Opzet op de dood

De rechtbank constateert dat uit de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, volgt dat de kans op de dood van [slachtoffer 1] aanmerkelijk was. Verdachte heeft immers meerdere malen met een mes richting het lichaam van [slachtoffer 1] gestoken en hem daarbij viermaal geraakt. Tengevolge van dit steken heeft [slachtoffer 1] diepe snijwonden opgelopen en anderhalve liter bloed verloren. Deze wonden zijn gehecht met meer dan vijftig uitwendige hechtingen en honderd inwendige hechtingen. Uit de algemene ervaringsregels volgt dat de kans op de dood aanmerkelijk is als een persoon met een mes met een lemmet van ongeveer 10 cm insteekt op een ander. Ieder weldenkend mens dient zich deze aanmerkelijke kans te realiseren. Van dit opzet is eveneens sprake indien verdachte zoals in casu volledig ontoerekeningsvatbaar te achten is. Verdachte heeft namelijk tijdens de terechtzitting van 9 november 2010 verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer bloedde. Verdachte maakte zich daarover zorgen en heeft vervolgens de politie gebeld. Gelet op deze verklaring is er geen sprake van een situatie waarin de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoten.

De rechtbank is van oordeel dat er gelet op het voorgaande op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voorbedachten rade

Voor het bewijs van de voorbedachten rade is reeds voldoende dat vaststaat dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij is niet van belang of die gelegenheid slechts gedurende een korte tijd heeft bestaan. Het beraden mag zich namelijk ook afspelen tijdens de gewelddadige handelingen.

Vorenstaande in ogenschouw genomen is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Verdachte heeft alvorens [slachtoffer 1] van hem wegvluchtte [slachtoffer 1] al tweemaal gestoken. Tijdens de vlucht voor verdachte is [slachtoffer 1] gevallen en heeft verdachte, terwijl het slachtoffer op de grond lag op hem ingestoken. Zowel het slachtoffer als de getuigen [3] en [getuige 1] verklaren dat het slachtoffer veel bloed verloor. Verdachte verklaart hierover dat hij toen het slachtoffer viel al zag dat hij bloedde. De rechtbank leidt uit dit handelen van verdachte af dat hij voorbedachten rade had. Verdachte heeft bewust de confrontatie opgezocht met [slachtoffer 1], heeft hem gestoken, achtervolgd en wederom gestoken. Op het moment dat verdachte bloed zag, afkomstig van de eerste twee door hem toegebrachte steekwonden en vervolgens na de achtervolging toch opnieuw op het slachtoffer instak, ligt naar het oordeel van de rechtbank de gelegenheid tot nadenken over de betekenis van zijn handelen en de gevolgen daarvan. Zulks ligt daarnaast besloten in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij zich gedurende het incident zorgen maakte om het slachtoffer.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

De rechtbank acht hetgeen primair onder 1. ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of er voldoende wettig bewijs aanwezig is om te komen tot een veroordeling ter zake van de primair ten laste gelegde poging doodslag dan wel de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt:

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte opzet, in de zin van bedoeling of oogmerk, heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – i.c. de dood van het slachtoffer – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank is van oordeel dat bij het maken van een slaande beweging met een mes en daarmee eenmalige steken in de hand van [slachtoffer 2] waar in het onderhavige geval sprake van was, de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk te noemen is, maar dat de kans op het tengevolge daarvan ook overlijden van een slachtoffer, naar algemene ervaringsregels, niet aanmerkelijk te noemen is.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2. primair ten laste gelegde.

Het subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] , de medische verklaring en de getuigenverklaring van [getuige 3] wettig en overtuigend bewezen.

5 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van het geweld dat gebruikt is tegen [slachtoffer 1] geen sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte heeft zelf de confrontatie gezocht. Nadat [slachtoffer 2] gestoken was, had verdachte zich kunnen distantiëren van het geweld. Verdachte heeft echter toen [slachtoffer 1] op de grond viel met een mes op hem ingeslagen.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er voor wat betreft het onder 1. ten laste gelegde sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe voert de raadsman het volgende aan.

Verdachte voelde zich bedreigd en aangevallen. Hij heeft meerdere malen geroepen: “Ga weg” en heeft ook om hulp geroepen. Op het moment dat [slachtoffer 1] verdachte met een stok sloeg, was er sprake van een tweede geweldscomponent. Zijn broer was gestoken maar het gevaar was inmiddels geweken. Verdachte heeft deze tweede geweldscomponent niet zelf gecreëerd. Getuige [getuige 1] verklaart dat [slachtoffer 1] vrij snel richting verdachte liep en [getuige 2] verklaart dat [slachtoffer 1] wegliep en vervolgens met een stok in zijn handen

riep: “Kom dan, kom dan”. Verdachte heeft zichzelf getracht te beschermen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1]. Het proportionele geweld dat verdachte heeft gebruikt, te weten het steken met een mes dan wel een scherp voorwerp, was geboden.

Subsidiair voert de raadsman aan dat het middel – het steken met een mes cq. een scherp voorwerp- dat verdachte heeft gebruikt het gevolg is geweest van een onmiddellijke hevige gemoedsbeweging, waar verdachte geen weerstand aan kon bieden. Verdachte reageerde op het slaan met een stok door [slachtoffer 1]. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is er sprake van noodweerexces. De verdediging stelt zich op het standpunt dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een tweede geweldscomponent zoals de verdediging geponeerd heeft. Zij overweegt daartoe dat [slachtoffer 1] verklaard heeft dat hij tijdens het wegrennen voor verdachte twee keer in zijn arm werd gestoken, gestruikeld is en vervolgens met een stok verdachte van zich af probeerde te houden. Dit lukte niet en verdachte stak meerdere malen op hem in. Deze verklaring van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1]. De heer [getuige 1] verklaarde dat hij zag dat slachtoffer 2 ([slachtoffer 1]) geraakt werd in zijn linkerbovenbeen. Hij probeerde weg te komen en verdachte achtervolgde hem. [slachtoffer 1] pakte een stok en sloeg verdachte daarmee. Doordat de stok in tweeën brak, viel slachtoffer 2. Verdachte stak daarop op hem in.

Met name op grond van vorenstaande concludeert de rechtbank dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake zou zijn geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Er is dan ook geen sprake van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

De feiten zijn zodoende strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 02 juli 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een mes, in de armen en de benen en de buik van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 02 juli 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand van die [slachtoffer 2] bevond, éénmaal, met een mes, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en daarbij die [slachtoffer 2] in de hand, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

7 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

1.

Poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Subsidiair.

Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

8 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Omtrent de persoon van de verdachte is een tweetal rapportages uitgebracht, te weten:

- een Pro Justitia rapport d.d. 13 augustus 2010 uitgebracht door drs. F.P. Bish, psychiater;

- een Pro Justitia rapport d.d. 24 augustus 2010 uitgebracht door drs. R.S. Turk,

GZ-psycholoog.

De psychiater Bish voornoemd heeft geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een paranoïde stoornis NAO (niet anders omschreven) met vergiftigingswanen, achtervolgingswanen en complotwanen bij jarenlang middelenmisbruik, waarbij het onduidelijk is of er sprake is van een drugsgeïnduceerde chronische paranoïde psychose dan wel van een paranoïde schizofrene ontwikkeling.

De psychiater heeft op grond van het vorenstaande geconcludeerd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde (indien bewezen) te beschouwen is als volledig ontoerekeningsvatbaar. Om de kans op recidive te verkleinen is een langerdurende intensieve behandeling noodzakelijk. Gezien de ernst van de psychiatrische problematiek is een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis binnen het kader van een artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht geïndiceerd. De forse geweldscomponent in de ten laste gelegde feiten rechtvaardigt een plaatsing in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis.

De psycholoog Turk komt evenals de psychiater tot de conclusie, dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een psychotische stoornis NAO. Verdachte heeft paranoïde wanen die aan een adequate realiteitstoetsing in de weg staan en aanleiding kunnen geven tot impulsief en agressief gedrag. Verdachte dient dan ook als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwd te worden. Het advies is een maatregel op te leggen conform artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. De voorkeur gaat daarbij uit naar een opname op een forensisch psychiatrische afdeling in verband met de noodzakelijke structuur en beveiliging waar verdachte ingesteld dient te worden op medicatie.

Beide deskundigen hebben hun adviezen tijdens de terechtzitting van 9 november 2010 herhaald en toegelicht.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusies van psychiater en psycholoog over en maakt dit oordeel van de deskundigen tot het hare.

Op grond van voormelde rapportages is de rechtbank van oordeel dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging.

9 OPLEGGING VAN MAATREGEL

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft subsidiair gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking zal worden gesteld.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf opgemerkt dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet aan de orde is. De deskundigen hebben immers een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geadviseerd. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte een first offender is, bereid is mee te werken en inmiddels op medicatie is ingesteld.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van het feit dat verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar wordt geacht.

Zowel de deskundige Bish als de deskundige Turk adviseert verdachte middels artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de periode van één jaar te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Deze conclusie hebben zij tijdens de terechtzitting van 9 november 2010 nogmaals nadrukkelijk onderstreept. Verdachte is sinds een aantal weken op medicatie ingesteld en het effect is volgens de deskundigen al duidelijk merkbaar. Plaatsing in een FPA voor de duur van één jaar is afdoende en de verwachting is de aandoening binnen die tijd effectief te kunnen behandelen.

De rechtbank is van oordeel dat noch een terbeschikkingstelling met dwangverpleging noch een terbeschikkingstelling met voorwaarden in dit stadium aan de orde is. Contra-indicaties voor het opleggen van een dergelijke maatregel in deze varianten zijn naast voornoemde adviezen van de deskundigen, de bereidwilligheid van verdachte een behandeling te ondergaan en het effect van de medicatie waarop verdachte inmiddels is ingesteld. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en zal gelet op de veiligheid van verdachte en de algemene veiligheid van goederen en personen de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar opleggen.

Bij deze beslissing heeft de rechtbank naast eerder aangehaalde rapportages rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 oktober 2010.

10 BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op respectievelijk € 4.126, - en € 3.114,69.

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen gelet op de volledig ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft eveneens verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte de vorderingen niet eenvoudig van aard zijn met betrekking tot de toerekening van de schade aan verdachte. De rechtbank ziet zich derhalve genoodzaakt te bepalen dat de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat zij de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust, behalve de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 37, 39 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten niet strafbaar;

- ontslaat de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

Benadeelde partijen

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in zijn vordering;

- bepaalt dat benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mrs G.H. Meijer en C.M.W. de Waele, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010.