Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO2844

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
Awb 10/1678
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voor de beoordeling van de aanvraag in de zin van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb moeten ook gegevens moeten worden verstaan die verweerder in de gelegenheid stellen te bezien of de aanvrager in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten heeft getoond. Verweerder heeft mogen vragen om een taxatierapport betreffende de waarde van een aan de dochter van verzoekers overgedragen tjalk. Verzoekster heeft echter binnen de eerste hersteltermijn schriftelijk laten weten dat er geen mogelijkheid werd gezien aan het verzoek te voldoen. Ook naderhand is door verzoekers aangegeven dat zij niet aan het verzoek konden en kunnen voldoen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers redelijkerwijs niet de beschikking konden en kunnen krijgen over de gevraagde gegevens. Dat brengt mee dat verweerder verzoekers niet meer een tweede, vergelijkbare hersteltermijn kon bieden. Verweerder was derhalve niet bevoegd om de bijstandsaanvraag van verzoekers met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te laten.

Voorlopige voorziening getroffen. Toekenning voorschot rekening houdende met mogelijk tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 10/1678

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

[verzoekers], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde mr. L.E. Nijk

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

gevestigd te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Op 15 september 2010 is de bijstandsaanvraag van verzoekers d.d. 5 augustus 2010 door verweerder onder toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gesteld.

Hiertegen is op 1 oktober 2010 bezwaar gemaakt.

Op 1 oktober 2010 is de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 oktober 2010.

Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W. de Jong.

Van de zijde van verzoekers zijn op 19 en 20 oktober 2010 nadere gegevens ingekomen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 juni 2010 is het recht op bijstand van verzoekers per 11 mei 2010 ingetrokken op de voet van het bepaalde in artikel 54, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).

Hiertegen is bezwaar gemaakt.

Bij notariële akte van 23 juli 2010 heeft juridische levering van tjalkschip “Emanuel” aan de dochter van verzoekers plaatsgevonden, waarbij een koopprijs van € 5.000, = is bepaald.

Vervolgens hebben verzoekers bijstand aangevraagd op 5 augustus 2010.

Verweerder heeft op 9 augustus 2010 een hersteltermijn geboden van twee weken, waarbinnen verzoekers een taxatierapport van een erkend makelaar over zouden moeten leggen betreffende het tjalkschip “Niemandsland” (voorheel: Emanuel) met brandmerk 2948 B Groningen 1953 (nader te noemen: de tjalk).

Verzoekster heeft hierop bij brief te kennen gegeven dat verweerder het betreffende schip gerust mag laten taxeren. Het schip is van de dochter en verzoekers stellen er geen zeggenschap over te hebben.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 20 augustus 2010 opnieuw een hersteltermijn van twee weken geboden. Verzoekers hebben hieraan geen gehoor gegeven, waarna het besluit van 15 september 2010 is genomen.

3. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat verzoekers niet de bij de genoemde hersteltermijnen gevraagde gegevens hebben verstrekt, te weten een taxatierapport betreffende de waarde ten tijde van de overdracht van de woonboot met brandmerk 2948 B Groningen. Deze gegevens heeft verweerder nodig om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstand voorafgaande periode.

4. Hiertegen wordt - kort gezegd - ingebracht dat de verstrekking van het taxatierapport niet noodzakelijk is voor het vaststellen van het recht op bijstand, terwijl het verschaffen van een taxatierapport ook niet in redelijkheid van verzoekers kan worden verlangd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers er vooralsnog niet in zijn geslaagd aan te tonen dat er sprake is geweest van een eerdere overdracht van de tjalk rond medio 2001. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van de juridische overdracht op 23 juli 2010.

5.2. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder, mede gelet op de voorgeschiedenis en de omstandigheid dat de tjalk is overgedragen aan de dochter van verzoekers, heeft mogen vragen om eerdergenoemd taxatierapport. Wat de reikwijdte van de inlichtingenplicht bij een aanvraag om bijstand betreft, kan immers onder meer uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 mei 2007, LJN:BA5910, worden afgeleid dat onder gegevens voor de beoordeling van de aanvraag in de zin van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb ook gegevens moeten worden verstaan die verweerder in de gelegenheid stellen te bezien of de aanvrager in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten heeft getoond. In die zin volgt de voorzieningenrechter niet het betoog van de gemachtigde van verzoekers, dat alleen gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand op de voet van de artikelen 43 en artikel 11 van de WWB kunnen worden gevraagd.

5.3. Verzoekster heeft verweerder echter binnen de eerste hersteltermijn schriftelijk laten weten dat er geen mogelijkheid werd gezien aan het verzoek van verweerder te voldoen.

Ook naderhand is door verzoekers aangegeven dat zij niet aan het verzoek van verweerder konden en kunnen voldoen. Ter zitting is toegelicht dat de dochter en schoonzoon om hen moverende redenen niet willen meewerken aan de totstandkoming van een taxatierapport.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers redelijkerwijs niet de beschikking konden en kunnen krijgen over de gevraagde gegevens. Dat brengt mee dat verweerder verzoekers niet meer een tweede, vergelijkbare hersteltermijn kon bieden.

5.4. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om de bijstandsaanvraag van verzoekers met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te laten.

6.1. De voorzieningenrechter acht het gezien vorenstaande aannemelijk dat het besluit van 15 september 2010 na bezwaar niet zal standhouden. Niet is uitgesloten dat aan verzoekers na bezwaar alsnog een bijstandsuitkering zal worden toegekend. Nu tevens sprake is van een spoedeisend belang, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen met inachtneming van het volgende.

6.2. De voorzieningenrechter heeft er nota van genomen dat in een rapport van 11 juni 2010 van Bureau JZ-Handhaving onder het kopje “Dinsdag 4 mei 2010” is opgemerkt dat de geschatte waarde van de tjalk minimaal € 50.000,-- zou bedragen. De voorzieningenrechter gaat er, ook gelet op de overige beschikbare gegevens, van uit dat de waarde van de tjalk ten tijde van de juridische overdracht op 23 juli 2010 de in artikel 34, tweede en derde lid, van de WWB genoemde vermogensgrens in aanzienlijke mate overschreed. Dit is ter zitting niet bestreden.

Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat de verkoopprijs volgens de akte van levering € 5.000,-- bedroeg, houdt de voorzieningenrechter het niet voor onmogelijk dat verzoekers tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zal kunnen worden tegengeworpen. Gelet op artikel 18 van de WWB en artikel 9 van de gemeentelijke Afstemmingsverordening kan de bijstand dan maximaal gedurende 36 maanden met 20% worden verlaagd. Daarom zal verweerder worden opgedragen aan verzoekers voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor verzoekers geldende bijstandsnorm, met een korting van 20%, tot zes weken na de datum waarop het besluit op bezwaar bekend is gemaakt.

7. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs hebben moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van de onderhavige beroepszaak worden bepaald op € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 437,-- x wegingsfactor 1). Nu ten behoeve van verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Voorts bestaat gezien het vierde lid van artikel 8:82 van de Awb aanleiding te bepalen dat het betaalde griffierecht ad € 41,-- wordt vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers voorschotten verstrekt, naar de voor verzoekers geldende bijstandsnorm, met een verlaging van 20%, vanaf de dag waarop de voorziening is verzocht tot zes weken na de datum waarop het besluit op bezwaar bekend is gemaakt;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek bij de voorzieningenrechter van de rechtbank hebben moeten maken, tot op heden begroot op € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- gelast dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht ad € 41,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.G. Wijma, voorzieningenrechter, en door deze en mr. D. Hardonk-Prins ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

<small><i>Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i></small>