Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO3000

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
07.607299-09 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op de stoep rijden met een auto en vervolgens klemrijden van een slachtoffer, terwijl deze op de stoep fietst levert niet zonder meer een poging doodslag op. Vrijspraak van poging doodslag en belaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.607299-09 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek heeft in het openbaar plaatsgevonden op 14 oktober 2010. De verdachte is niet verschenen. Ter terechtzitting is mr. R.W.A. Offermans verschenen, die verklaarde niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kamper.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, gezeten in een (personen)auto met hoge snelheid op die [slachtoffer] is af- of ingereden, in elk geval naar, althans in de richting van die [slachtoffer], is gereden, in elk geval de stoep op is gereden, terwijl die [slachtoffer] op die stoep fietste, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet gezeten in een (personen)auto met hoge snelheid op die [slachtoffer] is af- of ingereden, in elk geval naar, althans in de richting van die [slachtoffer], is gereden, in elk geval de stoep op is gereden, terwijl die [slachtoffer] op die stoep fietste, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend, gezeten in een (personen)auto, met hoge snelheid op die [slachtoffer] af- of ingereden, in elk geval naar, althans in de richting van die [slachtoffer], gereden, in elk geval de stoep op gereden, terwijl die [slachtoffer] op die stoep fietste;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2009 in de gemeente Lelystad, [slachtoffer 2], werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar van politie en/of [slachtoffer 3] werkzaam als surveillant van politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (meermalen) met zijn (linker)hand een snijdende beweging gemaakt langs zijn hals en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "als ik die kankerlijer van je collega tegen kom, dan maak ik hem af. Ik ga hem dood maken" en/of "als ik vrij kom en jou en je collega zie lopen, dan maak ik jullie dood" en/of "ik ga jullie afmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2009 in de gemeente Lelystad, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] respectievelijk werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar van politie en/of surveillant van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in diens/dier tegenwoordigheid (meermalen) mondeling heeft toegevoegd de woorden "lul" en/of "jullie stelletje kankerlijers" en/of (tegen die [slachtoffer 3]) "jij bent een kankerchinees", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.

hij in de periode van 20 december 2009 tot en met 02 februari 2010 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval eenmaal in/bij haar woning (gelegen aan de Prof Ter Veenstraat) bezocht/opgezocht en/of

- die [slachtoffer] op zijn fiets gevolgd toen zij naar en van de school van hun zoon reed en/of

- meerdere, in ieder geval een, bericht(en) geschreven aan die [slachtoffer] (via de internetsite Hyves);

- meermalen, in ieder geval eenmaal voor de woning van die [slachtoffer] gestaan en (onder meer) (onder andere, door de brievenbus in de voordeur te openen) geschreeuwd en/of gezegd dat

- zij hem binnen moest laten en/of

- als zij er de volgende keer niet zou zijn hij de ramen van haar woning in zou gooien en/of

- hij, verdachte die [slachtoffer] zou vermoorden als hij, verdachte, zijn zoon niet mocht zien en/of

- die [slachtoffer] "gestoord is" en/of "een bitch" en/of

- die [slachtoffer] "ziek is in haar hoofd" en/of

- hij, verdachte, die [slachtoffer] nooit met rust zou laten;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

De rechtbank neemt het navolgende, hetgeen niet betwist is, als vaststaand aan:

Ten aanzien van feit 1:

Op 16 oktober 2009 wordt door mevrouw [slachtoffer] aangifte gedaan van een poging doodslag diezelfde dag gepleegd.

Zij verklaarde dat zij over de stoep naar haar woning aan de Kloppenburgstraat in Emmeloord fietste toen zij zag dat haar ex-partner [verdachte] in zijn auto in haar richting kwam rijden. Mevrouw [slachtoffer] was bang voor haar ex-partner en is daarom vervolgens omgedraaid en richting een wijkagent gefietst. Halverwege de straat stuurde [verdachte] in de richting van mevrouw [slachtoffer] en reed hij met zijn auto de stoep op. Aangeefster heeft volop geremd om een aanrijding te voorkomen.

Nader onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van verdachte.

Ten aanzien van feiten 2 en 3:

Op 16 oktober 2009 wordt door zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] aangifte gedaan van een diezelfde dag gepleegde bedreiging en belediging.

Zij verwezen daarbij naar het proces-verbaal van bevindingen dat zij hadden opgemaakt. Aangever [slachtoffer 2], als buitengewoon opsporingsambtenaar van de politie, en aangever [slachtoffer 3], als zijnde surveillant van de politie, waren belast met het toezicht houden en het verzorgen van ingeslotenen in het cellencomplex de Doelen in Lelystad. Terwijl verdachte ingesloten was, riep hij diverse bewoordingen naar beide verbalisanten. Ook maakte hij, in de richting van en zichtbaar voor verbalisant [slachtoffer 3], een snijdende beweging langs zijn hals en riep: “als ik die kankerlijer van je collega tegen kom, dan maak ik hem af. Ik ga hem doodmaken”. Verdachte zei onder meer tegen verbalisant [slachtoffer 3]: “Jullie stelletje kankerlijers”en “ik ga jullie afmaken”. Verbalisant [slachtoffer 3] heeft aan zijn collega [slachtoffer 2] melding gemaakt van deze uitlatingen van verdachte.

Ten aanzien van feit 4:

Op 24 december 2009 dient [slachtoffer] een klacht wegens belaging in en heeft daarbij verzocht over te gaan tot strafvervolging van haar ex-partner [verdachte]. Op dezelfde dag heeft voornoemde [slachtoffer] vervolgens ook aangifte gedaan.

Zij verklaarde dat zij lastig wordt gevallen door [verdachte] sinds de relatie tussen hen in 2007 verbroken is. Hij zou haar diverse malen via Hyves en in smsjes vervelende berichten hebben gestuurd en veelal ongenodigd bij haar voor de deur verschijnen om vervolgens stampij te maken.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1. primair, 2., 3. en 4. wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Zij heeft daartoe kort weergegeven het navolgende aangevoerd.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de onder 1. primair ten laste gelegde poging doodslag verwezen naar de aangifte van mevrouw [slachtoffer] en de getuigenverklaring van de heer [naam getuige]. Beiden verklaren dat aangeefster [slachtoffer] klemgereden werd door verdachte met zijn auto.

Met betrekking tot het onder 2. en 3. ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen op grond van de aangiften van de verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Tevens heeft zij verwezen naar de verklaring van verdachte.

Voor het onder 4. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van buurvrouw [naam buurvrouw] en partner [naam partner]. Zij heeft gesteld dat het over een andere periode gaat maar dat duidelijk blijkt van stelselmatig lastig vallen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of er voldoende wettig bewijs aanwezig is om te komen tot een veroordeling ter zake van de primair ten laste gelegde poging doodslag.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt:

De situatie die beoordeeld dient te worden is het moment dat verdachte de stoep opreed, terwijl mevrouw [slachtoffer] daar fietste. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op dat moment, genoodzaakt was volop te remmen omdat zij anders door de auto zou zijn geraakt. Getuige [naam getuige] verklaart hierover dat hij zag dat een meisje was klemgereden door een auto. Zij stond met haar fiets vast tussen de muur en de auto op de stoep.

De rechtbank is niet tot de overtuiging gekomen dat als mevrouw [slachtoffer] niet volop zou hebben geremd dit het geschetste gevolg van een doodslag zou hebben gehad. Onduidelijk is of verdachte daadwerkelijk op mevrouw [slachtoffer] is af- of ingereden of slechts op enige afstand van haar zijn auto tot stilstand heeft gebracht. Op basis van de omstandigheden zoals deze de rechtbank uit het dossier zijn gebleken, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de opzet, ook in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij mevrouw [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde dan ook vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij overweegt daartoe het volgende:

Uit de aangifte van [slachtoffer] , de getuigenverklaring van de heer [naam getuige] en de verklaring van verdachte waarin hij beaamt de stoep te zijn opgereden leidt de rechtbank af dat verdachte met hoge snelheid in de richting van aangeefster is gereden en vlak voor haar op de stoep is gestopt. Verdachte is doelbewust in de richting van aangeefster gereden.

De rechtbank is op grond van het voorgaande, alsmede op basis van de door aangeefster en verdachte geschetste gebrouilleerde verstandhouding tussen aangeefster en verdachte, van oordeel dat verdachte opzettelijk dreigend de auto richting aangeefster heeft gestuurd. Hierdoor kon bij aangeefster de redelijke vrees op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel opgewekt worden.

Ten aanzien van feiten 2 en 3:

De rechtbank acht het onder 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende:

Uit de aangiften van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte op 16 oktober 2009 met zijn linkerhand meerdere malen een snijdende beweging langs zijn hals heeft gemaakt en onder meer dreigend tegen [slachtoffer 3] heeft geroepen: “als ik die kankerlijer van een collega (zijnde [slachtoffer 2]) tegen kom, dan maak ik hem af. Ik ga hem dood maken” en “als ik vrij kom en jou en je collega zie lopen, dan maak ik jullie dood”. Daarnaast volgt daaruit dat hij beide verbalisanten tijdens de uitoefening van hun bediening beledigd heeft door onder meer tegen [slachtoffer 3] te roepen ‘jij bent een kankerchinees’, door tegen [slachtoffer 2] te roepen “lul”en tegen hen beiden te roepen “jullie stelletje kankerlijers”.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of er wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard of er sprake is van de onder 4. ten laste gelegde belaging.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt:

Voor een bewezenverklaring van belaging (stalking) ingevolge artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht moet er sprake zijn van een stelselmatige, opzettelijke inbreuk op een anders persoonlijke levenssfeer. Daarbij moet het oogmerk van de verdachte gericht zijn op het dwingen van een ander iets te doen/niet te doen/te dulden dan wel vrees aan te jagen bij deze ander. Voornoemde inbreuk kan bijvoorbeeld ontstaan doordat het slachtoffer bedreigd of achtervolgd wordt of ongewenste (sms)berichten ontvangt.

In onderhavige zaak zou belaging (stalking) zich voor hebben moeten doen in de ten laste gelegde periode van 20 december 2009 tot en met 2 februari 2010. Mevrouw [slachtoffer] heeft op 24 december 2009 een klacht ingediend en tevens aangifte gedaan tegen verdachte. In deze aangifte verklaart zij dat zij sinds de breuk tussen haar en verdachte in 2007 lastig wordt gevallen door haar ex-partner. De drie dagen voorafgaande aan haar aangifte zou dit weer zijn toegenomen. Ter staving van haar aangifte wijst zij de verbalisanten op een Hyves bericht d.d. 20 december 2009 en een foto van 24 december 2009 waarop te zien is dat verdachte voor haar deur staat.

In het dossier zijn voorts de verklaringen van de buurvrouw en de partner van [slachtoffer] voorhanden om tot een mogelijke bewezenverklaring van het onder 4. ten laste gelegde te komen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit deze verklaringen niet volgt dat mevrouw [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode van 20 december 2009 tot en met 2 februari 2010 is belaagd. De partner van [slachtoffer], getuige [naam partner], is immers gehoord vóór deze periode, op 3 november 2009. Hij kan zodoende onmogelijk verklaard hebben over de ten laste gelegde periode. Buurvrouw [naam buurvrouw] is daarentegen gehoord op 21 september 2010 maar verklaart niet eenduidig over de belaging van [slachtoffer] door verdachte. Mevrouw [naam buurvrouw] verklaart specifiek over twee momenten dat verdachte [slachtoffer] lastig viel, maar wanneer deze momenten zich hebben voorgedaan, is niet duidelijk, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of deze zich voordeden in de tenlastegelegde periode. Bovendien verklaart zij dat ze het idee had dat er rustigere periodes waren.

In dit verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat het weliswaar zo kan zijn geweest dat mevrouw [slachtoffer] belaagd werd door verdachte, maar dat niet is gebleken dat dit in de ten laste gelegde periode is gebeurd.

De rechtbank is gelet op het voornoemde van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat mevrouw [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode stelselmatig door verdachte is lastig gevallen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 4. ten laste gelegde.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 16 oktober 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend, gezeten in een personenauto, met hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer], gereden, in elk geval de stoep opgereden, terwijl die [slachtoffer] op de stoep fietste.

2.

op 16 oktober 2009 in de gemeente Lelystad, [slachtoffer 2], werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar van politie en [slachtoffer 3], werkzaam als surveillant van de politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen met zijn linkerhand een snijdende beweging gemaakt langs zijn hals en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: “als ik die kankerlijer van je collega tegen kom, dan maak ik hem af. Ik ga hem dood maken”en “als ik vrij kom en jou en je collega zie lopen, dan maak ik jullie dood”en ”ik ga jullie afmaken”.

3.

op 16 oktober 2009 in de gemeente Lelystad, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] respectievelijk werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar van politie en surveillant van politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in diens/dier tegenwoordigheid meermalen mondeling heeft toegevoegd de woorden “lul”en “jullie stelletje kankerlijers”en tegen die [slachtoffer 3] “jij bent een kankerchinees”.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1, meer subsidiair:

Bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 266 jo 267 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek van het voorarrest zoals bepaald in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij deze eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de impact die het onder 1. en 4. ten laste gelegde heeft gehad op mevrouw [slachtoffer], het feit dat verdachte niet is verschenen ter terechtzitting en dat hij niet heeft willen meewerken aan de opmaak van een reclasseringsrapportage.

8.2 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank gaat bij de straftoemeting uit van de straffen opgelegd voor bedreigingen en beledigingen bij landelijk vergelijkbare uitspraken. De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat hij niet is verschenen ter terechtzitting en geen duidelijkheid omtrent zaken heeft gegeven. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de eerdere veroordeling van verdachte ter zake van huiselijk geweld gepleegd tegen mevrouw [slachtoffer] in 2008 ook een strafverzwarende factor is.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Vanwege het ontbreken van een reclasseringsrapportage en daarmee een plan om de kans op recidive te verminderen zal geen voorwaardelijk deel opgelegd worden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 september 2010.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust, behalve de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1. primair en subsidiair en 4. ten laste gelegde, zijnde dit niet wettig en overtuigend bewezen;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mrs. R.M. van Vuure en M.A.A. ter Meer-Siebers rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2010.

Mrs. Van Vuure en Ter Meer-Siebers, voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.