Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN7145

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
150382 / HA ZA 08-1221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfeniskwestie. Verantwoordingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150382 / HA ZA 08-1221

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. I.M. Verhaar,

tegen

1. [D] q.q. in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.J. Overes,

2. [F],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. L.H. Haarsma,

3. [G],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. L.H. Haarsma,

4. [H] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [I],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. L.H. Haarsma.

Partijen zullen hierna [A,B en C] (voor [A], [B] en [C]), [D]. en [F, G en I] (voor [F], [G] en [I]) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 januari 2010

- de akte zijdens [F, G en I]

- de akte zijdens [A,B en C].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op [datum] is overleden [E] (verder: [E]). [E] was in gemeenschap van goederen gehuwd met [J] (verder: [J]). Uit dit huwelijk zijn geboren: [A,B en C] en [K] (verder [K]). Bij testament heeft [E], voor zover van belang, bepaald dat -samengevat - aan [J] zal worden gelegateerd

1. - voor zover [J] dat wenst - alle tot de nalatenschap behorende roerende en onroerende zaken tegen inbreng van de waarde daarvan;

2. het levenslang vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, waaronder ook begrepen de inbrengsom, bij zijn overlijden het vruchtgebruik zou verkrijgen over zijn nalatenschap.

Partijen gaan ervan uit dat [J] het levenslange vruchtgebruik over de nalatenschap heeft genoten en zij niet de eigendom heeft verkregen van de tot de nalatenschap behorende roerende en onroerende zaken.

2.2. [K] is gehuwd en heeft drie kinderen, in deze procedure aangeduid als [F, G en I].

2.3. Bij testament van 8 juni 2001 heeft [J] bepaald, voor zover van belang:

“D.ERFSTELLING

I. Ik benoem tot mijn erfgenamen, waarbij aanwas tussen de hierna te noemen groepen a en b plaatsvindt als er in een groep geen erfgenamen zijn:

a. mijn drie andere kinderen dan mijn zoon [K], ieder voor één/vierder gedeelte van mijn nalatenschap, met inachtneming van de huidige wettelijke regels van plaatsvervulling vòòr die aanwas;

b. voor het resterende één/vierde gedeelte van mijn nalatenschap de kinderen van mijn zoon [K], met inachtneming van de huidige wettelijke regels van plaatsvervulling vòòr die van aanwas, onder de last voor de erfgenamen sub b om naar rato van hun verkrijging aan de nalatenschap te voldoen de nominale vorderingen, met de daarover nog verschuldigde rente, die ik en mijn vooroverleden echtgenoot had op mijn zoon [K], zullende zij voor het deel van de vordering dat zij voldoen een gelijke vordering krijgen op mijn zoon [K].

Op het moment van het maken van dit testament zijn die vorderingen:

- vijftig duizend gulden (f. 50.000,00) nog op basis van een lening door mijn vooroverleden echtgenoot en mij verstrekt aan mijn zoon [K];

- twintig duizend gulden (f. 20.000,00) en vijftig duizend gulden (f. 50.000,00) op basis van recentelijk door mijzelf aan mijn zoon [K] verstrekte leningen.

II. Indien mijn zoon [K] een beroep doet op zijn legitieme portie, hetgeen ik hem verzoek niet te doen, zal inkorting plaatsvinden op het erfdeel van zijn kinderen/afstammelingen naar rato van hun verkrijging:

ik bepaal dat bij het inroepen van de legitieme met het erfdeel van mijn zoon [K] uit de nalatenschap van mijn vooroverleden echtgenoot en uit mijn nalatenschap verrekend dient te worden zijn schulden aan de nalatenschap van mijn vooroverleden echtgenoot en aan mij, die hiervoor zijn genoemd, voor zover de wet al niet verrekening regelt en voor zover ik deze bepaling kan maken in het kader van de legitieme.

Voor zover bedoelde verrekening niet kan plaatsvinden blijft de last sub D.I.b. in stand, met die beperking dat het erfdeel van de erfgenamen sub D.I.b. niet overtroffen kan worden door de grootte van de last, beide in geld omgerekend.”

2.4. Op 17 september 2002 is [K] gefailleerd. Het faillissement van [K] is op 8 juli 2008 omgezet in een wettelijke schuldsanering. Curator in het faillissement en bewindvoerder in de schuldsanering was, respectievelijk is, [D].. [D]. heeft ten aanzien van de nalatenschap van [J] de legitieme ingeroepen.

2.5. [J] is overleden op 7 januari 2005.

3. De conventionele vordering en het verweer

3.1. De vordering in conventie strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: de (wijze van) verdeling van de nalatenschap zal vaststellen met inachtneming van hetgeen is vermeldt in punt 10 tot en met punt 12 van de dagvaarding;

subsidiair: notaris mr. J. Cohen te Groningen opdracht zal geven de akte van verdeling vast te stellen overeenkomstig de financiële opstelling, althans de (wijze van) verdeling vast te stellen zoals de rechtbank zal vermenen te behoren, althans voornoemde notaris opdracht zal geven de akte van verdeling vast te stellen zoals de rechtbank zal vermenen te behoren.

3.2. De conclusie van [D]. strekt ertoe dat de primaire vordering zal worden afgewezen. [D]. refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de subsidiaire vordering, voor zover in het petitum van deze subsidiaire vordering bedoeld en gelezen mag worden “conform de opstelling van notaris mr. J. Cohen, die bijlage vormt bij zijn brief aan het [echtpaar E en J] te [woonplaats] d.d. 16 augustus 2007 (productie 1 [D]., verder aan te duiden als het afwikkelingsvoorstel van mr. Cohen), een en ander kosten rechtens.

3.3. De conclusie van [F, G en I] strekt ertoe dat de verdeling van de nalatenschap dient te worden vastgesteld conform de als productie 3 door [F, G en I] in het geding gebrachte verdeling, kosten rechtens.

4. De reconventionele vordering van [D]. en het verweer

4.1. De vordering in reconventie van [D]. strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A,B en C] zal veroordelen tot betaling aan [D]. van een bedrag van EUR 63.181,80, zijnde de voorgeschreven legitimaire aanspraak van [K], vermeerderd met de rente daarover vanaf 3 december 2008 tot en met de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [A,B en C] in de kosten van de reconventie.

4.2. De conclusie van [A,B en C] strekt ertoe dat de vordering in reconventie van [D]. zal worden afgewezen.

5. De reconventionele vordering van [F, G en I] en het verweer.

5.1. De (vermeerderde) reconventionele vordering van [F, G en I] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal bepalen dat de verdeling van de getaxeerde kostbaarheden en overige roerende goederen zal plaatsvinden overeenkomstig het voorstel van notaris mr. J. Cohen in zijn brief van 26 september 2005 (productie 5 van [F, G en I]);

2. een onafhankelijke deskundige zal benoemen welke onderzoek doet naar de geldstromen via de diverse bank- en girorekeningen vanaf [datum] (de overlijdensdatum van [E]) tot 22 augustus 2008 (de datum van de inleidende dagvaarding);

3. zal bepalen dat [A] dient af te leggen ter zake haar handelingen met betrekking tot de administratie van erflaatster vanaf [datum] tot 22 augustus 2008;

met veroordeling van [A,B en C] in de kosten van dit geding.

5.2. De conclusie van [A,B en C] strekt ertoe dat de rechtbank de reconventionele vordering van [F, G en I] zal afwijzen.

6. De beoordeling

6.1. Naar aanleiding van het vonnis van 20 januari 2010 is de wettelijk vertegenwoordigster van [I] alsnog in dit geding opgeroepen en verschenen en heeft het door Beatrijs Emma ingenomen standpunt namens haar overgenomen.

De conventionele vordering

6.2. De vordering in conventie strekt er primair toe om de verdeling vast te stellen met inachtneming van hetgeen onder punt 10 tot en met 12 in de dagvaarding is vermeld. Blijkens de bedragen die in deze punten in de dagvaarding zijn vermeld, hebben [A,B en C] het afwikkelingsvoorstel van mr. Cohen tot uitgangspunt genomen. De rechtbank zal dat in het navolgende ook doen.

6.2.1. In het afwikkelingsvoorstel is ter zake de inboedel een bedrag vermeld van EUR 100.534,-. Daarbij is tot uitgangspunt genomen de taxatie van de heer [taxateur 1] uit 1992 (verder de taxatie uit 1992), vermeerderd met 10% en de hernieuwde taxatie die slechts betrekking had op de schilderijen en het meubilair door de heer [taxateur 2] uit 2004 (verder: de taxatie uit 2004).

6.2.2. [F, G en I] stellen zich op het standpunt dat

1. een deel van de inboedel niet getaxeerd is;

2. de olieverfschilderijen op doek (portret man en portret vrouw) Gert LO Monogram J. Vet is ten onrechte getaxeerd op een waarde van EUR 15.000,-, dit moet zijn EUR 5.000. De taxatie door [taxateur 3] is niet deugdelijk uitgevoerd, aangezien geen deugdelijke opdracht is verstrekt en [A,B en C] een belang hadden bij een hoge taxatie, [taxateur 1] heeft de schilderijen destijds op fl.5.000,- getaxeerd;

3. ook de taxatie van [taxateur 3] van het portret van [X] is niet deugdelijk, hetgeen alleen al blijkt uit de onjuiste datering van het portret van 1915, terwijl [X] in 1911 is overleden.

6.2.3. Ten aanzien van 1: [A,B en C] hebben de stellingen van [F, G en I] gemotiveerd betwist. [A,B en C] stellen dat het overgrote deel van de inboedel dat enige waarde had, is getaxeerd, het overige deel is verdeeld, weggegeven of weggegooid. In het licht van deze betwisting had het op de weg van [F, G en I] gelegen om hun stellingen nader te onderbouwen, met name door uiteen te zetten welke voorwerpen dan niet zijn getaxeerd. De rechtbank stelt vast dat [F, G en I] dat hebben nagelaten zodat de stellingen van [F, G en I] moeten worden gepasseerd.

6.2.4. Ten aanzien van 2. beroepen [A,B en C] zich op een afspraak die zou zijn gemaakt over de taxatie. Naar de rechtbank aanneemt betreft dat de afspraken zoals deze zijn neergelegd in de brief van mr. Cohen van 26 september 2005. De daarin vermelde afspraken binden evenwel, naar moet worden aangenomen, [F, G en I] niet aangezien zij daarbij geen partij zijn. [A,B en C] voeren voorts aan dat de voor de afwikkeling van de nalatenschap relatief kleine wijzigingen die optreden in de afwikkeling na hertaxatie niet opwegen tegen de kosten van een hertaxatie.

Dit standpunt komt de rechtbank juist voor. Indien, zoals [F, G en I] wensen, wordt uitgegaan van de lagere waarde van EUR 5.000,- van voornoemde olieverfschilderijen, dan leidt dit er niet toe dat aan [F, G en I] toch enige uitkering gedaan dient te worden, de berekening van mr. Cohen volgend leidt dit tot een grotere overbedeling van [F, G en I] (EUR 6.143,32 in plaats van EUR 4.585,85). Ook indien de berekening van [F, G en I] tot uitgangspunt wordt genomen, leidt dat tot de conclusie dat [F, G en I] geen belang hebben bij aanpassing van de waarde zoals zij voorstellen.

6.2.5. Ten aanzien van 3. Het taxatierapport van [taxateur 3] noemt geen portret van [X] uit 1915 zodat de stelling feitelijke grondslag ontbeert.

6.2.6. Met betrekking tot de verdeling van de sieraden stellen [A,B en C] een verdelingswijze voor die door noch door [F, G en I] (vgl. rechtsoverwegingen 6.3.1 tot en met 6.3.3) noch door [D]. wordt bestreden. De rechtbank ziet, anders dan [A,B en C] in punt 11 van de dagvaarding voorstellen, geen aanleiding de waarde van de sieraden tussen de erfgenamen te verrekenen. Het navolgende is daarvoor redengevend:

1. [A,B en C] hebben - onweersproken - gesteld dat de sieraden geen hoge waarde vertegenwoordigen (anders dan emotionele waarde), hetgeen wordt bevestigd door de - blijkbaar ook door [A,B en C] aanvankelijk en nu ook door [F, G en I] onderschreven - brief van 26 september 2005 van mr. Cohen (vgl. rechtsoverweging 6.3.1);

2. de wijze van verdeling, waarbij ieder der erfgenamen om de beurt de mogelijkheid krijgen een sieraad te kiezen leidt ertoe dat mag worden aangenomen dat geen overbedeling zal plaatsvinden die op zal wegen tegen de kosten van taxatie, noodzakelijk voor verrekening;

3. de primaire vordering van [A,B en C] ziet blijkens punt 12 van de dagvaarding op afwikkeling van de nalatenschap conform de brief van mr. Cohen van 16 augustus 2007; de in deze brief voorgestelde berekening van de erfdelen en legitieme portie laten de waarde van de sieraden buiten beschouwing.

6.2.7. Anders dan [F, G en I] bij conclusie van antwoord stellen, moet worden aangenomen dat de schenkingen zoals genoemd in de beschikking van de kantonrechter van 13 december 2004 (productie 2 van [F, G en I]) op de juiste wijze zijn verwerkt in de brief van mr. Cohen van 16 augustus 2007. Bij conclusie van repliek hebben [A,B en C] immers - door [F, G en I] niet meer gemotiveerd weersproken - gesteld dat vorenbedoelde schenkingen in 2004 aan [A,B en C] zijn uitgekeerd (onder verrekening van de lening van [A]), dat aan [K] in 2004 geen uitkering is gedaan, en dat het in 2005, in verband met het overlijden van [J], in het geheel geen uitkeringen meer zijn gedaan. Voor zover [F, G en I] in hun alternatief afwikkelingsvoorstel uitgaat van volledige uitkering van de in de machtiging van de kantonrechter genoemde schenkingen, kan dit afwikkelingsvoorstel derhalve niet worden gevolgd.

6.2.8. [F, G en I] stellen zich voorts bij de conclusie van antwoord op het standpunt dat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van [E] moet worden uitgegaan van de waarde van de woning van 1990, hetgeen ertoe leidt dat de omvang van de nalatenschap van [J] toeneemt met de waardestijging van de woning vanaf 1990 tot het moment van verkoop. Zij voeren daartoe aan dat de woning is verkocht voordat de nalatenschap van [J] is opengevallen en dat de opbrengst van de woning grotendeels is geschonken in 2004 en 2005. Voorts stellen zij bij conclusie van dupliek dat uit het aanslagbiljet rechts van successie (als productie 6 door [F, G en I] in het geding gebracht) blijkt dat het erfdeel EUR 10.662,- bedraagt, en derhalve niet het bedrag van EUR 39.319 waarvan [A,B en C] vanuit gaan.

6.2.9. De rechtbank volgt [F, G en I] hierin niet. De onverdeelde helft van vorenbedoelde woning behoorde tot het overlijden aan [E] toe, en is dus in zijn nalatenschap gevallen. De erfgenamen van [E] zijn daarmee (ook) gerechtigd tot de waardestijging van deze onverdeelde helft. Hetgeen [F, G en I] hebben aangevoerd leidt niet tot een andere conclusie.

Anders dan [F, G en I] is de rechtbank voorts van oordeel dat uit het aanslagbiljet recht van successie niet kan worden afgeleid dat de erfdelen van de kinderen uit de nalatenschap EUR 10.662,- bedragen. [A,B en C] hebben als productie 9 zowel voornoemd aanslagbiljet als een samenvatting die heeft gediend om het recht van successie vast te stellen in het geding gebracht. Uit die samenvatting valt af te leiden dat de huwelijksgoederengemeenschap van [E] en [J] een omvang had van fl.408.361,-, hetgeen leidt tot een omvang van de nalatenschap van [E] van fl. 200.924 (indien de begrafeniskosten in mindering zijn gebracht). Dat bedrag wordt naar moeten worden aangenomen, op goede gronden ook door mr. Cohen in zijn berekeningen gehanteerd als saldo van de nalatenschap (vgl. productie 10 van [A,B en C]). Voornoemde samenvatting en de berekening van mr. Cohen zijn te rijmen met voornoemd aanslagbiljet aangezien bij de in het aanslagbiljet vermelde bedragen, naar moet worden aangenomen, rekening is gehouden met de omstandigheid dat de kinderen van [E] eerst met het overlijden van [J] over hun erfdeel uit de nalatenschap van [E] konden beschikken.

De rechtbank houdt de berekening zoals vermeldt in productie 10 bij dagvaarding, uitkomend op een vordering van EUR 39.319,- per kind op de boedel van [J] in verband de nalatenschap van [E] dan ook voor juist.

6.2.10. [F, G en I] stellen zich in hun conclusie van antwoord in punt 4 tot en met 10 op het standpunt dat de aanspraak uit de legitieme portie dient te worden verrekend met de schulden van [K] aan de nalatenschappen. Zij doen daarbij een beroep op artikel 4:217 BW juncto 54 Fw, naar de rechtbank aanneemt in samenhang met het testament van [J] waarin, voor zover van belang is bepaald: "dat bij het inroepen van de legitieme met het erfdeel van mijn zoon [K] uit de nalatenschap van mijn vooroverleden echtgenoot en uit mijn nalatenschap verrekend dient te worden zijn schulden aan de nalatenschap van mijn vooroverleden echtgenoot en aan mij, die hiervoor zijn genoemd, voor zover de wet al niet verrekening regelt en voor zover ik deze bepaling kan maken in het kader van de legitieme".

In het afwikkelingsvoorstel van mr. Cohen is niet uitgegaan van verrekening, maar van oninbaarheid van de vordering uit de nalatenschappen op [K].

6.2.11. De rechtbank stelt vast dat indien wel verrekening zou moeten worden overgegaan, de nalatenschap van [J] in omvang toeneemt aangezien dan de vorderingen uit de nalatenschap op [K] niet langer oninbaar moeten worden geacht. Dat leidt ertoe dat het erfdeel van [A,B en C] eveneens toeneemt. De door [F, G en I] voorgestane wijze van verrekenen raakt dan ook niet zozeer (in negatieve zin) de positie van [A,B en C] maar van [D]..

De rechtbank ziet, alvorens verder te beslissen, dan ook aanleiding [D]. in de gelegenheid te stellen op het door [F, G en I] ter zake betrokken standpunt te reageren, waarna [F, G en I] en [A,B en C] in de gelegenheid zullen worden gesteld te reageren.

De vorderingen in reconventie van [F, G en I]

6.3. De eerste vordering van [F, G en I] strekt ertoe dat de getaxeerde kostbaarheden en overige roerende goederen worden verdeeld overeenkomstig het voorstel, vervat in de brief van mr. Cohen van 26 september 2005.

6.3.1. [A,B en C] hebben, onder verwijzing naar stukken en door [F, G en I] vervolgens niet meer weersproken, gesteld dat verdeling van de roerende goederen - op de sieraden na - reeds heeft plaatsgevonden en wel op 2 april 2006. In zoverre hebben [F, G en I] geen belang bij deze vordering en dient zij te worden afgewezen.

De sieraden, vermeld op een lijst die door [A,B en C] als productie 16 in het geding is gebracht, bevinden zich bij [A] en dienen nog te worden verdeeld. De brief van 26 september 2005 vermeldt ter zake als volgt:

“Het voorstel van de drie anderen is deze sieraden grotendeels zonder verrekening van financiële waarde (die er niet echt zou zijn), toe te delen aan de dochters, waarbij [H] zou kunnen aangeven welke sieraden zij graag zou willen hebben. Moeder zou hebben uitgesproken - zonder dat dat ergens op papier staat - dat de sieraden voor de dochters zijn.”

6.3.2. Dit voorstel is op het eerste gezicht niet duidelijk, aangezien niet valt in te zien waarom enerzijds [H] zou moeten kunnen aangeven welke sieraden zij graag zou willen hebben en anderzijds wordt gesproken over toedeling aan de dochters (van [J], derhalve aan [A] en [C]). In het licht van het testament van [J], waarbij ook de kleindochters ([G] en [I]) tot erfgenaam zijn benoemd, gaat de rechtbank er vanuit dat de bedoeling is dat de sieraden onder [A], [C] en [H] worden verdeeld, waarbij [H] namens de kleindochters optreedt.

6.3.3. Zo bezien is dat in overeenstemming met de bij dagvaarding door [A,B en C] uitgesproken wens om de sieraden te verdelen onder de erfgenamen en wordt de vordering van [F, G en I] dus niet weersproken. De vordering zal - voor zover betrekking hebbend op de sieraden - zal derhalve worden toegewezen.

6.3.4. [F, G en I] hebben zich in hun stukken nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat tot hertaxatie van de inboedel - waaronder dus blijkbaar ook de sieraden - zou moet worden overgegaan. Nog daargelaten dat dit, uiterst onpraktisch is aangezien - op de sieraden na - de inboedel reeds verdeeld is, ontbreekt een daarop toegesneden vordering. In het kader van de beoordeling van deze reconventionele vordering zal de rechtbank de ter zake betrokken stellingen dan ook ter zijde laten.

6.4. [F, G en I] hebben aan de vordering tot benoeming van een onafhankelijke deskundige ten grondslag gelegd dat mr. Cohen, executeur van de nalatenschap van [J], zijn opstellingen ter zake leningen en schenkingen een aantal keren heeft gewijzigd omdat een gedegen onderzoek door hem achterwege is gelaten. Het onderzoek door mr. Cohen heeft zich ten onrechte beperkt tot bankrekeningnummer [nummer]; andere bankrekeningen zijn nimmer nagetrokken.

6.4.1. [A,B en C] stellen zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor nader onderzoek door een onafhankelijk deskundige. Alle bekende bankrekeningen zijn nagetrokken.

6.4.2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Dat mr. Cohen zijn berekening een aantal keren heeft aangepast leidt nog niet tot de conclusie dat de gegevens die hij laatstelijk tot uitgangspunt heeft genomen, onvolledig zijn. De stelling van [F, G en I] dat sprake zou zijn van andere - niet bekende rekeningen - is niet onderbouwd en gemotiveerd bestreden door [A,B en C]. In het licht van de door [A,B en C] gestelde en door [F, G en I] niet weersproken omstandigheid dat de vader van [F, G en I], [K], executeur testamentair is geweest van de nalatenschap van [E] en uit dien hoofde de bekend moet worden verondersteld met de bankrekeningen waarover [E] en [J] beschikten acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat thans niet alle bankrekeningen bekend zijn.

6.5. [F, G en I] hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat [A] rekening en verantwoording dient af te leggen over “haar handelingen met betrekking tot de administratie van erflaatster vanaf [datum] tot 22 augustus 2008”.

6.5.1. [A,B en C] hebben de vordering gemotiveerd bestreden.

6.5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Door [F, G en I] onvoldoende weersproken is de stelling van [A,B en C] dat [A] eerst sedert 1998 bemoeienis heeft gehad met de administratie van [J]. Voor zover de vordering betrekking heeft op de periode die hieraan vooraf is gegaan, moet zij derhalve stranden.

Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken valt niet af te leiden op welk moment [J] onder meerderjarigenbewind is gesteld; slechts valt vast te stellen dat dit op enig moment tussen 1998 en 9 november 2004 (de datum waarop [A] in haar hoedanigheid van bewindvoerder aan de kantonrechter heeft verzocht om machtiging tot het doen van schenkingen).

In de periode gelegen tussen het moment waarop [A] voor [J] de administratie is gaan doen en het moment waarop [J] onder bewind is gesteld geldt het volgende. Aangenomen moet worden dat [A] op verzoek van [J] de administratie is gaan verzorgen, hetgeen dan gekwalificeerd moet worden als een overeenkomst van opdracht. Artikel 7:403 brengt dan mee dat rekening en verantwoording moet worden afgelegd jegens de opdrachtgever, [J]. In de situatie waarin door de dood van de opdrachtgever de opdracht eindigt (hetgeen naar de rechtbank aanneemt hier het geval is), is de opdrachtnemer verplicht op grond van artikel 7:410 lid 2 BW “al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen”. Daaronder valt evenwel niet het doen van rekening en verantwoording; blijkens de wetsgeschiedenis is de strekking van deze regeling dat de opdrachtnemer rekening behoort te houden met de belangen van de erfgenamen die door “het plotseling afbreken van de dienstverrichting zouden worden geschaad”.

Vanaf het moment dat [J] onder meerderjarigenbewind stond, geven de artikelen 1:445 juncto 1:373 en 1:374 BW een regeling. Die regeling komt erop neer dat de bewindvoerder aan de erfgenamen rekening en verantwoording dient af te leggen, hetgeen geschiedt ten overstaan van de kantonrechter. Gelet op deze regeling is in de onderhavige procedure geen plaats voor toewijzing van de vordering voor zover deze ziet op de periode ná onderbewindstelling.

Concluderend dient te worden vastgesteld dat geen grond voor toewijzing van de vordering tot het doen van rekening en verantwoording bestaat.

6.6. De beslissingen worden aangehouden totdat er is beslist in conventie

De reconventionele vordering van [D].

6.7. De vordering van [D]. strekt ertoe dat [A,B en C] zullen worden veroordeeld tot betaling van de legitieme portie. [D]. heeft aan de vordering tot betaling door [A,B en C] van de legitieme portie ten grondslag gelegd dat uit hoofde van artikel 6:6 BW de erfgenamen voor gelijke delen verbonden zijn ter zake de schuld aan de legitimaris.

6.7.1. [A,B en C] hebben zich tegen de vordering verweerd. Zij voeren aan dat uit artikel 4:87 BW dan wel uit het testament volgt dat eerst inkorting op het erfdeel van de kleinkinderen, [F, G en I], dient plaats te vinden.

6.7.2. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 80, eerste lid BW, bepaalt, voor zover van belang dat de legitimaris ter zake zijn legitieme portie een vordering in geld heeft op de gezamenlijke erfgenamen. Als erfgenamen zijn bij testament aangewezen: [A,B en C] en [F, G en I]. Deze zes erfgenamen zijn dus ieder voor zich aansprakelijk tot een bedrag van 1/6 deel van de legitieme portie.

6.7.3. Het verweer van [A,B en C] gaat niet op aangezien artikel 4:87 BW geen regeling omtrent de aansprakelijkheid geeft. De regeling heeft betrekking op de (onderlinge, tussen de erfgenamen bestaande) draagplicht.

6.7.4. De beslissing zal echter worden aangehouden in verband met hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 6.2.10 en 6.2.11.

7. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in de reconventies

7.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 augustus 2010 voor het nemen van een akte door [D]., waarna [A,B en C] en [F, G en I] op deze akte zullen kunnen reageren,

7.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.