Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN9295

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
07.790005-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schoppen in de buikstreek, levert ondanks zwaar lichamelijk letsel, geen voorwaardelijke opzet op de dood op. Het slaan met een grote steeksleutel op het hoofd wel. Bij de strafmaat rekening gehouden met het feit dat verdachte op een geweldadige manier klanten van bankfilialen heeft overvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.790005-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Achterhoek,

Huis van Bewaring De Kruisberg.

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is aangevangen ter openbare terechtzitting van 17 mei 2010 waarbij verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen. Het onderzoek is op voornoemde zitting geschorst tot de terechtzitting van 19 juli 2010.

Op 19 juli 2010 is het onderzoek hervat, waarbij verdachte en zijn raadsman mr. J.H. Meurs niet zijn verschenen. Het onderzoek ter terechtzitting is andermaal geschorst tot de terechtzitting van 16 september 2010.

Op 16 en 17 september 2010 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Meurs, advocaat te Kampen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.L. van Kooten en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 december 2009 in de gemeente Elburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van (een (afstort)zak met daarin) een geldbedrag van 16.500 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:

- op die [slachtoffer 1] is/zijn afgelopen en/of

-(vlak) bij die [slachtoffer 1] is/zijn gaan staan en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 1] en/of op de geparkeerde auto waarin die [slachtoffer 1] zich naar de ING-bank had begeven en/of op die [slachtoffer 1] gericht en/althans met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben gemanipuleerd; (zaak 1)

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2010 in de gemeente Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sealbag en/of een geldbedrag van (ongeveer) 1.145 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:

- naar die [slachtoffer 2] is/zijn gerend en/of

- bij/naast die [slachtoffer 2] is/zijn gaan staan en/of

- een of meer malen tegen/in het gezicht/hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- een of meer malen tegen/in de buik en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd en/of

- nadat die [slachtoffer 2] in elkaar was gezakt en/of op de grond lag een of meer malen tegen de benen en of de arm en/of tegen/in de buik en/of (in de richting van) het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] buiten bewustzijn is geraakt en/of zwaar lichamelijk letsel (inwendig letsel, te weten een gescheurde ader en/of beschadigde dunne darm) heeft bekomen; (zaak 4)

3.

hij op of omstreeks 25 januari 2010 in de gemeente Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet:

- een of meer malen tegen/in de buik en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of

- nadat die [slachtoffer 2] in elkaar was gezakt en/of op de grond lag een of meer malen tegen en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 4)

4.

hij op of omstreeks 09 januari 2010 in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slacht[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een sealbag met daarin een geldbedrag van 5.800 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:

- naar en/of in de richting van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geschreeuwd en/of

- in de richting van die [slachtoffer 3] is/zijn gerend en/of

- bij die [slachtoffer 3] is/zijn gaan staan en/of

- toen die [slachtoffer 3] het op een rennen had gezet, achter die [slachtoffer 3] is/zijn aangerend en/of

- nadat die [slachtoffer 3] was gevallen en/of op de grond lag een of meer malen tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben geroepen/gezegd: "Ik wil je poen hebben" en/of "Geef je geld of ik schiet, geef je geld of ik schiet", althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- nadat die [slachtoffer 3] was gevallen en/of op de grond lag een of meer malen tegen en/of in de richting van het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of een of meer malen tegen en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/althans met een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 3] heeft/hebben gemanipuleerd en/of (vervolgens)

- heeft/hebben geroepen "schiet maar", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking; (zaak 5)

5.

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2009 tot en met 14 september 2009 in de gemeente Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een sealbag met daarin een geldbedrag van 7.160 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:

- op die [slachtoffer 6] is/zijn afgerend en/of

- een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel althans een op een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel gelijkend voorwerp heeft/hebben gepakt en/of

- (vervolgens) met die grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel althans op een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel gelijkend voorwerp in de hand achter die [slachtoffer 6] is/zijn aangerend en/of

- met die grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel althans op een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel gelijkend voorwerp althans een hard voorwerp op en/of tegen en/of in de richting van het hoofd en/of schouder en/of lichaam van die [slachtoffer 6] heeft/hebben geslagen en/of

- tegen en/of op en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 6] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

- al dan niet met een knuppel/stok die [slachtoffer 6] heeft/hebben geslagen en/of met een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp een of meer stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 6] heeft/hebben gemaakt; (Zaak 6)

6.

hij in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 september 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 6] van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- met een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel althans een op een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel gelijkend voorwerp in de hand achter die [slachtoffer 6] is/zijn aangerend en/of

- met die grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel althans op een grote ringsleutel en/of steeksleutel en/of moersleutel gelijkend voorwerp althans een hard voorwerp op en/of tegen en/of in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 6] heeft/hebben geslagen en/of

- tegen en/of op en/of in de richting van het hoofd en/of schouder en/of het lichaam van die [slachtoffer 6] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

- al dan niet met een knuppel/stok die [slachtoffer 6] heeft/hebben geslagen en/of met een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp een of meer stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 6] heeft/hebben gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 6)

7.

hij op of omstreeks 06 februari 2010 in de gemeente Elburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:

- naar die [slachtoffer 7] is/zijn toegerend en/of

- een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 7] heeft/hebben getoond/gehouden en/of gemanipuleerd en/of

- die [slachtoffer 7] heeft/hebben vastgepakt en/of

- een of meer malen tegen en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 7] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 10)

8.

hij op of omstreeks 06 februari 2010 in de gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk Volvo V70), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders toen daar opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:

- naar die [slachtoffer 7] is/zijn toegerend en/of

- een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 7] heeft/hebben getoond/gehouden en/of gemanipuleerd en/of

- die [slachtoffer 7] heeft/hebben vastgepakt en/of

- een of meer malen tegen en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 7] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt; (zaak 10).

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 De vaststaande feiten

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast:

Ten aanzien van feit 1:

Op 6 december 2009 wordt er aan het politiebureau te Elburg door mevrouw [slachtoffer 1] aangifte gedaan van een diezelfde dag gepleegde afpersing.

Zij verklaarde dat zij op 6 december 2009 in Elburg, als mede-eigenaar van autobedrijf [slachtoffer 1], een bedrag van

€ 16.500,- wilde afstorten bij de ING bank. Terwijl zij dit deed, wachtte haar man in de auto. Op het moment dat aangeefster de sealbag met het geld in de afstortkluis deponeerde, kwam er een mannelijk persoon recht op haar af lopen. Aangeefster pakte de sealbag weer uit de afstortkluis omdat de kluis niet sloot. Nadat zij dit gedaan had, stond de man inmiddels met een pistool vlak achter haar. Aangeefster zag dat de man het pistool richtte op de auto waar haar man in zat. Vervolgens draaide de man het pistool in haar richting, waarop zij hem de sealbag met geld gaf. Toen de man met het geld wegliep, kwamen er uit de bossages tegenover de afstortkluis twee personen die zich bij hem voegde.

Getuige [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zag dat de man, die iets op zijn vrouw richtte, zich naar hem toedraaide en op hem richtte. Op dat moment zag hij dat de man met een pistool richtte.

Nader onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Uit onderzoek van de forensische opsporing bleek dat het op 6 februari 2010 het in beslag genomen wapen een balletjespistool, zijnde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, was.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bij zijn verklaring van 11 februari 2010 te blijven, waarin hij bekend heeft de afpersing gepleegd te hebben met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben ook een bekennende verklaring afgelegd.

Ten aanzien van feiten 2 en 3:

Op 28 januari 2010 wordt door [slachtoffer 2] aangifte gedaan van diefstal met geweld gepleegd op 25 januari 2010 in Harderwijk.

Aangever verklaarde werkzaam te zijn als filiaalhouder van [werkgever van slachtoffer 2]. in Zwolle. Toen hij op 25 januari 2010 de dagopbrengst van € 1145,- in een sealbag wilde afstorten bij de ING bank aan de Johanniterlaan in Harderwijk stond er ineens een man links naast hem. Direct kreeg aangever een harde stomp of trap in zijn buik. Hij zakte in elkaar en viel op de grond. Aangever kan zich nog herinneren dat hij vervolgens twee trappen kreeg en raakte daarna even buiten bewustzijn. Eenmaal bijgekomen bleek de sealbag met daarin het geld weggenomen te zijn.

Aangever is vervolgens met een ambulance overgebracht naar het St. Jansdal ziekenhuis in Harderwijk. Aldaar bleek een spoedoperatie noodzakelijk in verband met ernstige beschadiging van de darmvaten en meer dan drie liter bloedverlies in de buik. Diverse bloedtransfusies en afbinding van de verbrijzelde bloedvaten waren nodig. Vanwege het onherstelbare letsel aan de dunne darm bleek verwijdering van een gedeelte onvermijdelijk. Hierdoor is een blijvend zichtbaar groot litteken op en in de buik aanwezig.

Uit de letselbeschrijving van de heer [slachtoffer 2] opgemaakt door de forensische geneeskunde kwam het navolgende naar voren:

Het fysieke herstel – met name het weer krijgen van een normale darmfunctie – zal naar verwachting vele weken duren.

Het psychische herstel zal echter veel langer duren en wellicht nooit meer geheel optreden door het zeer ernstige letsel en het feit dat het slachtoffer bijna dood was geweest.

Nader onderzoek heeft geleid tot aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1].

Verdachte heeft tijdens de terechtzitting van 16 september 2010 bekend dat hij samen met [medeverdachte 1] de overval op de heer [slachtoffer 2] heeft gepleegd. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ten aanzien van de overval eveneens een bekennende verklaring afgelegd. Beide verdachten ontkennen de heer [slachtoffer 2] van het leven te hebben willen beroven.

Ten aanzien van feit 4:

De heer [slachtoffer 3] doet op 9 januari 2010 aangifte van een overval diezelfde dag gepleegd.

De heer [slachtoffer 3], bedrijfsleider en tevens mede-eigenaar van de computerzaak [bedrijf van slachtoffer 3], gaf in zijn verklaring aan dat hij rond 17:40 uur de weekopbrengst bij de ABN-Amro bank in Heerenveen wilde afstorten. Toen aangever voor de afstortkluis stond om de barcode van de sealbag met daarin € 5.810, - te scannen, hoorde hij iemand in zijn richting schreeuwen. Direct daarop zag hij twee mannen op hem afrennen. De voorste man kwam naast aangever staan. Aangever rende weg met de sealbag, gevolgd door de twee mannen. Als gevolg van sneeuwval gleed aangever onderuit. Terwijl hij op de grond lag, stonden de twee mannen al bij hem. Eén van de mannen riep: “Ik wil je poen hebben”, en herhaalde dit enkele malen. Tijdens dit roepen werd aangever tegen zijn hoofd geslagen en tegen zijn bovenbeen geschopt. Op een gegeven moment heeft aangever de sealbag van zich af gegooid. Nadat één van de mannen deze opgepakt had, renden beiden weg totdat één van hen stopte en zich naar aangever omdraaide. Aangever zag dat deze dader een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vasthield. De andere dader riep vervolgens: “Schiet maar”. Hierna vervolgden de daders hun vlucht.

Nader onderzoek heeft geleid tot aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Uit onderzoek van de forensische opsporing bleek dat het op 6 februari 2010 onder verdachte in beslag genomen wapen een balletjespistool, zijnde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, was.

Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren bekend deze overval te hebben gepleegd samen met [medeverdachte 1] en daarbij hulp te hebben gehad van [medeverdachte 2]. Deze verklaring heeft hij ter terechtzitting van 16 september 2010 herhaald. Beide medeverdachten hebben ook een bekennende verklaring afgelegd.

Ten aanzien van feit 5 en 6:

De heer [slachtoffer 6] doet op 14 september 2009 aangifte namens zichzelf en namens [slachtoffer 5], terzake diefstal met geweld. De heer [slachtoffer 6] is uit hoofde van zijn functie als bedrijfsleider namens [slachtoffer 5] gerechtigd tot het doen van aangifte.

[slachtoffer 6] verklaarde op 13 september 2009 rond 00:00 uur, twee sealbags van [slachtoffer 5] af te willen storten bij de Rabobank aan de Meent in Lelystad. Nadat aangever één sealbag had afgestort en op het reçu stond te wachten, kwamen er ineens twee mannen uit de nabijgelegen bosjes. Zij kwamen op hem afrennen. Eén van de mannen hield daarbij een ring- of steeksleutel van zeker 30cm lengte in zijn hand. Toen [slachtoffer 6] besefte dat ze hem wilden overvallen, rende hij met de tweede sealbag met daarin € 7.160,- aan kasgeld weg. De mannen achtervolgden hem. Tijdens deze achtervolging haalde de dader met de ring- of steeksleutel naar achteren en sloeg daarmee meerdere malen op het hoofd van aangever. Volgens aangever waren deze klappen zo hard dat hij het voelde knappen in zijn hoofd. Direct daarop werd hij overal geslagen en geschopt. Omdat dit geweld voortduurde en aangever vreesde voor zijn leven, gooide hij de sealbag van zich af. Eén van de daders pakte de sealbag op, waarna de daders wegvluchtten. Na de overval is aangever [slachtoffer 6] met een ambulance naar het Zuiderzeeziekenhuis vervoerd. Op de spoedeisende hulp bleek dat de heer [slachtoffer 6] een viertal snijwonden op het hoofd/schedel had, die werden gehecht.

Nader onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

Verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben eveneens bekend betrokken te zijn geweest bij de overval.

Ten aanzien van feiten 7 en 8:

Op 6 februari 2010 doet de heer [slachtoffer 7] aangifte van een poging overval diezelfde dag gepleegd. De heer [slachtoffer 7] wordt op 8 februari en 6 maart 2010 aanvullend gehoord.

Aangever wilde op 6 februari 2010 tussen 17:30 uur en 17:45 uur de weekopbrengst van [bedrijf van slachtoffer 7] afstorten bij de Rabobank in Elburg. Aangever stapte uit zijn auto en hoorde en zag twee jongens aankomen. Zij renden achter elkaar aan. De voorste jongen had naar aangever later realiseerde een vuurwapen vast. Aangever schreeuwde en begon naar de jongen die het vuurwapen vast had te schoppen. Deze jongen pakte hem vast, maar aangever worstelde zich los. Ineens voelde aangever een klap op zijn hoofd. Aangever is vervolgens met het geld weggerend. Bij het omkijken zag aangever dat de daders in zijn auto, een Volvo V70, stapten en wegreden.

Aan de hand van telefoongesprekken die getapt werden, mastgegevens waar de mobiele telefoons van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op aanstraalden, zijn verdachten getraceerd in Harderwijk. Daar werden zij voor de Rabobank aan de Johanitterlaan op heterdaad aangehouden. De auto werd doorzocht en daar werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in beslag genomen.

Uit onderzoek van de forensische opsporing bleek dat het op 6 februari 2010 onder verdachte in beslag genomen wapen een balletjespistool, zijnde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, was.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Zij heeft daartoe – zoals vervat in een schriftelijk requisitoir – kort weergegeven het navolgende aangevoerd.

De officier van justitie heeft verwezen naar de aangiften in de zaken, alsmede de door verdachte afgelegde bekennende verklaringen.

Voor het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op het voornemen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] om samen een overval te plegen. Zij zijn samen naar de plaats delict gegaan, hebben samen gewacht op een potentieel slachtoffer en samen de buit gedeeld. Gelet op het feit dat bij eerdere overvallen het geweld niet geschuwd werd en er geen blijk van is dat verdachte en zijn medeverdachte de intentie hadden geen geweld te gebruiken bij deze overval rechtvaardigt dit de conclusie dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Niet van belang is daarbij wie op welk moment getrapt dan wel geslagen heeft. Voor het zwaar lichamelijk letsel heeft de officier van justitie verwezen naar de letselverklaring.

Met betrekking tot de onder 3. ten laste gelegde poging tot doodslag heeft zij aangevoerd dat uit de gedragingen en de omstandigheden blijkt dat er opzet was van verdachte om de heer [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat de buikstreek kwetsbaar is en verwondingen daar gemakkelijk inwendige bloedingen kunnen veroorzaken. Als een slachtoffer door een klap in elkaar zakt en daarna meerdere keren wordt geschopt op dit deel van het lichaam en verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer achter laten zonder zich te bekommeren over zijn verwondingen kan worden gesteld dat zij het risico op de dood voor lief hebben genomen. Temeer nu verdachte en zijn medeverdachte al vaker geweld hadden gebruikt en daarbij geen grenzen kenden.

De officier van justitie heeft opgemerkt dat bij een bewezenverklaring van het onder 4. en 5. ten laste gelegde sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor het onder 6. ten laste gelegde heeft de officier van justitie eveneens verwezen naar de ernst van het gebruikte geweld. De heer [slachtoffer 6] is tijdens de achtervolging door verdachte en zijn medeverdachten met forse kracht met een steeksleutel op zijn hoofd geslagen. Blijkens een medische verklaring van de spoedeisende hulp bestond het opgelopen letsel uit vier hechtwonden aan de schedel. Er mag van geluk gesproken worden dat hij niet in een coma is geslagen. Gelijk aan het onder 3. ten laste gelegde is hier sprake van voorwaardelijk opzet op de dood doordat er geslagen is op het hoofd terwijl het als een feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat dit een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam is en ernstige verwondingen kan opleveren.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1., 2., 4. en 5. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 3., 6. en 7. ten laste gelegde heeft hij een vrijspraak bepleit en daartoe – zoals vervat in de pleitnota – kort weergegeven het navolgende aangevoerd.

Met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte slechts een klap tegen het gezicht en een schop tegen de benen van aangever heeft gegeven. Zodoende heeft hij geenszins opzet gehad op de dood van aangever [slachtoffer 2]. Evenmin heeft hij een stilzwijgende afspraak gemaakt met zijn medeverdachte om iemand van het leven te beroven. Bovendien komt naast het voornoemde het ernstige letsel van aangever geheel voor rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] en kan dit niet aan verdachte worden toegerekend. Een vrijspraak dient dan ook te volgen. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat het niet opportuun is naast het onder 2. ten laste gelegde een poging doodslag ten laste te leggen nu er een strafbedreiging van vijftien jaar is opgenomen in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht in het geval een slachtoffer daarbij overlijdt.

Gelijk aan het onder 3. ten laste gelegde is de verdediging de mening toegedaan dat het onder 6. ten laste gelegde vanwege het ontbreken van opzet op het veroorzaken van de dood evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Met betrekking tot het onder 7. en 8. ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat er sprake is van een overval gepleegd in Elburg die op twee wijzen ten laste is gelegd: als een poging en tevens als een voltooid delict, terwijl het om één daadwerkelijk voltooide overval gaat. Slechts de auto, een Volvo V70, is immers meegenomen. Verdachte dient van het onder 7. ten laste gelegde te worden vrijgesproken aangezien er geen ruimte is dit feitencomplex als twee afzonderlijke juridische feiten ten laste te leggen.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen verklaard hetgeen verdachte onder 1. ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Nu verdachte ter terechtzitting van 16 september 2010 heeft verklaard dat hij tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 6 december 2009 met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (een balletjespistool) mevrouw [slachtoffer 1] heeft overvallen en dat medeverdachte [medeverdachte 1] daarbij tijdens het terugdraaien met een balletjespistool zeer waarschijnlijk gericht heeft op [slachtoffer 1], volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen.

Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar de aangifte van de mevrouw [slachtoffer 1], de bekennende verklaring van verdachte, alsmede de bekennende verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen verklaard hetgeen verdachte onder 2. ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Op grond van de aangifte van de heer [slachtoffer 2] de letselverklaring opgemaakt door forensische arts Van Kuijk, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 september 2010 is wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte tezamen met [medeverdachte 1] de heer [slachtoffer 2] met geweld heeft overvallen met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. De rechtbank volstaat, gezien het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van voornoemde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of er voldoende wettig bewijs aanwezig is om te komen tot een veroordeling ter zake van de ten laste gelegde poging doodslag.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt:

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte opzet, in de zin van bedoeling of oogmerk, heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – i.c. de dood van het slachtoffer – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank is van oordeel dat bij het schoppen tegen of in de buik van het slachtoffer waar in het onderhavige geval sprake van was, de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk te noemen is, maar dat de kans op het tengevolge daarvan ook overlijden van een slachtoffer, naar algemene ervaringsregels, niet aanmerkelijk te noemen is.

Van opzet, ook in voorwaardelijke vorm, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 3. ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank volstaat, gelet op hetgeen bepaald is in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank verwijst naar de aangifte van de heer [slachtoffer 3], de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 16 september 2010 en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 september 2010 bekend de overval op de heer [slachtoffer 6] samen te hebben gepleegd met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, zijnde de bewijsmiddelen:

- de aangifte van de heer [slachtoffer 6] namens benadeelde [slachtoffer 5] en;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op 16 september 2010.

Ten aanzien van feit 6:

De rechtbank zich voor wat betreft het onder 6. ten laste gelegde voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte opzet had op de dood van de heer [slachtoffer 6]. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er sprake was van voorwaardelijk opzet, terwijl de raadsman heeft betoogd dat er geen sprake was van opzet was op de dood.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat aangever met een grote steeksleutel, althans een op een steeksleutel gelijkend voorwerp diverse malen op zijn hoofd is geslagen en dat dit met aanzienlijke kracht is gegaan. Aangever heeft door dit slaan een drietal snijwonden aan de schedel opgelopen, die gehecht moesten worden, hetgeen het registratieformulier van de Spoedeisende Hulp bevestigt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het slachtoffer drie keer op het hoofd te hebben geslagen met een soort grote gereedschapssleutel. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart over dit slaan dat dit met een behoorlijke kracht gebeurde. Volgens hem zou een gemiddeld persoon door het harde slaan neer zijn gegaan.

Het met kracht met een dergelijk hard en zwaar voorwerp op het hoofd slaan levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijk kans op dat dit de dood van het slachtoffer met zich brengt.

Door meerdere malen met een grote steeksleutel hard op het hoofd van aangever te slaan, heeft verdachte deze kans willens en wetens aanvaard en heeft hij daarmee voorwaardelijk opzet gehad op de dood van aangever.

Ten aanzien van het onder 5. en 6. bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop, als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 7:

De raadsman heeft met betrekking tot het ten laste gelegde aangevoerd dat er sprake zou zijn van één feitencomplex dat ten laste is gelegd onder zowel 7. als 8. op de dagvaarding. Volgens de raadsman is er met het wegnemen van de auto sprake van een voltooide overval en dient er van het onder 7. ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt:

Gelet op de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, waren hij en zijn medeverdachte voornemens de heer [slachtoffer 7] te overvallen. De buit die zij voor ogen hadden, bestond uit de sealbag met contanten die de heer [slachtoffer 7] wilde afstorten bij de Rabobank in Elburg. De daders zijn in dit oogmerk, het wegnemen van het geld, niet geslaagd door het verzet dat aangever [slachtoffer 7] toonde. Dat vervolgens de Volvo V70 is weggenomen, hangt met dit voornemen niet samen en levert een andere strafbare gedraging, zoals tenlastegelegd onder feit 8, op.

De rechtbank volstaat volgens hetgeen bepaald is in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen, zijnde deze bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer 7] als eigenaar van [bedrijf van slachtoffer 7];

- de aanvullende verklaring van [slachtoffer 7] en;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op 16 september 2010.

Ten aanzien van feit 8:

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot het wettig en overtuigend bewezen verklaren van het ten laste gelegde en de raadsman heeft zich gerefereerd.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 8. ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard met dien verstande dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging een auto, Volvo V70, toebehorende aan de heer [slachtoffer 7] hebben weggenomen. De rechtbank overweegt dat het ten laste gelegde geweld zag op de intenties van verdachte en zijn medeverdachte om het geld dat de heer [slachtoffer 7] bij zich droeg weg te nemen. Het geweld is immers daartoe aangewend en niet voor het wegnemen van de auto.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 8. ten laste gelegde geweld en/of de bedreiging met geweld.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaat de rechtbank met de verwijzing naar de bewijsmiddelen, zijnde de aangifte van de heer [slachtoffer 7] en de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting op 16 september 2010.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 06 december 2009 in de gemeente Elburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een afstortzak met daarin een geldbedrag van 16.500 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders toen daar opzettelijk bedreigend:

- op die [slachtoffer 1] zijn afgelopen en

- vlak bij die [slachtoffer 1] zijn gaan staan en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 1] en op die [slachtoffer 1] gericht hebben.

2.

op 25 januari 2010 in de gemeente Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sealbag en een geldbedrag van 1.145 euro, toebehorende aan [werkgever van slachtoffer 2]., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader toen daar opzettelijk gewelddadig:

- naar die [slachtoffer 2] zijn gerend en

- naast die [slachtoffer 2] zijn gaan staan en

- in het gezicht van die [slachtoffer 2] hebben geslagen en

- tegen de buik en het lichaam van die [slachtoffer 2] hebben getrapt en

- nadat die [slachtoffer 2] in elkaar was gezakt en op de grond lag tegen de benen en tegen buik en het lichaam van die [slachtoffer 2] hebben geschopt/getrapt en

- tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] buiten bewustzijn is geraakt en zwaar lichamelijk letsel inwendig letsel, te weten een gescheurde ader en beschadigde dunne darm heeft bekomen.

4.

op 09 januari 2010 in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een sealbag met daarin een geldbedrag van 5.850 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] en [bedrijf van slachtoffer 3], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader toen daar opzettelijk gewelddadig en bedreigend:

- naar die [slachtoffer 3] hebben geschreeuwd en

- in de richting van die [slachtoffer 3] zijn gerend en

- bij die [slachtoffer 3] zijn gaan staan en

- toen die [slachtoffer 3] het op een rennen had gezet, achter die [slachtoffer 3] zijn aangerend en

- nadat die [slachtoffer 3] was gevallen en op de grond lag meer malen tegen die [slachtoffer 3] hebben geroepen: "Ik wil je poen hebben" en

- nadat die [slachtoffer 3] was gevallen en op de grond lag meer malen tegen het hoofd hebben geslagen en tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] hebben geschopt en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand ten overstaan van en zichtbaar voor die [slachtoffer 3] hebben gemanipuleerd en vervolgens

- hebben geroepen "schiet maar", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking.

5.

in de periode van 13 september 2009 tot en met 14 september 2009 in de gemeente Lelystad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een sealbag met daarin een geldbedrag van 7.160 euro, toebehorende aan [slachtoffer 5], welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders toen daar opzettelijk gewelddadig:

- op die [slachtoffer 6] zijn afgerend en

- een grote steeksleutel althans een op een steeksleutel gelijkend voorwerp hebben gepakt en

- vervolgens met die grote steeksleutel althans een op een steeksleutel gelijkend voorwerp in de hand achter die [slachtoffer 6] zijn aangerend en

- met die grote steeksleutel althans op een steeksleutel gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 6] hebben geslagen en

- tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] hebben geslagen en geschopt en

- met een knuppel/stok die [slachtoffer 6] hebben geslagen.

6.

in de periode van 13 september 2009 tot en met 14 september 2009 in de gemeente Lelystad, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 6] van het leven te beroven, met dat opzet:

- met een grote steeksleutel althans een op een steeksleutel gelijkend voorwerp in de hand achter die [slachtoffer 6] zijn aangerend en

- met die grote steeksleutel althans op een steeksleutel gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 6] hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

7.

op 06 februari 2010 in de gemeente Elburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld toebehorende aan [slachtoffer 7] en [bedrijf van slachtoffer 7] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld tegen [slachtoffer 7], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met zijn mededader, opzettelijk gewelddadig:

- naar die [slachtoffer 7] zijn toegerend en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand ten overstaan van en zichtbaar voor die [slachtoffer 7] hebben getoond

- die [slachtoffer 7] hebben vastgepakt en

- tegen het hoofd van die [slachtoffer 7] hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

8.

op 06 februari 2010 in de gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk Volvo V70), toebehorende aan [slachtoffer 7].

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte zal worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1, 4 en 5 telkens:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 6:

Het medeplegen van het misdrijf poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 7:

Poging tot diefstal, voorafgegaan, en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 8:

Diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 DE STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar met aftrek van het voorarrest zoals bepaald in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te gelasten.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het dringend noodzakelijk is dat verdachte hulp krijgt om de kans op recidive te verminderen. Verdachte is bereid hulp te aanvaarden en heeft geen bezwaar tegen een voorwaardelijke straf van enige omvang met een langere proeftijd. De door de officier van justitie gevorderde TBS met dwangverpleging is niet geïndiceerd en zou volkomen misplaatst zijn. De raadsman heeft verzocht een ambulante behandeling bij de Waag als bijzondere voorwaarde, zoals de gedragsdeskundigen adviseren, op te leggen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte uitgebrachte gedragskundige rapportages van psychiater Dr. T.W.D.P.Van Os, d.d. 3 september 2010 en psycholoog drs. R.A. Sterk, d.d. 7 september 2010 en van een adviesrapport van Reclassering Nederland, opgesteld door M.G. Sulman, reclasseringswerker, d.d. 15 september 2010.

Psycholoog Sterk rapporteert dat verdachte een gebrekkige ontwikkeling heeft van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO. Daarnaast heeft verdachte beperkte intellectuele capaciteiten en functioneert hij op een beneden gemiddeld tot zwakbegaafd niveau. Deze gebrekkige ontwikkeling bestond ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat het ten laste gelegde hier mede uit verklaard kan worden. Verdachte is uitgegroeid tot een sociaal-emotioneel onrijpe jongeman met een geringe eigen identiteit die verhoogd beïnvloedbaar is. Om die reden is verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Psychiater Van Os concludeert dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is vanwege een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hij komt tot deze conclusie door de bij verdachte aanwezige gemengde persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en antisociale trekken. Verdachte functioneert op de rand van verstandelijk beperkt. Hij heeft weliswaar voldoende inzicht maar was onvoldoende in staat om ten tijde van het ten laste gelegde zijn wil overeenkomstig zijn inzicht te bepalen.

De rechtbank neemt deze conclusies over. Bij de strafoplegging zal de rechtbank rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Psychiater Van Os heeft voorts gerapporteerd dat verdachte een identiteitsloze jongeman is die als een kameleon de kleur aanneemt van zijn omgeving en zo te weinig weerbaar is om zich af te grenzen ten opzichte van negatieve krachten. Indien verdachte onbehandeld blijft, is het risico op herhaling groot. Zijn advies is een deels voorwaardelijke detentie met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling gericht op versterking van de identiteit.

Psycholoog Sterk rapporteert voorts dat bij verdachte de kans op recidive zal blijven bestaan gezien de beperkte intellectuele capaciteiten en de grote beïnvloedbaarheid. Verdachte lijkt niet in staat verandering te brengen in zijn psychische problematiek. Op lange termijn is het risico op herhaling licht verhoogd. Om deze recidivekans terug te dringen adviseert hij een deels voorwaardelijke detentie met als voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling, waaronder een weerbaarheidstraining bij De Waag.

De reclassering heeft geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, inhoudende een meldingsgebod, een contactverbod met medeverdachten, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

Verdachte heeft, samen met zijn medeverdachte(n) in een relatief korte periode van vier maanden vier overvallen en een poging daartoe gepleegd op klanten van bankfilialen, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van op vuurwapens gelijkende voorwerpen, slagwapens en grof geweld niet werd geschuwd. Zelfs is hierbij aan het slachtoffer van de beroving in Harderwijk zwaar lichamelijk en onherstelbaar letsel toegebracht en heeft deze het geweld dat jegens hem werd gebruikt ternauwernood overleefd. Tevens heeft verdachte zich, bij de beroving in Lelystad schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag.

Verdachte heeft door zijn handelen, dat slechts gericht was op eigen gewin en de kick van het snel en gemakkelijk over veel geld kunnen beschikken, niet alleen aan zijn slachtoffers zowel psychische als lichamelijke schade berokkend, maar ook bijgedragen aan het gevoel van angst en onveiligheid in de gehele samenleving. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij openheid van zaken heeft gegeven en bij de politie grotendeels bekennende verklaringen heeft afgelegd. Ook heeft hij er blijk van gegeven inzicht te hebben in het wederrechtelijke van zijn handelen. De rechtbank zal, mede gelet op de nog jeugdige leeftijd en de persoonlijkheid van verdachte, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Wel is de rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. De rechtbank is echter tevens van oordeel dat verdachte behandeling behoeft en zal daartoe aan hem een gevangenisstraf voor de maximale duur opleggen die de mogelijkheid biedt tot het opleggen van een gedeelte daarvan in voorwaardelijke vorm, teneinde een verplicht reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling mogelijk te maken.

Deskundigen Van Os en Sterk hebben beiden gerapporteerd dat klinische opname niet noodzakelijk en zelfs contra-geïndiceerd is. Van Os meent dat een klinische behandeling, gelet op de beïnvloedbaarheid van betrokkene, het risico meebrengt op ongewenst kopieergedrag. De rechtbank zal dan ook niet de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 augustus 2010.

9 BENADEELDE PARTIJEN

9.1 Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 16.500, -, zijnde materiële schade (het weggenomen kasgeld).

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van deze schade is vast komen te staan op een bedrag van € 16.500, -.

De vordering van de benadeelde partij, die in haar vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom ten behoeve van genoemd slachtoffer.

9.2 Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft de heer [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 5.509,95 zijnde materiële schade (het weggenomen kasgeld en vergoeding van een spijkerbroek) en immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van het onder 4. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van deze schade is vast komen te staan op een bedrag van € 5.509,95

De vordering van de benadeelde partij, die in haar vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom ten behoeve van genoemd slachtoffer.

9.3 Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 13.005,85 zijnde materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering opgemerkt dat deze tot een bedrag van

€ 7.160, - kan worden toegewezen. Dit gedeelte beslaat het weggenomen kasgeld. Voor wat betreft het overige wordt er een bedrag gevorderd van € 5.845,85 door of namens [salarisadministratie B.V. van benadeelde partij 3]. Deze B.V. is niet rechtstreeks slachtoffer van het onder 5. ten laste gelegde. Evenmin blijkt uit de stukken die aan de vordering zijn toegevoegd dat [benadeelde partij 3] gemachtigd is deze schade namens [salarisadministratie B.V.] te vorderen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] rechtstreekse schade heeft geleden ten bedrage van € 7.160,- (kasgeld) en

€ 296,69 (kleding), in totaal derhalve € 7.456,69 ten gevolge van het onder 5 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering benadeelde partij, die ontvankelijk is, kan worden toegewezen tot een bedrag van € 7.456, 69.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom ten behoeve van genoemd slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde niet zo eenvoudig van aard dat deze zich leent voor een behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve de benadeelde partij voor dat gedeelte niet-ontvankelijk verklaren.

9.4 Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft de heer [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. en 6. ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.596,- zijnde zowel materiële als immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij de heer [benadeelde partij 4] rechtstreekse schade heeft geleden van de onder 5. en 6. bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering benadeelde partij, die ontvankelijk is, geheel kan worden toegewezen voor het bedrag van € 1.596,-.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom ten behoeve van genoemd slachtoffer.

10 BESLAG

De officier van justitie heeft voor de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen gevorderd dat de onder nummer 2 en 3 genoemde personenauto’s aan het verkeer onttrokken worden, de voorwerpen genoemd onder de nummers 4, 5, 7 en 9 dienen verbeurd verklaard te worden en de onder nummer 29 genoemde gouden halsketting kan terug gegeven worden aan verdachte.

De raadsman heeft aangaande het beslag niets aangevoerd.

De rechtbank beslist op de grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen goederen overeenkomstig de als bijlage aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 2 en 3 dienen te worden verbeurd verklaard omdat het voorwerpen zijn die geheel of grotendeels verkregen zijn door middel van de bewezen verklaarde feiten. De voorwerpen genoemd onder de nummers 4, 5, 7 en 9 dienen te worden onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet is.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan hem toebehorende gouden ketting (29), aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

11. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 14a, 14c, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3. ten laste gelegde, zijnde dit niet wettig en overtuigend bewezen;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (acht en veertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* op grond dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

* op grond dat verdachte gedurende de proeftijd de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

Beslag

- beslist op de grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen goederen overeenkomstig de als bijlage aan dit vonnis gehechte beslaglijst;

- gelast de teruggave van het op de beslaglijst onder nummer 29 genoemde voorwerp aan verdachte;

- beveelt de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen genoemd onder de nummers 2 en 3 op de beslaglijst;

-beveelt dat de in beslag genomen voorwerpen genoemd onder de nummers 4, 5, 7 en 9 aan het verkeer worden onttrokken;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te Doornspijk, van een bedrag van € 16.500,--, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog op te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 16.500,--, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 117 (honderdzeventien) dagen hechtenis;

- bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te Heerenveen, van een bedrag van € 5.509,95, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog op te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 5.509,95, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;

- bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3], gevestigd te Lelystad, van een bedrag van € 7.456.69,- hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog op te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 7.456,69,-, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (twee en zeventig) dagen hechtenis;

- bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4], wonende te Lelystad, van een bedrag van € 1.596,- hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog op te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 1.596,-, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis;

- bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. Buitendijk, voorzitter, mrs. R.M. van Vuure en H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 oktober 2010.

Mr. Den Haan en de griffier, waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.