Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN7199

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
171539 / KG ZA 10-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitleg beïndiging overeenkomt; gevolgen daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171539 / KG ZA 10-245

Vonnis in kort geding van 25 juni 2010

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.R.J. Helmantel te Dronten,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.J.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met tien producties

- de akte overlegging twee producties, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie van de zijde van [B]

- het faxbericht van 15 juni 2010 van de zijde van [B], houdende één productie

- de mondelinge behandeling op 16 juni 2010

- de pleitnota van [B]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn buren van elkaar.

2.2. [B] heeft meer dan twintig jaar ervaring in de ‘life science’ en laboratoriumwereld. Vanuit die ervaring was [B] op de hoogte van een behoefte aan een softwareprogramma waarmee grote hoeveelheden bloed- en plasmamonsters eenvoudig zouden kunnen worden opgeslagen en opgevraagd.

2.3. [A] heeft een IT-achtergrond.

2.4. Partijen zijn met elkaar gaan samenwerken met als doel om een softwareprogramma te ontwerpen en in de markt te zetten dat tegemoet komt aan de door [B] geconstateerde behoefte. Het programma heeft de naam SampleNavigator gekregen.

2.5. [A] en [B] zijn aandeelhouder van respectievelijk de besloten vennootschappen [A B.V.] en [B B.V.]. Deze vennootschappen zijn, ieder voor gelijke delen, de aandeelhouders van de besloten vennootschap ICTrack B.V. (hierna ICTrack) die op haar beurt aandeelhouder is van de vennootschap Wireless Inter Network Solutions & Technology B.V. (hierna WINST) en SmartCoded B.V.

2.6. ICTrack is bestuurder van WINST en SmartCoded B.V. [A B.V.] en [B B.V.] zouden gezamenlijk de directie voeren over ICTrack. Omdat [B] nog een vaste baan had, hebben partijen besloten dat zij op een later moment formeel tot de directie zou toetreden.

2.7. Partijen hebben op 21 mei 2006 afspraken gemaakt met de titel “aanvullende bepalingen aandelen pakket ICTrack BV, en onderliggende werkmaatschappijen. Vennootschaps afspraken.” (hierna aanvullende bepalingen).

Voor zover hier van belang is in deze aanvullende bepalingen onder het kopje LENINGEN het volgende opgenomen:

“Bedrijfslening met hypothecaire zekerheid.

Op het huis van de ouders van [A] zal een hypothecaire zekerheid worden gevestigd, zodanig dat de organisatie een lening zal verkrijgen van EURO 114.000. Mocht het misgaan met de onderneming, zal de schuld welke de onderneming heeft bij de financiële instelling worden verhaald op de ouders van [A]. Voor deze schuld inclusief rente blijven de vennoten hoofdelijk aansprakelijk.

2.8. Om het computerprogramma dat partijen voor ogen stond te verwezenlijken, heeft ICTrack een derde partij benaderd: Lizatec. Tussen Lizatec en WINST is in 2006 een softwareontwikkelingsovereenkomst gesloten. De contacten tussen WINST en Lizatec verliepen via [A].

2.9. In augustus 2007 heeft [A] het volgende aan [B] geschreven:

“In aansluiting op het gesprek dat wij begin van deze maand voerden, moet ik je hierbij berichten dat je met onmiddellijke ingang bent ontheven van je werkzaamheden en taken binnen de vennootschap IC Track B.V. als commercieel verantwoordelijke en onze samenwerking hierbij wordt beëindigd.

Reden daarvoor is gelegen in het feit dat er de afgelopen periode sprake is van ernstig plichtsverzuim door het niet nakomen van gemaakte afspraken met klanten en het structureel achterwege blijven van commerciële activiteiten.

(…)

Dat brengt met zich mee dat ik je met in gang van heden de toegang tot het pand moet ontzeggen en je moet verzoeken om de sleutels, laptop, mobiele sim kaart, tankpas en andere bezittingen van de vennootschap uiterlijk woensdag 22 augustus a.s. voor 10 uur in de ochtend in te leveren. Verder verzoek ik je op korte termijn een afspraak te maken om persoonlijke bezittingen van kantoor op te halen.

Het spreekt voor zich dat het bovenstaande losstaat van jouw rol als (indirect) aandeelhoudster/investeerder in de vennootschap, waarbij ik mij echter kan voorstellen dat het wenselijk zou zijn op niet al te lange termijn de belangen geheel van elkaar los te koppelen. Het lijkt mij goed daar binnenkort inhoudelijk over te praten en ik nodig je hierbij daartoe dan ook uitdrukkelijk uit.”

2.10. [A] heeft vervolgens de internetverbinding en de mobiele telefoon van [B] met onmiddellijke ingang laten afsluiten en [B] afgesloten van gebruik van de server door wachtwoorden en servernamen te wijzigen.

2.11. [B] heeft daarop de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna de Ondernemingskamer) verzocht onderzoek te doen naar de gang van zaken.

2.12. Bij beschikking van 4 maart 2008 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de besloten vennootschappen ICTrack, WINST en Smartcoded B.V. (hierna de vennootschappen) bevolen. Bij beschikking van 19 mei 2008 is mr. L.P. van den Blink (hierna de onderzoeker) door de Ondernemingskamer benoemd tot onderzoeker.

2.13. Op 3 september 2008 heeft de onderzoeker rapport uitgebracht van zijn bevindingen naar aanleiding van het door hem uitgevoerde onderzoek.

De onderzoeker heeft onder meer geconcludeerd:

“Winst, ICTrack en Lizatec (…) hebben een driepartijenovereenkomst gedateerd 1 oktober 2006 getekend. (…) Het is minstgenomen aannemelijk dat [B], naar zij stelt, door [A] van de driepartijenovereenkomst onkundig is gelaten.

(…)

In augustus 2007 heeft [A], misbruik makend van de omstandigheid dat hij nog steeds de enige directeur van ICTrack is, de betrokkenheid van [B] bij het SampleNavigator project op staande voet beëindigd. De daarvoor door hem aan de onderzoeker opgegeven redenen zijn ondeugdelijk. De beëindiging is nadelig voor de kansen op een doorbraak van SampleNavigator.

Na de final release van het door Lizatec vervaardigde product in februari 2007 is het beleid van ICTrack ten aanzien van Lizatec gaandeweg hoogst onzakelijk geworden.

(…)

Het geheel komt er op neer dat [A] ICTrack in een staat van totale afhankelijkheid van Lizatec heeft gebracht en daarmee de continuïteit van de onderneming op het spel heeft gezet. [B] verdenkt [A] en Lizatec van samenspannen met het doel haar uit te sluiten van toekomstige door SampleNavigator te genereren revenuen en die revenuen ten goede te doen komen aan de combinatie Lizatec/[A]. Die verdenking is begrijpelijk.”

2.14. Bij beschikking van 3 november 2008 heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat sprake is geweest van wanbeleid. De Ondernemingskamer heeft [A B.V.] ontslagen als bestuurder van ICTrack, twee besluiten van [A's] holding vernietigd wegens strijd met het belang van ICTrack en de holding van [B] tot bestuurder van ICTrack benoemd.

2.15. Inmiddels was, bij beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2008, aan de vennootschappen surséance van betaling verleend.

2.16. Bij vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2009 zijn de vennootschappen in staat van faillissement verklaard.

2.17. De ouders van [A] zijn bij deze rechtbank een procedure gestart tegen [A] en [B], waarbij de ouders van [A], op basis van de aanvullende bepalingen hebben gevorderd dat [A] en [B] hoofdelijk veroordeeld zouden worden tot betaling van EUR 105.141,64 vermeerderd met rente en kosten.

2.18. Bij vonnis van deze rechtbank van 17 maart 2010 is [A] veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag. De vordering tegen [B] is afgewezen omdat de ouders van [A] geen partij waren bij de aanvullende bepalingen en omdat ook anderszins geen grond voor hoofdelijke aansprakelijkheid van [B] tegenover de ouders van [A] is gebleken.

2.19. [A] heeft conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een tweetal vennootschappen van [B], te weten IDQuest B.V. en [B B.V.]

3. Het geschil in conventie

3.1. [A] vordert samengevat - veroordeling van [B] tot betaling van EUR 52.570,82.

3.2. [B] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in (voorwaardelijke) reconventie

4.1. [B] vordert samengevat – in reconventie de opheffing van het onder IDQuest B.V. en [B B.V.] gelegde derdenbeslag.

Indien de vordering van [A] in conventie mocht worden afgewezen, vordert [B] – samengevat – opheffing van alle door [A] ten laste van [B] gelegde beslagen.

4.2. [A] voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.2. [A] heeft gesteld dat [B], op basis van de tussen hen gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in de aanvullende bepalingen, hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld van de vennootschappen aan de ouders van [A] en dat [B] op grond daarvan voor tenminste 50% aansprakelijk is voor de door de ouders van [A] aangezegde bedragen, derhalve voor EUR 52.570,82.

[A] heeft zijn vordering gegrond op art. 6:2 en 6:10 BW, althans op art. 7:850 BW ([B] zou zich gezamenlijk met [A] hebben verbonden als borg), althans op de tekst van de aanvullende bepalingen.

5.3. Hoofdelijke aansprakelijkheid houdt in dat de schuldenaren ten aanzien van de schuld ieder voor zich voor het geheel aansprakelijk zijn tegenover de schuldeiser. Uit het vonnis van 17 maart 2010 vloeit echter voort dat [B] niet aansprakelijk is tegenover de ouders van [A]. Ter zitting is door de raadsman van [A] te kennen gegeven dat de ouders van [A] in het vonnis van 17 maart 2010 berusten. Van hoofdelijkheid in de zin van art. 6:6 BW e.v. is dan ook geen sprake.

5.4. Van een borgstelling als bedoeld in art. 7:850 BW, te weten een overeenkomst waarbij de borg zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis die een derde (de hoofdschuldenaar) tegenover de schuldeiser heeft, is niet gebleken. Een dergelijke overeenkomst kan enkel worden bewezen door een door de (vermeende) borg ondertekend schriftelijk stuk. De aanvullende bepalingen kunnen niet op die wijze worden uitgelegd. Immers de ouders van [A] waren bij de totstandkoming en ondertekening van dit stuk geen partij.

5.5. Dit laat onverlet dat [A] en [B] in hun onderlinge verhouding afgesproken zouden kunnen hebben dat zij ieder voor een deel draagplichtig zijn voor de schuld aan de ouders van [A]. [A] heeft gesteld dat dit het geval is. De aanvullende bepalingen, meer specifiek onder het kopje LENINGEN, laten volgens [A] geen ruimte voor een andere uitleg.

5.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aanvullende bepalingen tussen partijen hun werking hebben verloren, hetzij doordat deze bepalingen door [A] zijn opgezegd door zijn schrijven van augustus 2007, hetzij doordat deze bepalingen door [B] zijn ontbonden bij brief van 26 april 2010. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

5.7. Vooropgesteld moet worden dat, blijkens de tekst van de aanvullende bepalingen, de bepalingen zijn overeengekomen tussen [A] en [B], beiden handelend als DGA van ieders persoonlijke beheervennootschap. Of dit als bestuurder of als aandeelhouder is, blijft in het midden. Daarbij moet worden aangetekend dat in de tekst van de bepalingen en uitgangspunten geen onderscheid wordt gemaakt tussen [A] en [B] als natuurlijk persoon, [A] en [B] handelend als (indirect) aandeelhouder van de vennootschappen en [A] en [B] handelend als (indirect) bestuurder van de vennootschappen. Waarbij bij dat laatste overigens ook weer geldt dat [B] nooit formeel (indirect) bestuurder is geworden van de vennootschappen. Waar partijen het in de aanvullende bepalingen hebben over “vennoten” lijken zij zichzelf als natuurlijk persoon aan te duiden. Dit blijkt onder meer heel duidelijk uit

“DEEL I

(…)

Iedere vennoot heeft zijn eigen expertise. [B] heeft haar expertise op de markt (…) [A] heeft zijn expertise in de technische kant. (…)

Arbeidsongeschiktheid

(…)

- Indien de vennoot in een dusdanige positie raakt, dat die persoon niet meer toerekeningsvatbaar is (…)

OVERLIJDEN

Bij het in leven zijn van ons beiden willen we de volgende verklaring afgeven, aan de wie dan ook in zijnde belanghebbende erfgenamen.

Vennoten zien beide de organisatie als levenswerk. Door het overlijden van een der vennoten, mag de continuïteit van de onderneming onder geen beding in gevaar lopen.”

De aanvullende bepalingen kunnen niet anders worden aangemerkt dan de vastlegging van afspraken over de invulling, de wijze en de gevolgen van samenwerking tussen [A] en [B] in welke hoedanigheid dan ook, waaronder in persoon. Er worden afspraken gemaakt over de inzet van beide partijen, waarbij onder meer wordt uitgegaan van de individuele kwaliteiten van partijen als natuurlijk persoon. Voorts worden afspraken gemaakt over arbeidsongeschiktheid en overlijden en welke consequenties dat heeft voor het voortbestaan van de onderneming. Dit uit zich onder meer in afspraken over in welke situatie een aanbiedingsplicht van aandelen bestaat en een regeling voor de situatie dat één van partijen overlijdt. Ook ten aanzien van de inhoud van de afspraken hebben partijen geen onderscheid gemaakt tussen hun onderscheidenlijke hoedanigheden. Het stuk moet dan ook worden aangemerkt als een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen in elke hoedanigheid.

5.8. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat [A] door de samenwerking volledig en per direct te beëindigen, ook de aanvullende bepalingen heeft opgezegd. Nu de aanvullende bepalingen mede zijn overeengekomen tussen partijen in persoon heeft dat tot gevolg dat aan de aanvullende bepalingen de grondslag is komen te ontvallen. Aan [A] komt derhalve geen beroep meer toe op de aanvullende bepalingen.

5.9. [B] heeft voorts gesteld dat voor zover de aanvullende bepalingen de beëindiging van de samenwerking wel zouden hebben overleefd, [B] deze heeft ontbonden op grond van wanprestatie. [A] komt dan om die reden geen beroep toe op de aanvullende bepalingen. Volgens [B] heeft [A] zich tegenover haar gedragen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die tussen hen als mede-aandeelhouders en als zakenpartners heeft te gelden. Dit betreft een voortdurende verplichting waarvan schending niet meer ongedaan kan worden gemaakt en nakoming derhalve blijvend onmogelijk wordt. Op grond daarvan is ingebrekestelling niet vereist voor het intreden van verzuim en levert de schending een onmiddellijke toerekenbare tekortkoming op die ontbinding van de aanvullende bepalingen rechtvaardigt.

Gelet op de conclusies uit het onderzoeksrapport en de uitspraak van de Ondernemingskamer acht de voorzieningenrechter ook dit verweer kansrijk. Weliswaar heeft [A] gesteld dat het oordeel van de Ondernemingskamer betrekking had op [A B.V.] en dat dit hem in persoon niet verweten kan worden, maar de voorzieningenrechter volgt [A] niet in dit standpunt. In aanmerking moet worden genomen dat [A] 100% aandeelhouder en enig bestuurder is van [A B.V.]. Daarnaast zijn de door de Ondernemingskamer verweten gedragingen zowel in strijd met hetgeen partijen in welke hoedanigheid dan ook zijn overeengekomen in de aanvullende bepalingen als met de redelijkheid en billijkheid die de verhouding van partijen in welke hoedanigheid dan ook beheerst. Gelet ook op de aard en de ernst van de verweten gedragingen is zeker niet onaannemelijk dat deze gedragingen rechtreeks aan [A] kunnen worden verweten.

5.10. Op grond van het voorgaande moet de vordering als onvoldoende vaststaand worden afgewezen. Bovendien heeft [A], gelet op de betwisting, onvoldoende onderbouwd gesteld dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, waardoor de vordering alleen al op deze grond reeds zou stranden. De enkele stelling dat het om een flink bedrag gaat, acht de voorzieningenrechter onvoldoende als motivatie.

5.11. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 1.788,00

Totaal EUR 2.051,00

6. De beoordeling in reconventie

6.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

6.2. Nu de geldvordering van [A] op bovenstaande gronden wordt afgewezen, is daarmee summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid daarvan. De vordering tot opheffing van de beslagen ligt daarmee voor toewijzing gereed.

6.3. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op EUR 452,00 voor salaris advocaat.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. wijst de vorderingen af,

7.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 2.051,00,

in reconventie

7.3. heft op alle door [A] ten laste van [B] gelegde beslagen, waaronder in ieder geval het conservatoir derdenbeslag onder IDQuest B.V. en [B B.V.]

7.4. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2010.