Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO7207

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
Awb 10/1330
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing om niet tot terugvordering over te gaan ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk medegedeeld: geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 10/1330

Uitspraak

in het geding tussen:

eiser te woonplaats,

gemachtigde mr. L.G.M. van der Meer,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam (kantoor Zwolle), verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft verweerder onder intrekking van het besluit van 11 januari 2010 eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien met ingang van 18 november 2009. Hetgeen eiser als gevolg hiervan over de periode met ingang van 18 november 2009 tot en met 6 december 2009 te veel aan WW-uitkering heeft ontvangen ad

€ 1.674,40 bruto heeft verweerder bij ditzelfde besluit van eiser teruggevorderd.

Tegen dit besluit is op 24 februari 2010 bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 9 april 2010 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, overwegende dat de gronden waarop het bezwaar berust ontbreken.

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft verweerder onder intrekking van het besluit van 9 april 2010 opnieuw op het bezwaar beslist. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 5 augustus 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 19 oktober 2010 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 21 oktober 2010 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

2. Overwegingen

Eiser heeft tot het faillissement van deze werkgever gewerkt in dienst van (… naam bedrijf A. ). Op 13 oktober 2009 heeft eiser verweerder verzocht hem in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Per 16 november 2009 is eiser 40 uren per week gaan werken in dienst van (… naam bedrijf B.) te Amersfoort. Eiser heeft dit aan verweerder meegedeeld door middel van het werkbriefje gedateerd 17 november 2009.

Bij besluit van 7 december 2009 heeft verweerder eiser met ingang van 18 november 2009 een WW-uitkering toegekend.

Bij besluit van 11 januari 2010 heeft verweerder eiser meegedeeld dat is gebleken dat eiser gelet op zijn werkhervatting geen recht had op de hem per 18 november 2009 toegekende WW-uitkering. Verweerder heeft de WW-uitkering met ingang van 18 november 2009 beëindigd. Tevens is meegedeeld dat de te veel betaalde WW-uitkering niet wordt teruggevorderd, omdat het niet eisers fout was dat hij deze uitkering ten onrechte ontving.

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft verweerder eiser in het kader van de WW een uitkering wegens betalingsonmacht van zijn werkgever (… naam bedrijf A.) toegekend.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld in de vorige rubriek.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser met ingang van 18 november 2009 tot en met 6 december 2009 geen recht heeft gehad op een WW-uitkering en dat derhalve de in deze periode betaalde WW-uitkering onverschuldigd aan eiser is betaald.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser bij het besluit van 11 januari 2010 weliswaar is meegedeeld dat niet zal worden teruggevorderd, maar dat eiser uit het besluit van 7 december 2009 heeft kunnen begrijpen dat hem te veel uitkering werd betaald. Bij dit besluit is eiser er op gewezen dat de te veel betaalde uitkering in dat geval teruggevorderd dient te worden.

Namens eiser is betoogd dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel ziet niet op de periode voorafgaand aan het besluit van 11 januari 2010, maar op de periode erna.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, onder meer de uitspraak van

6 maart 2009, gepubliceerd onder LJN:BH6075, kan eerst sprake zijn van een door een bestuursorgaan opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat moet worden gehonoreerd, wanneer dat vertrouwen is opgewekt door ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke schriftelijke uitlatingen of gedragingen namens dat orgaan.

De beslissing om niet tot terugvordering over te gaan is eiser ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk meegedeeld in de vorm van een besluit op 11 januari 2010. Dit besluit bevat bovendien een motivering waarom niet tot terugvordering wordt overgegaan. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank naar aanleiding van het besluit van 11 januari 2010 mogen aannemen dat verweerder had besloten niet tot terugvordering over te gaan. Eiser heeft op basis van het eerdere besluit van 7 december 2009 niet hoeven begrijpen dat het besluit van 11 januari 2010 berustte op een fout van verweerder. Eiser heeft er dan ook op mogen vertrouwen dat verweerder in zijn geval op grond van de gegeven motivering had besloten niet tot terugvordering over te gaan en heeft er naar het oordeel van de rechtbank geen rekening mee hoeven houden dat verweerder later alsnog de ten onrechte betaalde WW-uitkering van hem zou terugvorderen. Ook al is verweerder zeer kort na het inzien van de fout overgegaan tot herstel en ook al is het besluit voor eiser (nog) niet gedragsbepalend geweest, naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een zodanige schending van het vertrouwensbeginsel, dat dit gehonoreerd dient te worden.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook.

Gelet op het vorenstaande zal eisers beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet voorts aanleiding het besluit van 14 januari 2010 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb te herroepen.

De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de kosten die eiser in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten moet naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van de onderhavige beroepszaak worden bepaald op € 874,--(1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 437,-- x wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 14 januari 2010;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 874,--, te betalen door verweerder aan eiser;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 41,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van der Kris, als rechter, en door deze en

W. Veldman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op: