Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO4743

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
07/996551-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle heeft vier verdachten veroordeeld voor het illegaal handelen in afgedankt koel- en vriesapparatuur en afvalstoffen. De rechtbank heeft straffen opgelegd variërend van 12 maanden gevangenisstraf tot 120 uur taakstraf.

Verdachten stonden terecht omdat zij zich niet hielden aan de relevante regelgeving voor de handel in afgedankte goederen. Voor bedrijven die zich in Nederland bezighouden met het inzamelen, vervoeren, verhandelen of bemiddelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen is vermelding op de landelijke VIHB-lijst verplicht. Inmiddels zouden drie verdachten, met het behalen van de vereiste opleiding, zijn opgenomen op die lijst van inzamelaars.

De verdachten hebben lagere straffen opgelegd gekregen dan de officier van justitie had geëist. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat een tweetal verdachten na hun aanhouding de vereiste opleidingen voor het inzamelen van afval hebben behaald. Een andere verdachte heeft de bedrijfsactiviteiten gestaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07/996551-09

Uitspraak: 23 november 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte D],

geboren op [datum] 1986 te [plaats],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010 en 9 november 2010. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. P.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. A.L.A.H. de Muij, heeft ter terechtzitting van 9 november 2010 gevorderd de veroordeling van verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft voorts de toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij Provincie Overijssel ter grootte van € 1.252,38.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 t/m 2 maart 2009 in de gemeente Rucphen en/of Zeewolde en/of Goirle en/of Woerden en/of

(elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten afgedankt wit- en/of bruingoed, heeft ingezameld zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars;

artikel 1a Wet op de economische delicten

art 10.45 lid 1 ahf/ond a Wet milieubeheer

2.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 t/m 3 maart 2009 in de gemeente Deventer en/of (elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich door afgifte aan een of meer anderen, te weten [Naam 2], [Naam 3], [Naam 1] en/of [Naam 4], heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten (ingezameld/afgedankt) wit- en/of bruingoed;

artikel 1a Wet op de economische delicten

art 10.37 lid 1 Wet milieubeheer

3.

verdachte op of omstreeks 3 maart 2009 in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning aan of nabij de [adres], een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het "Inrichtingen-en vergunningenbesluit milieubeheer", zijnde een in Bijlage 1 onder ll. van het "Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer" aangewezen inrichting, in werking heeft gehad;

artikel 1a Wet op de economische delicten

art 8.1 lid 2 Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond a Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond c Wet milieubeheer

4.

verdachte op of omstreeks 3 maart 2009 in de gemeente Deventer, al dan niet opzettelijk

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, CFK- en/of HCFK-houdende koel- en/of vriesapparatuur voor handelsdoeleinden voorhanden heeft gehad die afkomstig was van particuliere huishoudens en/of van anderen dan particuliere huishoudens terwijl deze naar aard en hoeveelheid vergelijkbaar was met die van particuliere huishoudens;

art 1a Wet op de Economische Delicten

artikel 9.2.2.1 Wet Milieubeheer

art 3 Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur

5.

verdachte op of omstreeks 03 maart 2009 in de gemeente Deventer een of meer vuurwapens van categorie III, te weten een pistool van het merk FN en/of een pistool van het merk Voltran, en/of munitie van categorie III, te weten (knal)patronen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

BEWIJS

De verdediging heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten - kort samengevat - gesteld dat ten aanzien van de aangetroffen apparaten en eerder doorgeleverde apparaten niet in alle gevallen vaststaat dat sprake is (geweest) van niet werkende apparaten, welke hoedanigheid naar geldend recht noodzakelijk is om te kunnen spreken van een afvalstof.

De rechtbank overweegt dat zowel verdachte als diverse winkeliers hebben verklaard dat diverse niet werkende apparaten zijn opgehaald respectievelijk zijn afgegeven. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt de rechtbank voorts af dat bij de huiszoekingen in de opslagloods(en) diverse apparaten zijn aangetroffen welke waren ontdaan van snoeren en stekkers, zodat in casu sprake is geweest van meerdere afgedankte wit-/ en bruingoedapparaten die onder het begrip afvalstof vallen als bedoeld in artikel 1.1. van de Wet Milieubeheer. Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten geen bewijs voorhanden is voor het medeplegen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft begaan, nu uit de naar voren gekomen feiten en omstandigheden geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) kan worden afgeleid.

De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van dat bestanddeel van de tenlastelegging voor wat betreft de feiten 1 tot en met 4.

De verdediging heeft ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten voorts als verweer gevoerd dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de geldende regelgeving.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank overweegt daartoe dat voor opzettelijke overtreding van voornoemde feiten geen boos opzet is vereist, doch kleurloos opzet voldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de verdachte voornoemde feiten welbewust heeft begaan, hetgeen voldoende is voor opzet.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de betreffende pistolen en munitie door de vader van verdachte in diens woning waren opgeborgen, terwijl verdachte geen wetenschap had van de opbergplaats daarvan, zodat het voor verdachte niet mogelijk was om de feitelijke beschikkingsmacht over die vuurwapens en munitie uit te oefenen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, voldoende aannemelijk geworden dat verdachte in de periode voorafgaande aan de inbeslagneming van de betreffende pistolen en munitie feitelijk niet daarover kon beschikken. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het voorhanden hebben van vuurwapens in de zin van de Wet Wapens en Munitie, althans niet in de periode als in de tenlastelegging is gesteld. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 september 2008 t/m 2 maart 2009

in de gemeente Rucphen en Zeewolde en Goirle en Woerden en elders in Nederland,

opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten afgedankt wit-

en/of bruingoed, heeft ingezameld zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars;

2.

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 september 2008 t/m 3 maart 2009 in de gemeente Deventer en elders in Nederland, opzettelijk, zich door afgifte aan anderen,

te weten [Naam 2], [Naam 3], [Naam 1] en [Naam 4], heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten ingezameld/afgedankt wit-

en/of bruingoed;

3.

verdachte op 3 maart 2009 in de gemeente Deventer, opzettelijk, zonder daartoe

verleende vergunning aan of nabij de [adres], een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het "Inrichtingen-

en vergunningenbesluit milieubeheer", zijnde een in Bijlage 1 onder ll. van

het "Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer" aangewezen

inrichting, in werking heeft gehad;

4.

verdachte op 3 maart 2009 in de gemeente Deventer, opzettelijk CFK- en/of

HCFK-houdende koel- en/of vriesapparatuur voor handelsdoeleinden

voorhanden heeft gehad die afkomstig was van particuliere huishoudens en/of

van anderen dan particuliere huishoudens terwijl deze naar aard en hoeveelheid

vergelijkbaar was met die van particuliere huishoudens.

Van het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45 van de Wet Milieubeheer,

opzettelijk begaan, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet Economische Delicten.

Feit 2:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet Milieubeheer,

opzettelijk begaan, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet Economische Delicten.

Feit 3:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer,

opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet Economische Delicten.

Feit 4:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet Economische Delicten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank acht een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist op zijn plaats, te meer daar verdachte kort ná aanhouding alsnog de vereiste opleiding heeft doorlopen en is opgenomen op de lijst van VIHB-inzamelaars. Echter van verdachte had op zijn minst verwacht mogen worden dat hij zich zou vergewissen van de relevante regelgeving ter zake alvorens in afgedankte goederen te gaan handelen. Nu hij dat niet heeft gedaan en desondanks in afgedankt wit-en bruingoed is gaan handelen en zich hiervan heeft ontdaan, een afvalstoffeninrichting in werking heeft gehad zonder de vereiste vergunningen, opzettelijk CFK- en/of HCFK-houdende koel- en/of vriesapparatuur voor handelsdoeleinden voorhanden heeft gehad, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf aangewezen.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat verdachte heeft verklaard inmiddels wel vermeld te zijn op de lijst van VIHB-inzamelaars en nog steeds werkzaam is in de handel in afgedankt wit- en bruingoed. De rechtbank acht gelet op het vorenoverwogene tevens een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 6 juli 2010;

een de verdachte betreffend Reclasseringsadvies d.d. 16 juni 2010 uitgebracht

door de stichting Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op:

- de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikel 3 Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur;

- de artikelen 1a en 2 van de Wet Economische Delicten.

Benadeelde partij Provincie Overijssel

Door de verdediging is als verweer gevoerd dat de benadeelde partij Provincie Overijssel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De verdediging heeft daartoe gesteld dat:

- de vordering niet is ingediend middels het daarvoor wettelijk vastgestelde voegingsformulier;

- de vereiste machtiging ontbreekt;

- de vordering niet eenvoudig van aard is;

- het belang van de benadeelde partij niet het belang is dat de ten laste gelegde delicten beogen te beschermen.

De rechtbank is van oordeel dat de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering reeds stuit op de omstandigheid dat de vordering niet is ingediend middels het daartoe wettelijk vastgestelde “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces”,

zoals voorgeschreven in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De in artikel 51b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorziene voeging ter terechtzitting is in dit geval uitgesloten vanwege het ontbreken van de vereiste volmacht van de ter terechtzitting verschenen vertegenwoordiger van de benadeelde partij.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

Het onder 5 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 120 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij Provincie Overijssel in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. W.P.M. Elderman en R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010.

Mr. Elbers voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.