Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO4693

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
07.660050-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verweer van de verdediging dat verdachte, nu hij onder invloed van alcohol was, geen afstand kon doen van zijn recht op consultatie wordt verworpen. Geen sprake van Salduz-problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.660050-10 (P)

Uitspraak: 15 november 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.E.M. van de Ven, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 februari 2010 in de [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde zijn levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) meerdere malen, in ieder geval éénmaal

- die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt in/op/tegen de (linker)slaap, in ieder geval in/op/tegen het hoofd, en/of

- die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt tegen de (rechter)heup en/of het bovenbeen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt op/tegen het hoofd en/of heeft geschopt/getrapt tegen het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 februari 2010 in de [plaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], (met kracht) meerdere malen, in ieder geval éénmaal

- heeft geslagen/gestompt in/op/tegen de (linker)slaap, in ieder geval in/op/tegen het hoofd, en/of

- heeft geschopt/getrapt tegen de (rechter)heup en/of het bovenbeen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) heeft geslagen/gestompt op/tegen het hoofd en/of heeft geschopt/getrapt tegen het lichaam,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 januari 2003 in de [plaats] en/of elders in Nederland (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde zijn levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet (met kracht) de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft dichtgedrukt (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] buiten bewustzijn is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 januari 2003 in de [plaats] en/of elders in Nederland (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] (zijnde zijn levensgezel)), (met kracht) (bij) de keel heeft vastgepakt en/of heeft dichtgedrukt (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] buiten bewustzijn is geraakt), waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

Op zondag 7 februari 2010 omstreeks 02.35 uur krijgen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding van huiselijk geweld op de [adres] Verbalisanten vernemen voorts dat de vrouw in paniek de woning is ontvlucht.

Nog voordat verbalisanten ter plaatse zijn zien zij een vrouw in een onderbroek en T-shirt. Verbalisanten spreken de vrouw aan, aangezien de temperatuur die nacht rond het vriespunt ligt. Verbalisanten zien dat de vrouw geëmotioneerd is en dat zij huilt. De vrouw verklaart dat zij in de woning is mishandeld door haar man.

Vervolgens begeven verbalisanten zich naar de woning van de vrouw, de [adres], waar verdachte wordt aangehouden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht de onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de verklaring van aangeefster, de verklaring van verdachte, de door de verbalisanten aangetroffen situatie en het door hen bij aangeefster geconstateerde letsel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in de eerste plaats een beroep gedaan op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz tegen Turkije. Verdachte heeft bij zijn voorgeleiding afstand gedaan van het recht een raadsman/vrouw te consulteren. Echter, niet gezegd kan worden dat verdachte vrijwillig en weloverwogen afstand heeft gedaan van zijn recht, aangezien hij – gelet op het tijdstip van 03.20 uur bij de voorgeleiding bij de hulpofficier van justitie – nog onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank. De proceshouding van verdachte is hierdoor geschaad.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het door de raadsman aangehaalde Salduz-verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is op zondag 7 februari 2010 om 03.20 uur voorgeleid en heeft daar afstand gedaan van het recht om een advocaat te raadplegen voorafgaande aan zijn eerste verhoor. Diezelfde dag om 10.06 uur bij de politie heeft verdachte wederom afstand gedaan van het recht om een advocaat te raadplegen en heeft hij een (deels) bekennende verklaring afgelegd. Ook nadien, tijdens het verhoor bij de inverzekeringstelling van verdachte en ter terechtzitting heeft de verdachte gelijkluidende verklaringen afgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat, nog los van vorenstaande constatering dat verdachte op twee momenten afstand heeft gedaan van het recht voor het verhoor een advocaat te raadplegen, er van Salduz-problematiek in deze zaak überhaupt geen sprake is. Dit nu verdachte, ook nadat hij met zijn raadsman heeft gesproken, bij de politie en ook op de terechtzitting, de aan hem ten laste gelegde feiten (gedeeltelijk) bekent, althans telkens verklaringen aflegt die niet wezenlijk afwijken van eerdere verklaringen. De rechtbank verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.

Feit 1.

Uit de verklaring van aangeefster , het door verbalisanten geconstateerde letsel bij aangeefster en de verklaring van verdachte , leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster [slachtoffer] tegen haar linkerslaap heeft gestompt, haar heeft getrapt tegen de rechterheup en het bovenbeen waardoor aangeefster is gevallen en aangeefster – terwijl zij op de grond lag – heeft gestompt en geschopt.

Deze handelingen leveren geen poging van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op, aangezien niet kan worden gesteld dat door aldus te handelen verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dat hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust heeft aanvaard en op de koop heeft toe genomen. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel derhalve niet bewezen.

De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt echter genoegnaam dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de mishandeling, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 2.

Uit de verklaring van aangeefster en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt genoegzaam dat verdachte met kracht de keel van aangeefster heeft vastgepakt en dichtgedrukt, waardoor aangeefster buiten bewustzijn is geraakt.

De hiervoor omschreven handeling – het dichtdrukken van de keel van aangeefster waardoor zij buiten bewustzijn is geraakt – kan, indien deze wordt doorgezet, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben, te weten hersenbeschadiging en is daarmee een uitvoeringshandeling van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De handeling van verdachte moet, gezien de verschijningsvorm, ook geacht worden daarop gericht te zijn geweest. In ieder geval heeft verdachte, door aldus te handelen, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling daarom wettig en overtuigend bewezen.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. (subsidiair)

hij op 7 februari 2010 in de [plaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, [slachtoffer], met kracht meerdere malen,

- heeft gestompt op de linkerslaap en

- heeft getrapt tegen de rechterheup en het bovenbeen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) heeft gestompt op het hoofd en heeft geschopt tegen het lichaam,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2. (primair)

hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 januari 2003 in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en heeft dichtgedrukt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] buiten bewustzijn is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 (subsidiair):

Mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, strafbaar gesteld bij artikel 300 juncto artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 (primair):

Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair ten laste gelegde tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten onder meer de familieomstandigheden, zijn werk en de vrijwillige behandeling bij De Waag. De raadsman verzoekt expliciet geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zijn vriendin tweemaal mishandeld, waarbij zijn vriendin eenmaal het bewustzijn is verloren als gevolg van het dichtknijpen van haar keel. De rechtbank tilt zwaar aan geweld binnen de relationele sfeer. In huis en bij zijn partner behoort men zich veilig te kunnen voelen. Het handelen van verdachte vormt dan ook een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer.

Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een taakstraf almede een voorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om de ernst van de bewezen verklaarde feiten te benadrukken.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 oktober 2010;

- een de verdachte betreffend (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 9 februari 2010 uitgebracht door L. Hendriks, reclasseringswerker van Tactus verslavingszorg.

10. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf gedurende 50 uren;

beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 25 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf;

beveelt dat de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, gerekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. M.C.P. de Ridder, voorzitter, mr. M. Iedema en mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2010.

Mr. W.F. Roelink voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.