Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO2508

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
01-11-2010
Zaaknummer
07/996519-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

fraude met exportsubsidie, matchingfonds, Senter, oplichting, valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.996519-05

Uitspraak: 1 november 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010, 11 oktober 2010 en 18 oktober 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te ‘s Gravenhage.

De officier van justitie, mr. J.W. Bollen, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 47.500,-- subsidiair 1 jaar hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

de besloten vennootschap (naam 1). op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 te Kampen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [Senter], (althans) (een) medewerker(s) van een rechtspersoon, heeft bewogen tot de afgifte van subsidiegelden (groot NLG 2.520.000,-), in elk geval enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk:

- een buitenlandse rechtspersoon, genaamd (naam 3) (D-173), opgericht

en/of laten oprichten,

en/of

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk een of meer documenten opgemaakt, te weten:

- een aanvraag voor een subsidie Rente-overbruggingsfaciliteit en Matchingfonds exportkredieten van 25 juni 1998, welke door [Senter] is ontvangen op 29 juni 1998 (D-62),

- een of meer koopovereenkomsten, met de hand genummerd 464 en/of 465, tussen

(naam 3) en (naam 1)., getekend op 17 juni 1998 (D-80),

- een of meer koopovereenkomsten, met de hand genummerd 464 en/of 465 en/of 466 en/of 467, tussen (naam 3) en (naam 1)., getekend op 29 juni 1998 (D-67),

- een faxbericht met bijlagen van 2 juli 1998 van (naam 1). aan [Senter] (D-190),

- een offerte voor een lening en participatie van de (bank) van 20 juli 1998 aan de commanditaire vennootschap (naam 4) en een of meer leningsovereenkomsten tussen de (bank) en (naam 3) (D-33, 34, 35, 48, 49),

- de suppletieverklaring van 22 juni 1999 van (naam 1). aan [Senter] (D-40), waarin onder andere gesteld wordt dat er schepen geleverd worden aan (naam 3),

- vier Protocols of Delivery and Acceptance waarin vermeld is dat de motorschepen (naam 4) en (naam 5) en (naam 6) en (naam 7) worden overgedragen en/of geleverd aan (naam 3), alsmede Bills of Sale met betrekking tot de motorschepen (naam 4) en (naam 5) (D-73, 74, 119, 120),

- Protocols of Delivery and Acceptance betreffende de motorschepen (naam 4) en/of (naam 5) respectievelijk van 20 april 2000 en 5 januari 2001 en afkomstig van (naam 3), waarin is vermeld dat deze zijn geleverd aan de betreffende commanditaire vennootschappen (D-73, 74),

waardoor [Senter] is bewogen tot afgifte van de hierboven genoemde subsidiegelden, immers de hiervoor genoemde documenten zijn valselijk opgemaakt om [Senter] de voorstelling van zaken te geven dat er terecht aanspraak is gemaakt op de subsidie Rente-overbruggingsfaciliteit en Matchingfonds exportkredieten, terwijl deze voorstelling vals is, aangezien er slechts op papier een levering heeft plaatsgehad van de schepen aan (naam 3) en er feitelijk rechtstreeks geleverd is door (naam 1). aan de commanditaire vennootschappen (naam 4) en/of (naam 5) en/of (naam 6) en/of

(naam 7),

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven danwel feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);

art 326 Wetboek van Strafrecht

2.

de besloten vennootschap (naam 1). op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 te Kampen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer geschriften, waaronder

- een of meer contracten, betrekking hebbende op de motorschepen met de bouwnummers 464 en/of 465 en/of 466 en/of 467, ondertekend op 29 juni 1998 en opgestuurd naar [Senter] om aan te geven dat de schepen zijn verkocht, welke een onderdeel vormen voor het geven van een definitieve goedkeuring door [Senter] voor het verstrekken van de exportsubsidie (D-67),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het motorschip (naam 4) door (naam 1). is geleverd aan (naam 3) (D-73),

- een Bill of Sale van 20 april 2000, waarbij (naam 1). het motorschip (naam 4) heeft overgedragen aan (naam 3) (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het motorschip (naam 4) vervolgens door (naam 3) is doorgeleverd aan (naam 8) (naam 4) (D-73),

- een Bill of Sale van de datum 20 april 2000, waarbij (naam 3) het motorschip (naam 4) op haar beurt heeft overgedragen aan aan (naam 8) (naam 4) (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het motorschip (naam 5) door (naam 1). is geleverd aan (naam 3) (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij (naam 1). het motorschip (naam 5) heeft overgedragen aan (naam 3) (D-120),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het motorschip (naam 5) vervolgens door (naam 3) is doorgeleverd aan (naam 8) m.s. (naam 5) (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij (naam 3) het motorschip (naam 5) op haar beurt is overgedragen aan (naam 8) (naam 5) (D-120),

- een afrekening met datum overdracht 27 november 2001, afkomstig van (naam 9), (naam 10) en bestemd voor (naam 1). betreffende de (naam 6) (koper is (naam 3)) - een afrekening met datum overdracht 11 april 2002, afkomstig van (naam 9), (naam 10) en bestemd voor (naam 1) betreffende de (naam 6) (kopers: (naam 3) en Polar Bright C.V.) (D-108),

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

valselijk (doen) vermeld(en) op dat/die Protocol(s) of Delivery and Acceptance van 20 april 2000 en/of van die Bill(s) of Sale van 20 april 2000 en/of die/dat Protocol(s) of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001 en/of die Bill(s) of Sale van 5 januari 2001 en/of op die afrekening van 27 november 2001 en/of van 11 april 2002 dat door (naam 1). een of meer schepen waren verkocht en/of geleverd aan (naam 3), terwijl dezelfde schepen vervolgens op dezelfde dag en plaats door (naam 3) aan de respectievelijke commanditaire vennootschappen werden geleverd, zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven danwel feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging op bladzijde 3 in de 33e regel "(naam 6)" in plaats van "(naam 7)". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

ONTVANKELIJK HEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

Door de verdediging is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging omdat:

a. het de verdediging is gebleken dat er sprake is van identieke gevallen - scheepswerven die bij de subsidieaanvraag bij [Senter] dezelfde werkwijze hanteerden als die welke thans aan verdachte wordt verweten - waarin geen strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden, zodat de officier van justitie bij zijn vervolgingsbeslissing heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel;

b. er bij de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek en de toepassing van dwangmiddelen sprake zou zijn geweest van onvoldoende verdenkingen tegen verdachte om een en ander te rechtvaardigen, zodat de toepassing van dwangmiddelen en de daaropvolgende bewijsgaring

onrechtmatig is geweest.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Zij is hieromtrent van oordeel:

ad a.

Het openbaar ministerie is in beginsel vrij in zijn beoordeling of vervolging van een verdachte opportuun is, zulks onder meer op grond van het aandeel van een verdachte in een verondersteld (strafbaar) feitencomplex en de individuele omstandigheden van een verdachte. Het argument dat er in casu sprake is van rechtsongelijkheid, omdat er in gevallen identiek aan de onderhavige niet is vervolgd gaat niet op. Uit het dossier blijkt niet, en het is ook overigens niet aannemelijk geworden, dat er sprake is van gevallen, die ter kennis zijn gekomen van het openbaar ministerie en die op relevante punten in voldoende mate gelijk zijn om een dergelijke conclusie te kunnen trekken.

ad b.

Uit het dossier is de rechtbank gebleken dat op het moment dat er dwangmiddelen, waaronder inbeslagneming van stukken en aanhoudingen van medeverdachten, werden toegepast er een redelijk vermoeden van schuld tegen verdachte en medeverdachten was gerezen, dat die toepassing kon rechtvaardigen.

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

de besloten vennootschap (naam 1). in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 te Kampen en (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [Senter] heeft bewogen tot de afgifte van subsidiegelden (groot NLG 2.520.000,-),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk documenten opgemaakt, te weten:

- een aanvraag voor een subsidie Rente-overbruggingsfaciliteit en Matchingfonds exportkredieten van 25 juni 1998, welke door [Senter] is ontvangen op 29 juni 1998 (D-62),

- koopovereenkomsten, met de hand genummerd 464 en 465, tussen (naam 3) en (naam 1)., getekend op 17 juni 1998 (D-80),

- koopovereenkomsten, met de hand genummerd 464 en 465 en 466 en 467, tussen (naam 3) en (naam 1)., getekend op 29 juni 1998 (D-67),

- leningsovereenkomsten tussen de (bank) en (naam 3) (D-48, 49),

- de suppletieverklaring van 22 juni 1999 van (naam 1). aan [Senter] (D-40), waarin onder andere gesteld wordt dat er schepen geleverd worden aan (naam 3),

- vier Protocols of Delivery and Acceptance waarin vermeld is dat de motorschepen (naam 4) en (naam 5) en (naam 6) en (naam 7) worden overgedragen en/of geleverd aan (naam 3), alsmede Bills of Sale met betrekking tot de motorschepen (naam 4) en (naam 5) (D-73, 74, 119, 120),

waardoor [Senter] is bewogen tot afgifte van de hierboven genoemde subsidiegelden, immers de hiervoor genoemde documenten zijn valselijk opgemaakt om [Senter] de voorstelling van zaken te geven dat er terecht aanspraak is gemaakt op de subsidie Rente-overbruggingsfaciliteit en Matchingfonds exportkredieten, terwijl deze voorstelling vals is, aangezien er slechts op papier een levering heeft plaatsgehad van de schepen aan (naam 3) en er feitelijk rechtstreeks geleverd is door (naam 1). aan de commanditaire vennootschappen (naam 4) en (naam 5) en (naam 6) en (naam 7),

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen;

2.

de besloten vennootschap (naam 1). in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 te Kampen en (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, geschriften, waaronder

- contracten, betrekking hebbende op de motorschepen met de bouwnummers 464 en 465 en 466 en 467, ondertekend op 29 juni 1998 en opgestuurd naar [Senter] om aan te geven dat de schepen zijn verkocht, welke een onderdeel vormen voor het geven van een definitieve goedkeuring door [Senter] voor het verstrekken van de exportsubsidie (D-67),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het motorschip (naam 4) door (naam 1). is geleverd aan (naam 3) (D-73),

- een Bill of Sale van 20 april 2000, waarbij (naam 1). het motorschip (naam 4) heeft overgedragen aan (naam 3) (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het motorschip (naam 4) vervolgens door (naam 3) is doorgeleverd aan (naam 8) m.s. (naam 4) (D-73),

- een Bill of Sale van de datum 20 april 2000, waarbij (naam 3) het motorschip (naam 4) op haar beurt heeft overgedragen aan aan (naam 8) (naam 4) (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het motorschip (naam 5) door (naam 1). is geleverd aan (naam 3) (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij (naam 1). het motorschip (naam 5) heeft overgedragen aan (naam 3) (D-120),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het motorschip (naam 5) vervolgens door (naam 3) is doorgeleverd aan (naam 8) m.s. (naam 5) (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij (naam 3) het motorschip (naam 5) op haar beurt is overgedragen aan (naam 8) m.s. (naam 5) (D-120),

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, valselijk (doen) vermeld(en) op dat/die Protocol(s) of Delivery and Acceptance van 20 april 2000 en van die Bill(s) of Sale van 20 april 2000 en die/dat Protocol(s) of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001 en die Bill(s) of Sale van 5 januari 2001 dat door (naam 1). een of meer schepen waren verkocht en geleverd aan (naam 3), terwijl dezelfde schepen vervolgens op dezelfde dag en plaats door (naam 3) aan de respectievelijke commanditaire vennootschappen werden geleverd, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen.

Door de verdediging is aangevoerd

a. dat er bij de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek en de toepassing van dwangmiddelen sprake zou zijn geweest van onvoldoende verdenkingen tegen verdachte om een en ander te rechtvaardigen, zodat de toepassing van dwangmiddelen en de daaropvolgende bewijsgaring onrechtmatig is geweest;

b. dat er geen sprake is van oplichting, omdat [Senter] op de hoogte was, dan wel op de hoogte had moeten zijn, van de aan de verdachte verweten en ten laste gelegde werkwijze om subsidie te verkrijgen, aangezien een dergelijke werkwijze op zo’n grote schaal voorkwam dat het uitgesloten is dat [Senter] daar niet van op de hoogte is geweest;

c. dat de in de tenlastelegging genoemde documenten niet vals zijn, omdat de daarin vermelde transacties/rechtshandelingen daadwerkelijk feitelijk hebben plaatsgevonden.

d. dat verdachte slechts gedurende een beperkt deel van de ten laste gelegde periode als directeur van (naam 1) heeft gefunctioneerd, zodat bij een eventuele bewezenverklaring deze hoogstens een deel van de ten laste gelegde periode en van de ten laste gelegde gedragingen kan betreffen.

De rechtbank is hieromtrent van oordeel:

ad a.

Dit betoog dient op dezelfde grond als hierboven bij de bespreking van de ontvankelijkheid van de officier van justitie onder b. is overwogen te worden gepasseerd.

ad b.

Er is geen bewijs voorhanden en het is ook overigens niet aannemelijk geworden dat [Senter] in dit specifieke geval kennis heeft gehad van de voorgenomen (door)levering van de vier schepen aan Nederlandse commanditaire vennootschappen. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat [Senter] er van op de hoogte was dat er in de praktijk in voorkomende gevallen na korte tijd door een buitenlandse afnemer werd doorgeleverd aan een Nederlandse afnemer, doch er is geen enkel concreet bewijs dat [Senter] in dit concrete geval op de hoogte was van een voornemen daartoe. Integendeel, de getuige (getuige 1) heeft ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting onder ede bij herhaling verklaard, dat indien [Senter] op voorhand zou hebben geweten dat het de vooropgezette bedoeling was dat door de buitenlandse afnemer zou worden doorgeleverd aan een Nederlandse afnemer de aangevraagde subsidie niet zou zijn verleend.

ad c.

Uit de inhoud van de documenten D-017 Letter of Intent d.d. 19 maart 1998, D-003 Gespreksnotitie Matching Fonds d.d. 2 maart 1998, D-004 Fax op briefpapier van (naam 11) d.d. 16 april 1998, D-021b Verslag telefonische vergadering d.d. 10 juni 1998,

D-007 Telefaxbericht d.d. 18 mei 1998 met bijgevoegde gespreksnotities d.d. 15 mei 1998, D-178 Fax op briefpapier (naam 11) d.d. 19 maart 1998, in onderlinge samenhang bezien en in combinatie met de op 29 mei 2006 door (naam 12) bij de FIOD afgelegde verklaring V07-02 blijkt dat het reeds in het voorjaar van 1998 - dus ruim voor de vier koopcontracten (D-067) voor 464, 465, 466 en 467 tussen (naam 3) en (naam 1) - voor alle betrokkenen, waaronder verdachte, duidelijk was dat de vier door (naam 1) te bouwen schepen zouden worden verkocht en geleverd aan Nederlandse commanditaire vennootschappen. Voorts is gebleken dat aan dit voornemen uitvoering is gegeven door oprichting voor elk van de vier schepen van een commanditaire vennootschap en telkens een besloten vennootschap, die als beherend vennoot van de betreffende commanditaire vennootschap fungeerde, het actief werven van commanditaire vennoten (zowel reders als particulieren), het verantwoorden van het onderhanden werk gedurende de bouw van de schepen in de respectievelijke jaarrekeningen van de commanditaire vennootschappen. Derhalve is (naam 3) met betrekking tot de bouw en oplevering van die schepen nimmer de werkelijke contractspartner geweest en dienen alle documenten waarin (naam 3) als zodanig wordt genoemd dan wel aangeduid of waarin als zodanig aan (naam 3) wordt gerefereerd als vals te worden aangemerkt. Het tussenschuiven van (naam 3) heeft geen enkele andere betekenis gehad dan in verband met de aanvraag van subsidie uit het Matchingfonds ten opzichte van [Senter] het beeld te creëren dat er sprake was van een buitenlandse afnemer.

ad d.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de in de tenlastelegging genoemde periode betrekking heeft op de periode waarin de besloten vennootschap (naam 1). zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde gedragingen. Aan verdachte wordt verweten dat hij aan die gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. De periode waarin verdachte feitelijk leiding gegeven zou hebben, is in de tenlastelegging niet afzonderlijk genoemd. Dat hoeft ook niet. Indien komt vast te staan, dat verdachte in de periode waarin de besloten vennootschap zich aan strafbare gedragingen heeft schuldig heeft gemaakt, daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, kan tot een bewezenverklaring worden gekomen; ook als dat feitelijk leidinggeven slechts in een beperkt deel van die periode heeft plaatsgevonden.

Dat verdachte slechts in een beperkt deel van de ten laste gelegde periode feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen van de vennootschap, is een omstandigheid die van invloed zou kunnen zijn bij het bepalen van de strafmaat.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van oplichting, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,

strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

strafbaar gesteld bij artikel 225 juncto de artikelen 47en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

De verdediging heeft zich beroepen op rechtsdwaling, omdat verdachte zich met name als gevolg van de rol van het Ministerie van Economische Zaken, in het bijzonder van [Senter], in het kader van (de toepassing en uitvoering van) de Matchingfonds subsidieregeling onbewust was van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer moet falen enkel en alleen al om reden dat verdachte, door een selectie te maken van de aan [Senter] in het kader van de uitvoering van de subsidieregeling aan te leveren gegevens, geen volledige openheid van zaken heeft gegeven richting [Senter] over de voorgenomen en uitgevoerde levering.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Omtrent de gang van zaken rond de subsidieaanvraag en de toekenning daarvan, die aan de tenlastelegging ten grondslag ligt, overweegt de rechtbank, met het oog op de te hanteren strafmaat in algemene zin, het volgende:

De subsidie is afkomstig uit het Matchingfonds exportkredieten van het Ministerie van Economische Zaken.

Het betreft een subsidie die beoogt door overheden in andere landen geschapen kunstmatige

concurrentievoordelen weg te nemen.

Met name gaat het daarbij om in andere landen verstrekte rentesubsidies op leningen die voor de aanschaf van de betreffende kapitaalgoederen (in casu schepen) werden afgesloten. Het rentenadeel dat zonder subsidieverlening in Nederland zou worden geleden, wordt over de looptijd van de lening berekend op basis van contante waarde. Indien aan alle voorwaarden is voldaan wordt dit bedrag als subsidie toegekend en uitgekeerd.

Belangrijke voorwaarden daarbij zijn:

- De subsidieaanvraag moet gedaan worden voordat de overeenkomst tot levering van het schip en de financieringsovereenkomst gesloten zijn.

- Er moet een concurrerende offerte van een buitenlandse werf overgelegd worden.

- Het schip dient geleverd te worden aan een buiten Nederland gevestigde afnemer.

- De subsidie moet ten goede komen aan de verstrekker van de geldlening.

De regeling is politiek gevoelig omdat sprake is van een vorm van staatssteun die door internationale organisaties (OESO en EU) getoetst wordt aan de daarvoor geldende regels.

In de loop van de jaren zijn in dat verband een aantal aanpassingen in de voorwaarden aangebracht en is de regeling uiteindelijk opgeheven. Het instrument is in de jaren dat het gold, volgens een door deskundigen uitgebracht rapport (PWC), ingewikkeld geworden en op onderdelen fraudegevoelig.

De uitvoering van de regeling is door het Ministerie van Economische Zaken (EZ) gedelegeerd aan haar agent [Senter]

[Senter] trad hierbij op een actieve, creatieve wijze op. In de contacten met de subsidieaanvragers was men zoveel mogelijk behulpzaam in het toelichten van de regeling en de praktische wijze waarop aan uitvoering van de voorwaarden gevolg kon worden gegeven.

Het is de rechtbank duidelijk geworden dat daarbij spanning kon optreden tussen de gebruikelijke commerciële praktijk en de handelwijze die nodig was om voor subsidie in aanmerking te komen.

Met name met betrekking tot de aan [Senter] gepresenteerde financieringsovereenkomsten en buitenlandse concurrerende offertes is niet uit te sluiten dat in een aantal gevallen reeds van aanvang vast stond dat deze niet tot uitvoering zouden worden gebracht.

Niet gebleken is dat [Senter] weet heeft gehad van onoirbare praktijken bij subsidieaanvragers. Tegelijkertijd dient op grond van de door de getuige (getuige 1) afgelegde verklaring vastgesteld te worden dat het ambtelijke apparaat van [Senter] te gering in omvang was om uitgebreide controle op de juiste gang van zaken uit te oefenen. Voorts heeft de getuige (getuige 1) verklaard dat ten aanzien van het vereiste dat een schip geleverd diende te worden aan een in het buitenland gevestigde opdrachtgever, de controle van [Senter] zich niet verder uitstrekte dan de constatering dat een dergelijke levering had plaatsgevonden. Het volgen van hetgeen daarna met het schip gebeurde, viel buiten de taakopdracht van [Senter]. Ook doorlevering naar een in Nederland gevestigde onderneming, zelfs betrekkelijk kort na de oplevering, leidde, naar de opvatting van [Senter], niet tot de mogelijkheid van terugvordering van de subsidie. Hooguit gaf een dergelijke gang van zaken aanleiding tot plaatsing op een zogenaamde “zwarte lijst”.

Echter, met klem heeft getuige (getuige 1) verklaard dat subsidieverlening nimmer heeft plaats gevonden en ook nooit zou hebben plaats gevonden, indien [Senter] wist dat reeds van de aanvang af vaststond dat terstond na oplevering aan een buitenlandse onderneming, naar een Nederlandse onderneming zou worden doorgeleverd.

Uit het dossier is de rechtbank niet gebleken dat deze verklaring onjuist zou zijn.

Mogelijk heeft de actieve, creatieve en slechts globaal controlerende wijze van optreden van [Senter], bij belanghebbenden bij een subsidieaanvraag, de indruk doen ontstaan dat het voldoende was dat op papier aan de voorwaarden van de regeling was voldaan.

Een beroep op disculpatie uit dien hoofde kan, naar het oordeel van de rechtbank, uitsluitend overwogen worden indien door belanghebbenden alle feiten en omstandigheden die voor [Senter] van belang waren op het moment waarop de definitieve toekenning plaats vindt, aan [Senter] bekend gemaakt zijn, hetgeen in casu niet het geval is. De hiervoor geschetste gang van zaken rond de uitvoering van de subsidiemaatregel geeft de rechtbank echter wel aanleiding om de hoogte van de op te leggen straf te matigen.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij slechts in een beperkt deel van de ten laste gelegde periode als directeur van (naam 1) heeft gefunctioneerd. De rechtbank oordeelt echter dat het hier een periode betreft waarin de constructie is bedacht en uitgewerkt en dat verdachte daarbij namens (naam 1) een belangrijke initiërende rol heeft gehad. Daarbij heeft verdachte ook namens (naam 1) een aantal belangrijke documenten getekend, te weten het subsidie-aanvraagformulier en een 4-tal koopcontracten en heeft hij kandidaat-notaris (naam 13) gemachtigd bij de levering en overdacht van de (naam 4) door (naam 1) aan (naam 3). Hoewel de rechtbank ermee rekening houdt dat verdachte niet de gehele ten laste gelegde periode leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen van de (naam 1), dient aan de andere kant mee te wegen dat hij een ernstig te nemen rol in het geheel heeft gehad.

Voorts weegt de rechtbank mee dat het zeer oude feiten betreft en dat de verdachte niet eerder wegens enig strafbaar feit met justitie in aanraking is gekomen, laat staan wegens enig strafbaar feit is veroordeeld.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gelet op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 47.500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 272 dagen.

Van de geldboete zal een gedeelte, groot € 22.500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 147 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. A.J. Louter en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van A. Samson als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2010.