Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN7538

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
Awb 09/442
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PGB kan niet worden aangewend voor kosten van rij- en tennislessen; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/442

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser]

wonende te Wanneperveen, eiser,

gemachtigde mr. B.J.M. de Leest,

en

Groene Land PWZ Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Noordwijk, verweerder.

09/442

Procesverloop


Bij brievenvan 26 juli 2007 en 1 april 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat in het kader van een ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegekend Persoonsgebonden Budget (PGB) verantwoorde kosten voor de Nijeveense Tennisclub en verkeersschool [naam 1]afgewezen worden omdat deze kosten geen verzekerde zorg betreffen die kunnen worden vergoed met een PGB. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 28 februari 2009 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 16 december 2009 behandeld.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook verschenen is [naam 2] wettelijk vertegenwoordiger van eiser.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ganner.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Voor eiser is voor 2007 in het kader van de AWBZ een indicatie gevraagd voor persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding en tijdelijk verblijf in de vorm van een PGB.

Eiser is vervolgens op 21 maart 2008 voor 2007 definitief geïndiceerd voor onder meer de functies ondersteunende en activerende begeleiding; eiser is voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2007 in aanmerking gebracht voor een netto PGB van € 21.503,58 en voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2009 voor een netto PGB van € 21.503,58.

Eiser heeft in verband daarmee voorschotten verstrekt gekregen, ter zake waarvan hij op 5 juli 2007 en 21 januari 2008 verantwoordingsformulieren heeft ingediend.

Op de verantwoordingsformulieren over de voorschotperiodes 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2007 en 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 is onder meer aangegeven dat ten laste van het PGB aan zorgverleners de volgende kosten zijn betaald: als activerende begeleiding in uren (ABU): voor de Nijeveense tennisclub € 500,00 en voor verkeersschool [naam 1]€ 1.219,00 en voor de Nijeveense tennisclub € 920,00 (waaronder de eerdergenoemde

€ 500,00 “wegens eerst niet erkend”).

Verweerder heeft hierin aanleiding gezien op 26 juli 2007 en 1 april 2008 te besluiten dat deze kosten bij de definitieve subsidievaststelling niet zullen worden goedgekeurd omdat het kosten betreft die niet binnen de zorg vallen waarvoor een PGB is verstrekt. Genoemde besluiten zijn bij het thans voorliggende besluit op bezwaar van 28 februari 2009 gehandhaafd.

Verweerder legt daaraan ten grondslag dat het gaat om kosten voor algemeen gebruikelijke voorzieningen waarvoor geen aanspraak op zorg ingevolge de AWBZ bestaat. Het PGB kan niet door eiser worden aangewend voor de door eiser betaalde lesgelden .

2.1.

De rechtbank stelt eerst ambtshalve vast dat verweerder de brieven van 26 juli 2007 en 1 april 2008 terecht heeft aangemerkt als besluiten waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband kortheidshalve naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2009, LJN: BK4988.

Mede nu verweerder de envelop van het bezwaarschrift, gedateerd op 13 mei 2009, niet heeft bewaard is tevens terecht geen ander beletsel gezien voor het ontvankelijk verklaren van de bezwaren.

2.2.

In beroep is namens eiser tegen het besluit op bezwaar van 28 februari 2009 aangevoerd dat de gemaakte kosten wel zijn aan te merken als via het PGB te vergoeden zorg omdat vast staat dat er extra zorg is verleend. Eiser is niet in staat gebleken deel te nemen aan sport zonder extra begeleiding. Eisers zorgbehoefte bestaat uit één op één begeleiding, waarbij de lengte en de intensiteit van de lessen anders is dan bij niet-gehandicapte personen. Een deel van de sport- en rijlessen zijn volgens eiser dan ook aan te merken als AWBZ-zorg.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

2.2.1.

De aanspraken die krachtens de AWBZ tot gelding kunnen worden gebracht zijn limitatief opgesomd in artikel 2 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: het Besluit). Voor zover het betreft de kosten voor tennisles en rijles, overweegt de rechtbank dat dit kosten ten behoeve van vrijetijdsbesteding zijn en dat deze niet in deze opsomming opgenomen zijn en daarmee niet als AWBZ-zorg aan te merken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat tennis- en rijleskosten kosten zijn die in beginsel niet ten laste van de AWBZ kunnen worden gebracht.

Ook in het door eiser aangehaalde advies van het College voor Zorgverzekeringen (verder het CVZ) d.d. 19 november 2004 (RZA 2004, nr. 14) is uitdrukkelijk overwogen dat (met tennis- en rijlessen te vergelijken vrije tijdsactiviteiten als) paardrijden en muziektherapie niet zijn aan te merken als AWBZ-zorg zijn en dus niet bekostigd kunnen worden ten laste van de AWBZ.

2.2.2.

Ten aanzien van de stelling ter terechtzitting dat er sprake is geweest van ondersteunende begeleiding door respectievelijk de rijschoolhouder en tennisleraar overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit heeft de verzekerde onder nader genoemde voorwaarden aanspraak op begeleiding als omschreven in artikel 6 van het Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiser genoemde begeleiding in het kader van zijn tennisles en autorijles echter niet aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit. Rijschoolhouder en tennisleraar hebben, zoals bij iedere andere individuele leerling, les gegeven, geen begeleiding. Hierdoor wordt niet voldaan aan de in artikel 6 van het Besluit opgenomen voorwaarden.

Daarbij tekent de rechtbank aan dat in het door eiser aangehaalde RZA-advies is aangegeven dat eventuele begeleiding bij vrije tijdsactiviteiten door de ouders of door vrijwilligers moet worden gedaan, hoe nuttig deze activiteiten ook voor de verzekerde zijn. De door eiser aan dit advies toegedichte betekenis kan de rechtbank niet volgen.

2.2.3.

Namens eiser is ook aangevoerd dat eiser er, gezien het indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), op mocht vertrouwen dat verweerder over zou gaan tot vergoeding van de door hem voor rijles en tennisles gemaakte kosten. De rechtbank vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, zoals onder meer gepubliceerd in LJN: BI 8283, kan een dergelijk beroep alleen slagen als er sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging. De rechtbank is onvoldoende gebleken dat er sprake is van een dergelijke toezegging. Eiser heeft zijn stelling dat er sprake was van een toezegging dan wel afspraak niet met voldoende overtuigende bewijsstukken onderbouwd.

Dat eiser dit kader de uitspraak van de CRvB van 11 maart 2009 (LJN: BH6440) heeft genoemd maakt dit niet anders, omdat die uitspraak ziet op een andere situatie, waarbij in het indicatiebesluit melding was gemaakt van de wens om een bepaalde zorgfunctie in te zetten ter bekostiging van een met name genoemde activiteit. Het Zorgkantoor was daardoor bij het besluit tot toekenning van het PGB bekend met de wijze waarop het PGB zou worden besteed. In het onderhavige geval is dit niet gebleken. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de omstandigheid dat van de zijde van eiser bepaalde zaken zijn genoemd in een aanvraagformulier niet maakt dat verweerder daardoor bij het besluit tot toekenning van het PGB bekend was met de wijze waarop dit PGB mogelijk zou worden besteed.

De genoemde beroepsgrond kan daarom niet slagen.

3. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat het PGB niet kan worden aangewend voor de in geding zijnde kosten voor rij- en tennislessen.

4. Eisers beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.


Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Vijftigschild, rechter, en door deze ondertekend.

De griffier, mr. H.J. Knol is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op


Afschrift verzonden op: