Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BO0966

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
07/400153-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- diefstallen dmv braak, meermalen gepleegd

- partiële gemotiveerde vrijspraak

- bewijs- en strafmaatoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.400153-09 (P)

Uitspraak: 12 augustus 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010 en 29 juli 2010 te Zwolle.

De verdachte is ter terechtzitting van 15 juni 2010 en 29 juli 2010 telkens niet verschenen. Namens verdachte was telkens aanwezig mr. W.P. Maris, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was telkens aanwezig mr. G.C. Pol.

TENLASTELEGGING

De verdachte is na een ter terechtzitting toegestane wijziging ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 20 op 21 oktober 2008 in de gemeente Zwolle

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een horecabedrijf aan de

(straat) heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 1), in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de nacht van 10 op 11 april 2009 in de gemeente Zwolle

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een horecabedrijf aan de

(straat), heeft weggenomen geld, geheel of ten dele

toebehorende aan (slachtoffer 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 22 april 2009 in de gemeente Zwolle tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de (straat) heeft

weggenomen een tas, één of meer portemonnees, één of meer (bank)pasjes, één of

meer identiteitskaarten, (auto)sleutels, een laptop, een webcam in elk geval

enig goed, -respectievelijk- geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 2)

en/of (slachtoffer 3), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 22 april 2009 in de gemeente Zwolle tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening vanaf de oprit van perceel (straat) heeft

weggenomen een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan (slachtoffer 2) en/of (slachtoffer 3), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 17 mei 2009 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een snackbar aan de (straat) heeft weggenomen een muntkoker,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan café (xxxx),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks de periode 15 mei 2009 tot en met 17 mei 2009 in de gemeente

Zwolle tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf de (straat)

heeft weggenomen een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 4), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

de weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 12 mei 2009 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een fietsenwinkel aan de (straat) heeft weggenomen

één of meer fietsen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan (slachtoffer 5), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

8.

hij in of omstreeks de periode van 03 april 2009 tot en met 06 april 2009 in

de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning

aan de (straat) heeft weggenomen een paar schoenen, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 6), in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

9.

hij in of omstreeks de periode van 03 april 2009 tot en met 07 april 2009 in

de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een aquarium, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 6), in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

10.

hij op of omstreeks 31 januari 2009 in de gemeente Zwolle opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer 7)), een kopstoot in het gezicht,

althans tegen het hoofd heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden; (parketnummer 07/400113-09)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Weliswaar ontkent verdachte dat hij dit feit heeft gepleegd, echter de inbraak in de nacht van 10 op 11 april 2009 in hetzelfde café heeft verdachte bekend (deze inbraak is ten laste gelegd onder 2). Verdachte heeft verklaard dat hij de inbraak zoals onder 2 ten laste gelegd heeft gepleegd samen met (medeverdachte) (hierna (medeverdachte)). (medeverdachte) heeft op zijn beurt verklaard hij samen met verdachte zowel in de nacht van 10 op 11 april 2009 als in de nacht van 20 op 21 oktober 2008 in café (xxxxx) heeft ingebroken. De gehanteerde werkwijze is bij beide inbraken gelijk. Gezien de aangifte van (slachtoffer 1), de verklaring van (medeverdachte), de overeenkomst in werkwijze tussen het ten laste gelegde onder 1 en 2, in samenhang met de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 maakt dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 feit heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1. Verdachte ontkent dat hij het feit gepleegd heeft. De verklaring van (medeverdachte) is ongeloofwaardig, hij probeert zijn zoon buiten schot te houden. Gezien de samenhang met het ten laste gelegde onder 2 dient opgemerkt te worden dat uit de gemaakte video-opnamen niet blijkt dat verdachte aanwezig was bij de inbraak in de nacht van 10 op 11 april 2009, slechts de stemmen van (medeverdachte) en zijn zoon (naam) zijn herkend. Overigens blijkt niet van betrokkenheid van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

(medeverdachte) verklaart dat hij de inbraken, zoals ten laste is gelegd onder 1 en 2, heeft gepleegd samen met verdachte. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 heeft verdachte echter elke betrokkenheid ontkend. De gehanteerde werkwijze van de inbraak zoals ten laste gelegd onder 1 komt naar oordeel van de rechtbank duidelijk overeen met de werkwijze van de inbraak zoals ten laste gelegd onder 2.

Gezien het feit dat (medeverdachte) bekent dat hij beide inbraken heeft gepleegd, valt niet uit te sluiten dat de gehanteerde werkwijze is toe te schrijven aan deze (medeverdachte). Nu verdachte elke betrokkenheid bij de inbraak in café (xxxxx) in de nacht van 20 op 21 oktober ontkent en zijn betrokkenheid niet blijkt uit ander bewijs dan de verklaring van (medeverdachte), is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 1 heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 2 heeft begaan. Uit de aangifte van (aangever 8) blijkt dat in de nacht van 10 op 11 april 2009 ingebroken is in Café (xxxxx) aan de (straat) te Zwolle. Verdachte heeft, na allereerst te hebben ontkend, verklaard dat hij in de nacht van 10 op 11 april 2009 samen met (medeverdachte) heeft ingebroken in Café (xxxxx). Ook (medeverdachte) verklaart dat hij met verdachte deze inbraak heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde onder 2. Weliswaar heeft verdachte de inbraak op enig moment bekend, echter deze verklaring heeft verdachte ook weer ingetrokken. Verdachte heeft bekend dat hij betrokken is geweest bij de inbraak om (naam), de zoon van (medeverdachte), uit de wind te houden. Op het moment echter dat verdachte hoort dat (naam) bij meerdere delicten betrokken is geweest, heeft het voor verdachte ook geen zin meer deze (naam) uit de wind te houden. Verdachte ontkent dat hij de inbraak samen met (medeverdachte) heeft gepleegd. (medeverdachte) heeft dit samen met zijn zoon (naam) gedaan, dit blijkt ook uit de verklaring van benadeelde (slachtoffer 1). Hij heeft samen met een werknemer, te weten (getuige), de video-opname van de inbraak bekeken. Hierop was niets te zien maar wel te horen. (getuige) verklaart dat hij de stemmen van (medeverdachte) en (naam) heeft gehoord. (medeverdachte) heeft weliswaar verklaard dat hij samen met verdachte de inbraak heeft gepleegd, maar hij verklaart hierbij niet over de aanwezigheid van (naam). Blijkbaar probeert hij inderdaad zijn zoon (naam) buiten schot te houden, hiermee is de verklaring van (medeverdachte) ongeloofwaardig. Nu overigens niet blijkt van betrokkenheid van verdachte bij de inbraak in de nacht van 10 op 11 april 2009, dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het volgende.

Op zaterdag 11 april doet (aangever 8) namens eigenaar (slachtoffer 1) aangifte van een inbraak in café (xxxxx) aan de (adres) te Zwolle. Er zijn twee vuilcontainers voor het raam gezet, daar achter is de ruit ingegooid. Via de kapot gegooide ruit is men het café binnen gegaan. In het café staan twee gokkasten welke aan de zijkanten zijn opengebroken. Het geld dat in de gokkasten zat is weggenomen. Het is niet bekend hoeveel geld in de gokkasten aanwezig was. Uit de bij de aangifte behorende goederenbijlage blijkt dat een onbekende hoeveelheid geld wordt vermist.

Op 25 mei 2009 heeft (medeverdachte) verklaard dat hij eind 2008 met verdachte heeft ingebroken in café (xxxxx). (medeverdachte) en verdachte gingen lopend vanaf het huis van verdachte ’s nachts naar het café. Door de daar staande metalen container met kracht tegen de ruit aan de zijkant aan te drukken ging het raam stuk. Vervolgens hebben ze het gat groter gemaakt. Bij het binnengaan van het café hebben ze een metalen container voor het raam geplaatst zodat het gat in het raam niet zou opvallen. (medeverdachte) verklaart dat hij en verdachte dat vorige maand (de rechtbank begrijpt april 2009) eveneens zo hebben gedaan. Toen ze binnen waren zijn ze naar de ruimte gelopen waar de gokkasten staan. Met schroevendraaiers hebben ze samen de gokkasten opengebroken en het muntgeld weggenomen. Specifiek gevraagd naar de inbraak in café (xxxxx) van 10 op 11 april 2009, bekent (medeverdachte) deze inbraak met verdachte gepleegd te hebben.

Op 22 juni 2009 verklaart verdachte dat hij rond 10 en 11 april 2009 samen met (medeverdachte) een inbraak heeft gepleegd in café (xxxxx). Verdachte en (medeverdachte) zijn lopend naar het café gegaan. Voor het café stond een metalen container. Samen hebben verdachte en (medeverdachte) deze container tegen de ruit van het café gedrukt waardoor het raam stuk ging. Het gat hebben ze snel wat groter gemaakt zodat ze naar binnen konden. Ze zijn naar de gokkasten gelopen en met behulp van een paar schroevendraaiers hebben verdachte en (medeverdachte) de gokkasten open gebroken en de buizen met muntgeld geleegd.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van verdachte en (medeverdachte) overeenkomen. Het standpunt van de verdediging dat verdachte zijn verklaring later heeft ingetrokken, is niet onderbouwd en tevens blijkt dit niet uit het procesdossier. Nu de bekennende verklaring van verdachte overeenkomt met de verklaring van (medeverdachte) en tevens aangifte is gedaan van de inbraak in café (xxxxx) in de nacht van 10 op 11 april 2009, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 2 heeft gepleegd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3 en 4

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 3 en 4 heeft gepleegd. Op 22 april 2009 doet (slachtoffer 2), mede namens haar man (slachtoffer 3), aangifte van inbraak in hun woning. Bij deze inbraak zijn verschillende goederen ontvreemd. Tevens is de auto, die voor het huis stond geparkeerd, met behulp van de bij de diefstal buitgemaakte autosleutel, meegenomen. De inbraak heeft in de nacht van 21 op 22 april 2009 plaatsgevonden. De technische recherche heeft werktuigsporen onderzocht welke in de woning van (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) zijn aangetroffen. Deze werktuigsporen komen zeer waarschijnlijk overeen met een schroevendraaier die later onder verdachte in beslag is genomen. Tevens is de auto, die voor het huis van (slachtoffer 3) en (slachtoffer 2) ontvreemd is, teruggevonden in Ewijk. Uit CIE informatie is gebleken dat verdachte in Ewijk een gestolen auto heeft neergezet, deze informatie blijkt dus te kloppen. De ex-vriendin van verdachte heeft verklaard dat zij met verdachte in een grote grijze gezinsauto naar Ewijk is gereden, naar een kameraad van verdachte. De auto is daar in de buurt blijven staan volgens deze (getuige 2). De verklaring van (getuige 2) is betrouwbaar voor zover er voldoende steunbewijs aanwezig is. Gezien de aangifte, de verklaring van (getuige 2), het aantreffen van de auto in Ewijk en het feit dat werktuigsporen overeenkomen met een onder verdachte aangetroffen schroevendraaier, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft ingebroken in de woning van (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) (ten laste gelegd onder 3) en daarbij tevens de auto van (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) heeft gestolen met behulp van een valse sleutel (ten laste gelegd onder 4).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij deze inbraak, ook zijn er geen goederen aangetroffen bij verdachte. Het klopt dat de auto in Ewijk is aangetroffen, maar (medeverdachte) kwam ook in Ewijk.

De verklaring van (getuige 2) is niet betrouwbaar. (getuige 2) is de ex-partner van verdachte en is erg rancuneus richting hem. Zij zet de waarheid graag naar haar hand. Verdachte lijkt de dupe te worden van verklaringen die deze (getuige 2) heeft afgelegd. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 is onvoldoende bewijs en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen zijn en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Verdachte heeft stellig ontkend dat hij betrokken is geweest bij de inbraak in de woning van (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3). Door het team Forensische Opsporing is onderzoek verricht naar werktuigsporen die in het onderzoek naar de inbraak zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het aangetroffen werktuigspoor AABM8559NL zeer waarschijnlijk overeenkomt met een schroevendraaier, gewaarmerkt met AACC6809NL. Blijkens hetzelfde proces-verbaal van bevindingen is voornoemde schroevendraaier in beslag genomen onder een aangehouden verdachte, waarbij wordt verwezen naar een proces-verbaal (bps 09-040042).

De rechtbank overweegt dat uit het procesdossier blijkt dat bij de aanhouding van verdachte een aantal goederen in beslag is genomen, waaronder in elk geval ook meerdere schroevendraaiers. Echter, uit de kennisgeving van inbeslagname blijkt op geen enkele wijze dat een van de aangetroffen schroevendraaiers is gewaarmerkt met AACC6809NL. De rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende duidelijk is dat een schroevendraaier is onderzocht welke onder verdachte in beslag is genomen. Voorts overweegt de rechtbank dat ook overigens niet is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak in de woning van (slachtoffer 2)/(slachtoffer 3). Verdachtes betrokkenheid bij het onder 3 ten laste gelegde feit is naar oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit de verklaring van (getuige 2) en het aantreffen van de gestolen Toyota Avensis van (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) weliswaar kan volgen dat verdachte en (getuige 2) in deze auto naar Ewijk zijn gereden. Echter enkel uit de vaststelling dat verdachte met deze gestolen auto naar Ewijk is gereden kan nog niet volgen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de desbetreffende auto.

Uit de aangifte van (slachtoffer 2)/(slachtoffer 3) volgt dat de Toyota Avensis is gestolen in de nacht van 21 op 22 april 2009. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat op 29 april 2010, na CIE-informatie, de gestolen Toyota Avensis in Ewijk is teruggevonden. De rechtbank overweegt voorts dat (getuige 2) verklaart dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij de auto heeft geleend van een bekende. Naar het oordeel van de rechtbank is niet uitgesloten dat verdachte een auto heeft geleend, welke op een later tijdstip de gestolen auto van (slachtoffer 2)/(slachtoffer 3) blijkt te zijn. Mede gezien het tijdsverloop tussen het moment dat de auto is gestolen en het moment dat hij wordt aangetroffen in Ewijk is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 4 heeft gepleegd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 5 en 6

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 5 en 6 heeft gepleegd. Uit de onderlinge samenhang van beide delicten volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de auto van (slachtoffer 4), welke auto is gebruikt bij de ramkraak van café (xxxx). Bij deze ramkraak zijn gokkasten in het café opengebroken en het geld is eruit gehaald. In de gestolen auto is bloed van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen over het aantreffen van zijn DNA in de auto.

Dat de auto is gebruikt bij de ramkraak blijkt uit het feit dat in (xxxx) delen van een achterlicht werden gevonden welke precies passen in het beschadigde achterlicht van de auto. Voorts is sprake van verse schade aan de auto, zonder een vorm van corrosie terwijl het vochtig weer was. Naast de auto wordt een zestal twee-euro munten gevonden, hetgeen kan passen bij het gegeven dat muntgeld uit gokkasten is weggenomen.

(getuige 2) heeft verklaard dat verdachte zelf tegen haar heeft gezegd dat hij bij een café aan (xxx) te Zwolle een ramkraak heeft gepleegd, waarbij hij met een auto door de gevel is gereden.

Uit de onderlinge samenhang van de beide feiten volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zowel de diefstal van de auto (ten laste gelegd onder 6) en het plegen van de ramkraak bij café (xxx) (ten laste gelegd onder 5).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 5 en 6 ten laste gelegde feit. Het feit dat een bepaalde gestolen auto is gebruikt bij een delict, wil nog niet zeggen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit delict of aan de diefstal van deze auto. De verklaring van (getuige 2) is onbetrouwbaar omdat zij de rancuneuze ex-partner van verdachte is. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich aan één van beide of beide delicten schuldig heeft gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. Het ten laste gelegde onder 6 is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ramkraak (xxxxx)

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het volgende.

Op 17 mei 2009 wordt door (aangever 9) aangifte gedaan van een diefstal met braak in het pand (adres) te Zwolle, alwaar gevestigd is café (xxx). De inbraak heeft plaatsgevonden in de nacht van 16 op 17 mei 2009. Uit de bij de aangifte behorende goederenbijlage blijkt dat een muntkoker uit een gokkast is weggenomen.

(getuige 2) verklaart dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij ingebroken heeft in een bar op de (adres). Verdachte vertelde dat hij met een auto door de voorgevel gereden was. (getuige 2) herinnert zich dat het iets te maken had met het leeghalen van gokkasten.

Uit het sporenonderzoek dat door de technische recherche is uitgevoerd, blijkt dat een Ford Escort (kenteken xx-xx-xx) gebruikt is bij de ramkraak van Café (xxxx) aan de (adres) te Zwolle. De bij het café gevonden delen van een achterlicht van een auto blijken precies te passen in de achterlichten van de betreffende auto. Dit blijkt ook uit de foto’s die bij het onderzoek zijn bijgevoegd.

In de Ford Escort met het kenteken (xx-xx-xx) is bloed aangetroffen. Het aangetroffen bloed is onderzocht en het DNA blijkt overeen te komen met DNA-profielcluster 8355, welk profielcluster behoort bij verdachte. De kans dat een willekeurig ander persoon ditzelfde DNA-profiel heeft, is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Weliswaar heeft verdachte ontkend dat hij heeft ingebroken in café (xxx), echter verdachte heeft geen verklaring afgelegd over het aantreffen van DNA in de bij de ramkraak gebruikte auto. Nu (getuige 2) verklaart dat verdachte zelf tegen haar heeft gezegd dat hij de ramkraak heeft gepleegd, terwijl zijn DNA is aangetroffen in de auto die bij de ramkraak is gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte het ten laste gelegde onder 5 tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Weliswaar kan uit de verklaring van (getuige 2) volgen dat verdachte de ramkraak tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, echter dit gedeelte van de verklaring van (getuige 2) wordt niet ondersteund door enig ander bewijs.

Diefstal Ford Escort

Ten aanzien van de diefstal van de bij de ramkraak gebruikte Ford Escort (ten laste gelegd onder 6) overweegt de rechtbank als volgt.

Op 17 mei 2009 doet (slachtoffer 4) aangifte van diefstal van zijn Ford Escort met het kenteken (xx-xx-xx). Uit de aangifte blijkt dat de auto is ontvreemd in de periode gelegen tussen 15 mei 2009 te 19:30 uur en 17 mei 2009.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt reeds dat verdachte de Ford Escort van (slachtoffer 4) heeft gebruikt voor het plegen van de ramkraak bij café (xxxx). Dit enkele feit rechtvaardigt echter nog niet de gevolgtrekking dat verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van deze auto. Gezien de aangifte van (slachtoffer 4) is het mogelijk dat de Ford Escort op 15 mei 2009 is gestolen terwijl de ramkraak op café (xxxxx) pas in de nacht van 16 op 17 mei is gepleegd. Naar oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat iemand anders dan verdachte de Ford Escort heeft gestolen en dat verdachte slechts gebruik heeft gemaakt van deze gestolen auto.

Nu verdachte niet door enig ander bewijs in verband wordt gebracht met de diefstal van de Ford Escort, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder 6, en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 7

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van het ten laste gelegde onder 7 vrij te spreken. De verklaring van (getuige 2) wordt onvoldoende ondersteund door ander bewijs. Andere belastende verklaringen zijn allemaal ‘van horen zeggen’ en zijn onvoldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde onder 7. De verklaring van (getuige 2) staat op zich en wordt niet ondersteund door ander bewijs. Het is niet eenvoudig om 21 fietsen zomaar weg te stoppen en uit niets blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de fietsen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 7 heeft gepleegd. De verklaring van (getuige 2) wordt niet ondersteund door ander bewijs terwijl de overige verklaringen slechts ‘van horen zeggen’ zijn. Verdachte zal van het ten laste gelegde onder 7 worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 8 en 9

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 8 en 9 heeft gepleegd. Uit de verklaring van (getuige 3) blijkt dat zij met verdachte en (getuige 4) naar binnen is gegaan. (getuige 4) verklaart dat verdachte naar binnen is gegaan, nadat hij de deur heeft ingetrapt, en dat verdachte vervolgens spullen heeft meegenomen en ook spullen kapot heeft gemaakt.

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de woning is geweest om te kijken waar de lekkage vandaan kwam maar volgens hem heeft (getuige 4) de deur ingetrapt. Uit verschillende processen-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte de deur heeft ingetrapt. Het verhaal van verdachte is niet geloofwaardig. De verschillende verklaringen zijn voldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen middels braak schoenen heeft weggenomen uit de woning aan de (adres) te Zwolle (ten laste gelegd onder 8).

Verdachte heeft tevens het aquarium omgegooid en beschadigd, zo blijkt uit verschillende daarover afgelegde verklaringen. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 9 heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft verteld over wat er precies gebeurd is. Over de vraag of verdachte de deur ingetrapt heeft of niet, hoeft niet gediscussieerd te worden omdat dit voldoende blijkt uit de verschillende verklaringen die hierover zijn afgelegd. De reden was dat bij de woning van (getuige 4) water door het plafond kwam en dat verdachte wilde weten waar dat water vandaan kwam. Vervolgens treft verdachte in de woning het aquarium op de grond aan waarna hij de woningbouwvereniging heeft gebeld.

Wanneer (getuige 4) wordt gehoord verklaart deze heel anders, hij legt echter steeds wisselende verklaringen af. Ook (getuige 3), de vriendin van (getuige 4), wordt gehoord. Zij is maar even boven geweest en haar verklaring is niet overtuigend.

Volgens de tenlastelegging gaat het om de diefstal van een paar Nike sportschoenen. Als verdachte wordt aangehouden heeft hij toevallig soortgelijke schoenen aan, maar het is niet bewezen dat het dezelfde schoenen zijn. Het kan heel goed zijn dat aangever soortgelijke schoenen had en wellicht ook dat hij deze nu mist, echter niet bewezen kan worden dat verdachte deze heeft meegenomen, alleen dat verdachte in de woning aanwezig is geweest. Niet bewezen kan worden dat verdachte het aquarium heeft omgegooid of dat hij de schoenen van aangever (aangever 10) heeft meegenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn. De rechtbank overweegt hiertoe op grond van het volgende.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 8 (diefstal met braak)

Op 7 april 2009 doet (slachtoffer 6) aangifte van diefstal van een paar schoenen uit zijn woning aan de (adres) te Zwolle, gepleegd tussen 3 april 2009 en 7 april 2009. De voordeur van zijn woning is ingetrapt om de woning binnen te komen. Uit de bij de aangifte behorende goederenlijst blijkt dat aangever (aangever 10) een paar schoenen mist.

Door wijkagent (naam) wordt op 6 april 2009 geconstateerd dat de toegangsdeur van perceel (adres) geopend is en dat er een gat in de deur zit ter hoogte van de deurklink. (naam) wordt hierover gebeld door (naam 2) van de woningbouw vereniging. Het gat in de deur is op het moment dat (naam) met (naam 2) bij het perceel aankomt reeds afgedicht door de woningbouwvereniging. Door de bewoner van het pand beneden deze woning, (getuige 4), wordt verklaard dat verdachte de deur ingetrapt heeft.

Verdachte heeft op 21 juli 2009 een verklaring afgelegd. Hij verklaart dat de deur van de woning (adres) is ingetrapt door (getuige 4). Verdachte zelf is wel in de woning geweest, hij is met (getuige 4) naar boven gegaan en is toen weer naar beneden gegaan. Hij en (getuige 4) zijn naar de woning gegaan om te kijken waar de lekkage in de woning van (getuige 4), die onder (adres) woont, vandaan komt. Verdachte verklaart dat hij niets heeft meegenomen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen dat na het verhoor van verdachte is opgemaakt, blijkt dat verdachte na het verhoor tegen de verbalisanten heeft gezegd dat de schoenen van (aangever 10) door (getuige 4) uit het pand (adres) zijn weggenomen. Verdachte heeft deze verklaring niet willen ondertekenen omdat hij – naar eigen zeggen – geen verrader wilde zijn.

(getuige 4) ontkent dat hij met verdachte de woning is ingegaan. Volgens (getuige 4) zijn verdachte en (getuige 3) de woning binnengegaan en heeft verdachte daaraan voorafgaand de deur ingetrapt. Wanneer (getuige 4) wordt geconfronteerd met de verklaring van verdachte dat (getuige 4) schoenen meegenomen zou hebben uit de woning van (aangever 10), verklaart (getuige 4) dat verdachte deze schoenen, samen met (getuige 3), heeft meegenomen uit de woning van (aangever 10).

(getuige 3) verklaart dat zij, met (getuige 4) en verdachte, de woning van (aangever 10) binnen is gegaan. Wanneer (getuige 3) naar beneden gaat en vervolgens verdachte ook weer naar beneden ziet komen, ziet zij dat verdachte schoenen, DVD’s en spelletjes uit de woning van (aangever 10) heeft meegenomen. Verdachte heeft zwart met (naam) schoenen van het merk Nike meegenomen uit de woning van (aangever 10).

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van (getuige 4), (getuige 3) en verdachte inhoudelijk van elkaar verschillen. De rechtbank overweegt dat ieder klaarblijkelijk een eigen aandeel ontkent en dat men elkaar beschuldigt van het meenemen van schoenen. De rechtbank stelt vast dat de drie verklaringen met elkaar gemeenschappelijk hebben dát er schoenen zijn weggenomen uit de woning van (aangever 10). Dit wordt ondersteund door de aangifte van (aangever 10), waaruit blijkt dat hij een paar schoenen mist.

Gezien de verklaringen van verdachte en (getuige 3) zijn (getuige 4), (getuige 3) en verdachte alle drie in de woning van (aangever 10) geweest, meteen nadat de deur is ingetrapt. Door de rechtbank is niet vast te stellen wie van de drie de schoenen van (aangever 10) heeft meegenomen, echter naar oordeel van de rechtbank is tussen verdachte, (getuige 4) en (getuige 3) sprake van een dusdanige samenwerking dat, daargelaten wie de schoenen heeft meegenomen, de schoenen tezamen en in vereniging zijn meegenomen. Weliswaar ontkent ieder op zijn beurt iets uit de woning meegenomen te hebben, echter uit geen van de verklaringen van verdachte, (getuige 4) of (getuige 3) blijkt van een afwijzende houding ten opzichte van het meenemen van eigendommen van (aangever 10). Hieruit volgt naar oordeel van de rechtbank dat verdachte en zijn mededaders opzet hebben gehad op het meenemen van de schoenen van (aangever 10). Het standpunt van de verdediging dat niet is gebleken dat de schoenen van (aangever 10) onder verdachte in beslag zijn genomen, doet hier niets aan af. Immers niet valt uit te sluiten dat iemand anders dan verdachte de schoenen van (aangever 10) heeft meegenomen en dat verdachte, bij toeval, soortgelijke schoenen heeft of heeft gehad als de schoenen van (aangever 10).

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft ingebroken in de woning van (aangever 10) en diens schoenen heeft meegenomen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 8 is ten laste gelegd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 9 (vernieling aquarium)

Op 7 april 2009 doet (slachtoffer 6) aangifte van inbraak en vernieling in zijn woning aan de (adres) in de periode van 3 april 2009 tot en met 7 april 2009. (aangever 10) verklaart dat hij op de telefoon van (naam 3) heeft gezien welke schade aan zijn woning is aangericht. Daarbij heeft hij ook gezien dat zijn aquarium omgegooid was.

Wijkagent (naam) vermeldt in zijn proces-verbaal van bevindingen dat hij in de woning aan de (adres) heeft geconstateerd dat een glazen aquarium van (slachtoffer 6) op de grond ligt.

Verdachte heeft bekend dat hij in de woning van (slachtoffer 6) aanwezig is geweest. Hij heeft samen met (getuige 4) de deur ingetrapt om te kijken of er lekkage was. Hij heeft gezien dat er een aquarium op de grond lag en het hele huis onder water stond. Volgens verdachte heeft de bewoner van het pand, (slachtoffer 6), expres het aquarium omgegooid zodat er waterschade zou ontstaan bij de benedenburen.

(getuige 4) verklaart op 29 juli 2009 dat verdachte de deur van de (adres) heeft ingetrapt en de boel ondersteboven heeft gegooid. Hierbij heeft hij een aquarium omgegooid. Dit is gebeurd toen zijn vriendin (getuige 3) erbij was.

(getuige 3) verklaart dat verdachte het aquarium heeft omgeschopt, zij heeft dat zelf zien gebeuren.

Aan de verklaring van verdachte dat hij de deur van de woning aan de (adres) heeft ingetrapt om te kijken waar de lekkage vandaan kwam zodat de lekkage gestopt kon worden, hecht de rechtbank geen geloof. De rechtbank is, gezien de aangifte van (aangever 10), de verklaring van (getuige 4) en de verklaring van (getuige 3) tot de overtuiging gekomen dat verdachte de woning is binnen gegaan en vernielingen heeft aangericht. Hierbij heeft verdachte het aquarium omgegooid en zodoende het aquarium beschadigd. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 9 heeft gepleegd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 10

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 10 heeft gepleegd. (slachtoffer 7) heeft aangifte gedaan van mishandeling en verklaart dat verdachte hem een kopstoot heeft gegeven. Tevens zit er een foto van het letsel in het dossier. Er is een snee en een verdikking zichtbaar op de neus, zodoende is sprake van letsel wat bij een kopstoot kan passen. Het voorgaande in samenhang met de verklaring van (getuige 2) maakt dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 10 heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 10 ten laste gelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij (slachtoffer 7) een duw heeft gegeven. (slachtoffer 7) was onder invloed van alcohol en drugs en kwam op verdachte af, daarom heeft verdachte hem een duw gegeven. Voor het geven van een kopstoot is geen bewijs. Er heeft wel iets plaatsgevonden, maar (slachtoffer 7) was daar zelf de oorzaak van, hij is zelf ook geen lieverdje. Nu het geven van een kopstoot niet bewezen is dient verdachte vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde onder 10.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 10 heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe op grond van het volgende.

Weliswaar heeft (slachtoffer 7) aangifte gedaan van mishandeling door verdachte, verdachte zou hem een kopstoot hebben gegeven, echter er zijn geen getuigen die het verhaal van aangever kunnen bevestigen. Verdachte ontkent dat hij aangever een kopstoot heeft gegeven. Wel zijn er woorden gevallen en heeft hij aangever een duw gegeven. (getuige 2) verklaart dat zij niets heeft gezien van een mishandeling of iets dergelijks, zodat zij niet kan bevestigen dat verdachte een kopstoot heeft gegeven aan (slachtoffer 7).

In het procesdossier zit een foto van de neus van (slachtoffer 7), met een zichtbare snee over die neus. Weliswaar zou dergelijk letsel bij een kopstoot kunnen passen, echter de rechtbank overweegt dat, nu geen medisch rapport is opgesteld, niet duidelijk is wanneer het letsel is ontstaan of op welke manier. Dit laat, naar het oordeel van de rechtbank, de mogelijkheid open dat het letsel bij een andere gelegenheid is ontstaan of ten gevolge van iets anders dan een kopstoot.

Nu verdachte ontkent, het letsel niet direct aan verdachte toegeschreven kan worden en overigens de aangifte van (slachtoffer 7) niet ondersteund wordt door enig ander bewijsmiddel, is het ten laste gelegde onder 10 niet wettig en overtuigend bewezen en zal de rechtbank de verdachte daarvan vrijspreken.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2, 5, 8 en 9 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

2.

hij in de nacht van 10 op 11 april 2009 in de gemeente Zwolle

tezamen en in vereniging met een ander, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een horecabedrijf aan de

(adres), heeft weggenomen geld, toebehorende aan (slachtoffer 1) waarbij verdachte en zijn mededader

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en

het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht

door middel van braak.

5.

hij omstreeks 17 mei 2009 in de gemeente Zwolle, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een snackbar aan de (straat) heeft weggenomen een muntkoker,

toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen

goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

8.

hij in de periode van 03 april 2009 tot en met 06 april 2009 in

de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de (adres) heeft

weggenomen een paar schoenen, toebehorende aan (slachtoffer 6), waarbij verdachte en

zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak.

9.

hij in de periode van 03 april 2009 tot en met 07 april 2009 in

de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een aquarium,

toebehorende aan (slachtoffer 6), heeft beschadigd.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen gepleegd, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in samenhang met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in samenhang met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 8:

diefstal door twee of meer verenigde personen gepleegd, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in samenhang met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 9:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige feiten die voor veel onrust en schrik in de samenleving zorgen. Formeel heeft verdachte de status van veelpleger alhoewel verdachte de laatste tijd, in elk geval gezien zijn justitiële documentatie, een stuk minder actief is. Gezien de LOVS-richtlijnen met betrekking tot veelplegers, de documentatie van verdachte en de vaststelling dat een aantal feiten gedateerd is, is de gevorderde straf, welke ten opzichte van de richtlijnen naar beneden is bijgesteld, passend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte veroordeeld dient te worden tot een gedeeltelijk voorwaardelijke straf. Van het onvoorwaardelijk op te leggen gedeelte dient een gedeelte afgetrokken te worden in verband met de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Het gedeelte dat overblijft zal omgezet kunnen worden in een werkstraf zodat verdachte in elk geval niet meer hoeft te zitten, mede gezien de omstandigheid dat de vriendin van verdachte op het punt staat te bevallen. Weliswaar staat verdachte formeel nog bekend als veelpleger, maar ondertussen gaat het een stuk beter. Dit blijkt ook uit de reclasseringsrapport dat in september 2009 is uitgebracht over verdachte. Omdat het beter gaat dient dit ook gestimuleerd te worden door de op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ramkraak in een bedrijfspand, inbraken in een woning en vernieling van een eigendom in de woning van een ander.

Met betrekking tot de inbraken en vernieling in een woning overweegt de rechtbank dat verdachte, door zich wederrechtelijk de toegang tot woningen te verschaffen en eigendommen van een ander weg te nemen en te beschadigen, een ernstige inbreuk op de bezittingen en eigendommen van een ander maakt. Daarnaast maakt verdachte inbreuk op de persoonlijke leefomgeving van zijn slachtoffers, door in een woning, bij uitstek de plaats waar mensen ongestoord dienen te kunnen leven, binnen te dringen. De rechtbank rekent dit verdachte sterk aan.

Ten aanzien van het plegen van een ramkraak overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, met het oogmerk zich wederrechtelijk te verrijken, enorme schade heeft aangericht. Deze schade staat niet in verhouding tot de mogelijke opbrengst voor verdachte en komt voor rekening van een zelfstandig ondernemer. Voor kleine ondernemers kan een dergelijke schade desastreuze gevolgen hebben, immers veelal zijn deze ondernemers qua inkomen afhankelijk van hun bedrijfsvoering.

Blijkens het uittreksel van de justitiële documentatie is verdachte in het verleden reeds meerdere malen veroordeeld voor het plegen van (vermogens)delicten. Formeel staat verdachte geregistreerd als veelpleger, zo blijkt uit het ketendossier betreffende verdachte.

Door Reclassering Nederland is een voorlichtingsrapport opgesteld d.d. 17 juli 2009. In dit rapport wordt door Reclassering Nederland geadviseerd verdachte een verplicht reclasseringscontact op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften welke hem door of namens Reclassering Nederland worden gegeven. Voorts dient verdachte mee te werken aan behandeling bij de Dubbeldiagnose-kliniek Dimence te Deventer of Zwolle, of een andere door Reclassering Nederland aan te wijzen instelling voor zover en zolang dit binnen het toezicht, in overleg met Reclassering Nederland, door de behandelaars nodig wordt geacht.

De rechtbank overweegt dat, gezien de ernst van de feiten en gezien het feit dat verdachte zich door eerdere (voorwaardelijke) veroordelingen niet heeft laten weerhouden tot het opnieuw plegen van strafbare feiten thans een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf niet meer op zijn plaats is. Voorts overweegt de rechtbank dat een werkstraf de ernst van de gepleegde feiten zou miskennen.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

Benadeelde partij (slachtoffer 4) (ten aanzien van het ten laste gelegde onder 5)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Benadeelde partij (slachtoffer 4) heeft van de vordering ter hoogte van € 750,00 reeds € 50,00 van de verzekering vergoed gekregen. De officier van justitie heeft daarom toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 700,00 gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht. De schade aan de auto is rechtstreeks veroorzaakt door verdachte en tevens is de vordering voldoende onderbouwd. Voor het overige gedeelte dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde onder 5 vrijgesproken dient te worden, de benadeelde partij dient daarom niet-ontvankelijk verklaard te worden. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van (slachtoffer 4) tot een hoogte van € 700,00 toegewezen dient te worden, en dat de benadeelde partij voor het meerdere niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De schade vloeit rechtstreeks voort uit het onder 5 bewezen verklaarde feit. Voorts is de schade, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende onderbouwd. Daarnaast zal de rechtbank een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen, eveneens tot een bedrag van € 700,00.

Uit het voegingsformulier voor benadeelde partijen blijkt dat de verzekering reeds € 50,00 heeft vergoed, zodat de benadeelde partij (slachtoffer 4) voor dat gedeelte niet-ontvankelijk wordt verklaard en slechts bij de burgerlijke rechter terecht kan voor dat gedeelte van de vordering.

Benadeelde partij (aangever 9) (ten aanzien van het ten laste gelegde onder 5)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van (aangever 9) gevorderd dat de

€ 10.000,00 aan omzetverlies niet toegewezen kan worden nu dit bedrag niet is onderbouwd. Ten aanzien van de kosten voor reparatie/vervanging van de pui heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de vordering niet voldoende is onderbouwd, voor zover de vordering wel is onderbouwd is deze niet eenvoudig bepaalbaar. Het is onduidelijk welke schade (aangever 9) precies heeft geleden. Zo mist bijvoorbeeld een berekening of een accountantsverklaring waarop het omzetverlies is gebaseerd. Voorts is niet duidelijk wat de verzekering ten aanzien van het herstel van de pui heeft uitbetaald. Gezien de hoogte en de inhoud van de vordering is deze niet eenvoudig bepaalbaar en leent het strafproces zich niet voor behandeling van deze vordering. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van het omzetverlies van (aangever 9), ten bedrage van € 10.000,00, niet voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de overige kosten is naar oordeel van de rechtbank onduidelijk in hoeverre (aangever 9) rechtstreeks schade heeft geleden nu de facturen ter onderbouwing van de herstelwerkzaamheden van de pui, gericht zijn aan Heineken Brouwerijen. Het is onduidelijk welke schade (aangever 9) heeft geleden, zodat de vordering voor dit gedeelte niet eenvoudig bepaalbaar is. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter terecht met deze vordering.

BESLISSING

Het onder 1, 3, 4, 6, 7, en 10 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2, 5, 8 en 9 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is om die reden strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Benadeelde partijen

Benadeelde partij (slachtoffer 4) (ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 4), wonende te (adres), van een bedrag van € 700 (zevenhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 17 mei 2009, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 700,00 (zevenhonderd euro) ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 4), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer 4) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Benadeelde partij (aangever 9) (ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit)

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (aangever 9) in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Botter als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2010.