Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO6808

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
Awb 10/321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe gedragslijn "bruto en netto problematiek" bij terug- en invordering niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 10/321

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de periode van 6 april 2009 tot en met 2 juli 2009 te veel Wajong-uitkering heeft ontvangen en dat het onverschuldigd betaalde bedrag (bruto) ad € 997,57 van hem wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 18 februari 2010 is het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 1 september 2010 behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. van Leeuwen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan eiser is een Wajong-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In de periode van 6 april 2009 tot 3 juli 2009 heeft eiser stage gelopen bij Sanoma uitgeverij en hiervoor een stagevergoeding ontvangen van bruto € 1032,70. Bij besluit van 30 december 2009 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% maar dat de Wajong-uitkering over de periode van 6 april 2009 tot 1 juli 2009, op basis van de inkomsten van eiser, wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%.

Per 3 juli 2009 heeft eiser de ongekorte Wajong-uitkering weer ontvangen.

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft verweerder de onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering van eiser teruggevorderd. Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.2 De beroepsgronden van eiser richten zich tegen de bruto terugvordering door verweerder. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij bereid is om het extra inkomen van € 645,14 terug te betalen. Eiser acht het onrechtvaardig, dat hij het bruto bedrag van € 997,57 moet terugbetalen. Eiser heeft verweerder voor aanvang van de stage direct op de hoogte gesteld van de stage(vergoeding). Verweerder heeft aan eiser foutieve informatie verstrekt.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval terecht tot bruto terugvordering

is overgegaan. Eiser dient het nettobedrag vermeerderd met de loonheffing terug te betalen.

Er bestaan geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. In het besluit op bezwaar heeft verweerder excuses aangeboden voor het feit dat eiser foutief is voorgelicht.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat in dit geval aan eiser te veel Wajong-uitkering is uitbetaald.

Ingevolge artikel 55 van de Wajong is verweerder verplicht om hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Ingevolge het vierde lid van dit artikel mag verweerder alleen van terugvordering afzien als sprake is van een dringende reden. Daarvan is sprake als het gevolg van de terugvordering onaanvaardbaar is.

Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, namelijk dat hij wel wil terugbetalen ook al wordt dit moeilijk van een minimumloon, levert geen dringende reden op. Niet is gebleken dat voor eiser als gevolg van deze terugvordering onaanvaardbare (financiële) gevolgen optreden. De door eiser gestelde omstandigheid dat hij tijdig inlichtingen heeft verstrekt over zijn inkomsten, levert ook geen dringende reden op, evenmin als het gestelde trage handelen door verweerder. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om te concluderen dat er dringende redenen zijn die er toe zouden moeten leiden dat verweerder van terugvordering afziet.

Ook doet zich in dit geval geen zodanig bijzonder geval voor dat terugvordering geen rechtsplicht meer kan zijn. De rechtbank is niet gebleken van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uitingen van de kant van verweerder waaraan eiser het vertrouwen kon ontlenen dat de onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering niet zou worden teruggevorderd.

Ten aanzien van de bruto terugvordering wordt het volgende overwogen.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB vindt terugvordering plaats van bruto te veel betaalde bedragen indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Dit is ook het uitgangspunt van de door verweerder gehanteerde Beleidsregel terug- en invordering, (Regeling van 31 maart 1999, Stcrt. 1999, 75, gewijzigd bij Regeling van 21 maart 2001, Stcrt. 1999, 107). Met terugbetaling van het nettobedrag kan worden volstaan, als wordt terugbetaald binnen hetzelfde lopende belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond.

Geconstateerd wordt dat verweerder overeenkomstig deze beleidsregel heeft gehandeld.

De onverschuldigd betaalde uitkering heeft betrekking op het jaar 2009 terwijl in 2010 tot terugvordering is overgegaan.

Overigens is de rechtbank gebleken, dat eiser al op 17 september 2009 zijn stagevergoeding aan verweerder heeft doorgegeven en dat verweerder hierop zeer traag, namelijk na ruim

3 maanden, heeft gereageerd. Dit heeft ertoe geleid dat pas in januari 2010 een terugvorderingsbesluit is genomen. De rechtbank zal aan dit trage handelen geen gevolgen verbinden. In dit kader is het volgende van belang.

Ter zitting is duidelijk geworden dat de gedragslijn van verweerder van 24 april 2009, “bruto en netto problematiek bij terug- en invordering” in de plaats is getreden van de memo van verweerder van 27 maart 2008 met als onderwerp “Klantgericht bruteren bij invordering”. Genoemde gedragslijn bevat, in tegenstelling tot de memo van 27 maart 2008, niet meer ten gunste van de betrokkene een uitzondering op het - hierboven genoemde - uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering. Verweerder heeft aangegeven, dat de achtergrond hiervan is dat betrokkene inmiddels de betaalde loonheffing in het lopende jaar bij de fiscus kan terugvragen.

De rechtbank acht de nieuwe gedragslijn niet onredelijk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder overeenkomstig deze gedragslijn heeft gehandeld. De vraag of verweerder in dit geval enig verwijt kan worden gemaakt is derhalve niet (meer) van belang.

Verweerder heeft voldoende duidelijk gemaakt hoe het terugvorderingsbedrag is opgebouwd.

De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van dit bedrag.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht tot bruto terugvordering is overgegaan, zodat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en

mr. S. Milani, rechters en ondertekend door mr. A. Oosterveld en mr. H.J. Knol als griffier.

In het openbaar uitgesproken op:

Afschrift verzonden op: