Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO1095

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
07.650149-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- diefstal in vereniging met geweld; bedreiging

-bewijs- en strafmaatoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnrs. : 07.650149-10 en 07.680101-10 (ter berechting gevoegd) (P)

Uitspraak : 31 augustus 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortedatum)

wonende te (adres)

thans verblijvende in (verblijfplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.S. ten Doesschate, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. G.C. Pol.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 17 augustus 2010 overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd.

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2010 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een winkel aan de (adres) heeft

weggenomen een tas met boodschappen, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan Spar (naam 1) en/of (slachtoffer 1), in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen (slachtoffer 1) en/of (slachtoffer 2), gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte en/of zijn mededader(s),

(toen die (slachtoffer 1) verdachte en/of zijn mededader bij de mouw van de jas had

vastgepakt, althans beide daders wilde vastpakken)

- (wild) om zich heen begon(nen) te slaan en/of weg probeerde(n) te draaien

en/of zich losrukte(n) (teneinde uit de greep van die (slachtoffer 1) te komen)

en/of (vervolgens)

- die (slachtoffer 1) een stoot met de elleboog heeft gegeven en/of (vervolgens)

- (toen verdachte door die (slachtoffer 1) en/of (slachtoffer 2) naar de grond was

gebracht) (krachtig) van zich af en/of om zich heen begon te

schoppen/trappen en/of (vervolgens)

- trachtte/probeerde een kopstoot te geven aan die (slachtoffer 2) en/of

(vervolgens)

- een trappende/schoppende beweging maakte in de richting van het hoofd

en/of het lichaam van die (slachtoffer 1);

2.

hij op of omstreeks 10 april 2010 te Zwolle (verbalisant), agent van de

Regiopolitie IJsselland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

voornoemde (verbalisant) dreigend de woorden toegevoegd :"Ik schiet je

kapot jongen” en/of “Ik zoek je wel op en ik steek je neer.", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

(680101-10.)

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft ter terechtzitting terzake deze feiten de veroordeling van verdachte gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, conform haar op schrift gestelde en aan de rechtbank overgelegde pleitnota, terzake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde -kort samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

- Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde kan alleen worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd zich los te rukken. De overige ten laste gelegde geweldshandelingen kunnen niet uit de bewijsmiddelen volgen. Het ‘zich losrukken’ is echter geen geweld zoals bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, waardoor slechts de diefstal bewezen kan worden verklaard. Daarbij kan tevens niet uit de bewijsmiddelen volgen dat er terzake het ten laste gelegde geweld sprake is geweest van medeplegen, te weten van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en (medeverdachte).

- Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Verdachte heeft tegenover de politie bedoeld te verklaren dat hij de verbalisant (verbalisant ) heeft beledigd, niet dat hij hem heeft bedreigd. Nu er zich in het dossier geen op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van (verbalisant ) maar slechts een door hem gedane aangifte bevindt, is er geen sprake van een uitzondering op de bewijsminima zoals bedoeld in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De enkele aangifte van (verbalisant ) is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. In het geval er zich wel een door (verbalisant ) op ambtseed opgemaakt proces-verbaal bij de stukken bevindt, dan kan de uitzondering op de bewijsminima zoals hiervoor bedoeld eveneens niet gelden. Aangezien (verbalisant ) onder invloed van zijn gevoelens ten opzichte van verdachte een verklaring heeft opgemaakt, kan daaraan niet zoveel objectieve en onafhankelijke waarde worden gehecht zoals dat kan aan een proces-verbaal dat door een niet-betrokken politieagent ambtsedig is opgemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het standpunt van de officier van justitie en hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd als volgt.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Bij de stukken bevinden zich voldoende bewijsmiddelen, te weten met name de verklaringen van (slachtoffer 1), (slachtoffer 2) en (getuige), waaruit het ten laste gelegde geweld kan worden afgeleid. Deze verklaringen zijn ook in onderling verband en samenhang bezien voldoende met elkaar in overeenstemming zodat op grond daarvan de ten laste gelegde geweldshandelingen bewezen kunnen worden verklaard. Niet bewezen is dat verdachte heeft getracht om (slachtoffer 2) een kopstoot uit te delen, nu, mede gezien de ontkenning van verdachte en het gebrek aan overig bewijs ter zake van dit punt, niet vast is komen te staan dat dit heeft plaatsgevonden.

Voor het ten laste gelegde medeplegen is vereist dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen degenen die het feit plegen en dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de delictueuze gedraging. Hierbij is niet vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede verrichten. Op grond van de stukken kan worden vastgesteld dat zowel verdachte als (medeverdachte) zich uit de greep van (slachtoffer 1) heeft losgerukt dan wel om zich heen heeft geslagen. Nu tevens is vast komen te staan dat (medeverdachte), op het moment dat verdachte door (slachtoffer 2) en (slachtoffer 1) in bedwang werd gehouden, in de richting van (slachtoffer 1) heeft geschopt teneinde verdachte uit de greep van (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2) te bevrijden, kan worden bewezen dat (medeverdachte), net als verdachte, de opzet heeft gehad om door middel van geweld ten eerste voor zichzelf en daarna voor verdachte de vlucht mogelijk te maken. Het ten laste gelegde medeplegen is derhalve bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De rechtbank stelt vast dat er zich in het dossier van politie een proces-verbaal bevindt, nr. PL0400 2010034128-2, betreffende de aanhouding van verdachte ter zake het onder 2 ten laste gelegde feit. Dit proces-verbaal is mede door (verbalisant ) op ambtseed opgemaakt en ondertekend en houdt onder meer in dat hij op 10 april 2010 door verdachte–kort gezegd- is bedreigd. Aan dit proces-verbaal kan in beginsel de bijzondere bewijskracht worden toegekend zoals bedoeld in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat verbalisant (verbalisant ) zelf benadeelde is ten aanzien van het feit dat verdachte wordt ten laste gelegd, doet daar niets aan af en rechtvaardigt evenmin de stelling dat dit proces-verbaal derhalve niet objectief en onafhankelijk zou zijn opgemaakt. Het feit is, mede gezien de verklaring van verdachte dat hij de desbetreffende verbalisant heeft bedreigd, bewezen. Dat verdachte heeft bedoeld te verklaren dat hij de verbalisant heeft beledigd en niet bedreigd, is mede in het licht van het hiervoor bedoelde proces-verbaal, niet aannemelijk geworden.

De rechtbank overweegt voorts, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Op 25 mei 2010 bevonden verdachte en (medeverdachte) zich in de Spar (slachtoffer 1) aan de (adres) te Zwolle. Verdachte en (medeverdachte) hielden een deel van hun boodschappen vast en een ander deel deden ze in een grote plastic tas. Verdachte en (medeverdachte) hadden de bedoeling om de spullen in de tas te stelen. Bij de kassa heeft verdachte de boodschappen die ze in de hand hadden gehouden op de band gelegd. (medeverdachte) is met de tas met boodschappen, zonder deze te betalen, de winkel uitgelopen.

De eigenaar van de winkel, (slachtoffer 1), is vervolgens naar (medeverdachte) toe gerend. (slachtoffer 1) heeft vervolgens tegen (medeverdachte) gezegd dat hij verdacht werd van diefstal en dat hij was aangehouden. Nadat (slachtoffer 1) (medeverdachte) had vastgepakt, begon (medeverdachte) om zich heen te slaan zodat (slachtoffer 1) de greep op hem verloor. Vervolgens is verdachte eveneens naar buiten gekomen en heeft de tas met boodschappen gepakt waarop (slachtoffer 1) tegen zowel (medeverdachte) als verdachte heeft gezegd dat zij waren aangehouden voor diefstal en dat ze mee moesten lopen naar de kantine. (slachtoffer 1) heeft daarbij geprobeerd hen beiden bij hun jas vast te pakken. Nadat zowel verdachte als (medeverdachte) had aangegeven niet mee te willen en zich allebei uit de greep van (slachtoffer 1) hadden gedraaid, probeerden verdachte en (medeverdachte) weg te komen. (slachtoffer 1) is toen verdachte achterna gegaan en heeft hem vastgepakt. Verdachte heeft vervolgens wild om zich heen geslagen en heeft geprobeerd zich los te rukken waardoor (slachtoffer 1) hem niet goed vast kon pakken. Verdachte heeft vervolgens een stoot met zijn elleboog tegen de schouder van (slachtoffer 1) gegeven. (slachtoffer 1) heeft hulp gekregen van de buurman, (slachtoffer 2). (slachtoffer 2) heeft verdachte door middel van een wurggreep op de grond gelegd. Verdachte heeft toen nog steeds geprobeerd los te komen door zijn armen los te krijgen en door te schoppen. (slachtoffer 1) heeft vervolgens de benen van verdachte stil proberen te houden. Toen (slachtoffer 1) de benen van verdachte in bedwang hield, is (medeverdachte) naar hem toe komen fietsen. Toen (medeverdachte) vlak bij (slachtoffer 1) was, heeft hij in de richting van het lichaam van (slachtoffer 1) geschopt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Op 10 april 2010 vond er een steekpartij plaats voor uitgaansgelegenheid (xxx) te Zwolle.

Toen verbalisant (verbalisant ), agent van de Regiopolitie IJsselland, de uitgaansgelegenheid via de achterzijde verliet om aldaar de ambulance op te vangen, stond daar een grote groep jongens, waaronder verdachte, bij de deur. Op het moment dat de ambulance bij (verbalisant ) stopte en het ambulancepersoneel het pand wilde betreden, werden zij gehinderd door de daar aanwezige groep jongeren. Op de sommeringen van (verbalisant ) om afstand te bewaren, begon deze groep nog harder te schreeuwen. De jongeren kwamen steeds dichter bij (verbalisant ) en het ambulancepersoneel en schreeuwden tegen hen. Op dat moment wees verdachte naar (verbalisant ) en schreeuwde daarbij tegen hem: “Ik schiet je kapot jongen” en “Ik zoek je wel op en steek je kapot”.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 mei 2010 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel aan de (adres) heeft weggenomen een tas met boodschappen, toebehorende aan Spar (naam), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2), gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader de

vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader, toen die (slachtoffer 1) verdachte en zijn mededader bij de mouw van de jas had vastgepakt,

- wild om zich heen begonnen te slaan en/of weg probeerden te draaien en/of zich losrukten teneinde uit de greep van die (slachtoffer 1) te komen en

- die (slachtoffer 1) een stoot met de elleboog heeft gegeven en

- toen verdachte door die (slachtoffer 2) naar de grond was gebracht krachtig van zich af en/of om zich heen begon te schoppen/trappen en

- een trappende/schoppende beweging maakte in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die (slachtoffer 1);

2.

hij op 10 april 2010 te Zwolle (verbalisant ), agent van de Regiopolitie IJsselland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (verbalisant ) dreigend de woorden toegevoegd :"Ik schiet je kapot jongen” en “Ik zoek je wel op en ik steek je neer.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Diefstal in vereniging, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf, de vlucht mogelijk te maken, strafbaar gesteld bij artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De raadsvrouw heeft zich terzake van het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de dader nu er sprake is van psychische overmacht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de bewoordingen tegen de verbalisant heeft geuit als gevolg van een psychische druk die hij ervoer vanwege zijn traumatische verleden in combinatie met het feit dat zijn vriend net was neergestoken, hij daar voor zijn gevoel mede debet aan was en hij door de desbetreffende verbalisant bij zijn neergestoken vriend is weggehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsvrouw gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Zowel uit de stukken als het verhandelde ter terechtzitting, waaronder verdachtes afgelegde verklaring ter zake van dit feit, is niet gebleken dat er sprake is geweest van een psychische dwang waar verdachte redelijkerwijs geen weerstand aan kon bieden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is nu gelet op de gehanteerde oriëntatiepunten bij een veelpleger voor een diefstal met geweld zoals de onderhavige 3 tot 4 maanden gevangenisstraf wordt opgelegd. Tevens heeft de verdediging de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte in het kader van een vordering tot tenuitvoerlegging 5 maanden gevangenisstraf dient te ondergaan.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij hij en zijn mededader ten opzichte van degenen die hen op heterdaad hebben betrapt geweld hebben gebruikt om weg te kunnen komen. Verdachte heeft hierdoor schade, overlast en ergernis aan de rechthebbenden bezorgd en heeft voorts een inbreuk op de lichamelijke integriteit gemaakt van degenen ten opzichte van wie hij gewelddadig is geweest.

Tevens heeft verdachte een politieambtenaar bedreigd terwijl deze politieambtenaar doende was om er voor te zorgen dat verdachtes neergestoken vriend de nodige hulp van het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel zou worden geboden. De politieambtenaar is door de geuite bedreigende woorden in zijn persoonlijke integriteit geschaad en in zijn gevoel voor veiligheid aangetast. De rechtbank overweegt in dit verband dat het van cruciaal belang is dat een politieambtenaar in een dergelijke situatie, waarbij een persoon levensbedreigend is gewond, zijn werkzaamheden onbelemmerd moet kunnen uitoefenen en zich in de uitoefening van zijn werkzaamheden niet bedacht hoeft te zijn op verbaal geweld. Dat verdachte emotioneel was omdat het slachtoffer een vriend betrof, kan en mag geen enkele rechtvaardiging vormen voor de door hem geuite bedreigingen.

Blijkens verdachtes justitiële documentatie d.d. 26 mei 2010 is verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking geweest. Verdachte is in april 2009 terzake een overval tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht veroordeeld. Omdat verdachte nadien de bij deze voorwaardelijke straf gestelde voorwaarden, waaronder het verplichte reclasseringstoezicht, niet is nagekomen, is bij vonnis van 16 april 2010 beslist dat deze voorwaardelijke straf ten uitvoer zal worden gelegd. Gezien deze omstandigheid en het feit dat verdachte in de onderhavige zaak aan de opmaak van reclasseringsrapportage zijn medewerking niet heeft willen verlenen, zijn er geen aanknopingspunten aanwezig om de reclassering in deze zaak te betrekken. De verdediging heeft ter zitting dan wel aangevoerd dat verdachte graag hulp wil, verdachte heeft de kansen die hem op dat gebied zijn aangeboden afgeslagen. Met name nu er blijkens het rapport van de reclassering van 8 juni 2010 een ernstige gedragsstoornis bij verdachte is geconstateerd en de kans op recidive hoog wordt ingeschat, zijn er veel zorgen omtrent verdachtes toekomst en over de vraag of verdachte wel op het rechte pad zou kunnen blijven. De rechtbank zal derhalve naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tevens een voorwaardelijke straf opleggen in de hoop dat deze straf verdachte zal motiveren zijn leven te beteren en hem er van zal weerhouden om zich weer aan strafbare feiten schuldig te maken. Wat betreft de onvoorwaardelijk op te leggen straf is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie, mede gelet op de gehanteerde oriëntatiepunten, te fors is. De rechtbank zal derhalve een gevangenisstraf van kortere duur opleggen, maar die naar het oordeel van de rechtbank wel aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder verdachte deze heeft gepleegd, maar ook aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte, recht doet. Het feit dat verdachte de eerder bedoelde voorwaardelijke straf die hem in april 2009 is opgelegd, alsnog moet uitzitten, heeft verdachte aan zichzelf te wijten en kan derhalve niet strafverlagend werken.

Alles overwegende acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 3 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en J.W.M. Bunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2010.

Mr. Martini voornoemd was niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.