Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN6250

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
14-09-2010
Zaaknummer
155857 / HA ZA 09-425
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil rondom as van overleden verwant (resp. vader, broer en zwager van eisers).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 155857 / HA ZA 09-425

Vonnis van 7 april 2010

in de zaak van

1. [eiser sub a],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub b],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub c],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J. Burema te Almere,

tegen

[gedaagde sub a],

wonende te [woonplaats]

gedaagde

advocaat mr. W. Doornink te Hoorn

en tegen

[gedaagde sub b]

wonende te [woonplaats],

gevoegde partij aan de zijde van gedaagde,

advocaat mr. W. Doornink te Hoorn.

Eisers zullen hierna [eiser sub a, sub b en sub c] genoemd worden; de gedaagde en de gevoegde partij zullen resp. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 maart 2010 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de incidentele conclusie tot voeging

- de akte uitlating aan de zijde van [eiser sub a, sub b en sub c]

- de akte wijziging eis aan de zijde van [eiser sub a, sub b en sub c]

- het vonnis in het incident van 24 juni 2009

- de conclusie van repliek met één productie

- de conclusie van dupliek met één productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eisers, hierna te noemen [eiser sub a, sub b en sub c], zijn respectievelijk een zoon, een broer en een schoonzuster van (wijlen) [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] (hierna: [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c]). [eiser sub a] is één van de twee kinderen uit het eerste huwelijk van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c]. [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] heeft laatstgenoemd gezin verlaten toen [eiser sub a] 1 jaar oud was.

2.2. Tot aan zijn overlijden was [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] gehuwd met [gedaagde sub a]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren: [gedaagde sub b] en haar minderjarige broer [broer van gedaagde sub b]. Eind maart 2008 heeft [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] de echtelijke woning verlaten. Bij beschikking van 1 oktober 2008 is de echtscheiding tussen [gedaagde sub a] en [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] uitgesproken. Deze beschikking is niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] is op 14 januari 2009 levenloos in zijn woning aangetroffen. Op 23 januari 2009 is zijn lichaam in opdracht van [gedaagde sub a] gecremeerd.

2.4. Op verzoek van [eiser sub b] en [eiser sub c] is op 18 februari 2009 conservatoir beslag gelegd onder het Crematorium Almere op de urn met as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c].

2.5. Bij vonnis in kort geding van 2 juli 2009 (155596 / KG ZA 09-128) heeft de voorzieningenrechter het hiervoor genoemde beslag op de urn met as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] opgeheven. De urn bevindt zich thans in de woning van [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b].

3. Het geschil

3.1. [eiser sub a, sub b en sub c] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] zal veroordelen hun medewerking te verlenen aan het begraven van de urn, houdende de as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], op een door [eiser sub a, sub b en sub c] aan te geven begraafplaats;

2. zal beslissen dat [eiser sub a, sub b en sub c] de gelegenheid behoren te krijgen afscheid van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] te nemen door middel van het houden van een rouwdienst op een door [eiser sub a, sub b en sub c] aan te geven locatie, waaraan [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] desnodig medewerking zullen behoren te verlenen met dien verstande dat in ieder geval de urn, houdende de as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], ongeacht welke beslissing de rechtbank te dien aanzien zal nemen, ter beschikking zal worden gesteld teneinde aanwezig te zijn gedurende de rouwdienst;

3. zal beslissen dat ter zake beslissingen waarbij de medewerking van [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] vereist is en [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] weigeren deze te verlenen, te weten beslissingen betreffende de aard en omvang van de rouwdienst, beslissingen terzake eventueel transport, bewaring en behandeling van de urn, houdende de as, beslissingen terzake de aanwijzing van de begraafplaats, de keuze van het graf en de keuze van de grafsteen, de aard en de omvang van de begrafenisceremonie, het door de rechtbank in deze zaak te wijzen vonnis hiervoor in de plaats komt en als vervangende toestemming van de rechtbank kan worden aangemerkt;

4. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser sub a, sub b en sub c] hebben bij akte hun eis gewijzigd. Nu [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] tegen deze wijziging geen bezwaar hebben gemaakt, zal de rechtbank recht doen op de gewijzigde eis.

4.2. [eiser sub a, sub b en sub c] baseren hun vorderingen op de stelling dat [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], toen hij nog leefde, duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij begraven wilde worden. Volgens hen heeft [gedaagde sub a] het lichaam van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] tegen zijn wens laten cremeren. Zij willen thans voor zover nog mogelijk aan de wensen van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] voldoen door zijn as te laten begraven. Daarnaast willen [eiser sub a, sub b en sub c] en de overige familieleden alsnog in een rouwplechtigheid afscheid nemen van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], in aanwezigheid van zijn as.

4.3. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] betwisten dat het de uitdrukkelijke wens van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] was dat hij zou worden begraven. Volgens hen heeft hij bij een bezoek aan een open dag van het crematorium juist gezegd dat het crematorium zijn “toekomst” was. Zij voeren aan dat [gedaagde sub a] ten tijde van zijn overlijden nog met [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] gehuwd was, ook al had hij de echtelijke woning op dat moment verlaten. [gedaagde sub a] heeft in opdracht van [eiser sub a] alle nodige maatregelen getroffen voor de crematie. Daarom is zij verbaasd over zijn huidige opstelling. [gedaagde sub a] merkt voorts op dat [eiser sub a] pas 1 jaar oud was toen [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] het gezin verliet. De kinderen van [gedaagde sub a], [gedaagde sub b] en [broer van gedaagde sub b], hebben hun hele leven met [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] in gezinsverband gewoond.

4.4. Ingevolge artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging geschiedt de lijkbezorging en het geven van bestemming aan de as van een verbrand lijk overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Aangenomen wordt dat artikel 18 ook doorwerkt op de wijze waarop na crematie wordt omgegaan met de as – hoewel de asbestemming als zodanig geen vorm van lijkbezorging is. Het lichaam van een overledene geldt niet als een zaak in de zin van de wet. Beschikkingen over het stoffelijk overschot zoals bedoeld in de Wet op de lijkbezorging gelden derhalve niet als vermogensrechtelijke, maar als familierechtelijke beschikkingen. Afgifte van een lichaam (of van de as van een verbrand lichaam) van een overledene kan dan ook nimmer gevorderd worden op grond van eigendomsrechten die men erop zou kunnen doen gelden.

4.5. [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] heeft geen uiterste wilsbeschikking opgesteld met betrekking tot zijn lijkbezorging. Partijen verschillen van mening over de wensen van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] tijdens zijn leven. Volgens [eiser sub a, sub b en sub c] wilde [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] worden begraven. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] betogen dat hij wilde worden gecremeerd. Gesteld noch gebleken is dat [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] heeft kenbaar gemaakt wat – na een eventuele crematie – zijn wensen waren met betrekking tot de bestemming van zijn as.

4.6. Indien niet duidelijk is wat de (vermoedelijke) wens van de overledene met betrekking tot de asbestemming was, moet naar redelijkheid en met afweging van de gevoelens en belangen van nabestaanden een bestemming aan de as worden gegeven. De Wet op de lijkbezorging kent geen definitie van nabestaanden. Ook voorziet de wet niet in een specifieke regeling ingeval onenigheid onder nabestaanden met betrekking tot beschikking over de as van een overledene.

4.7. Bij het antwoord op de vraag wie zeggenschap heeft over de asbestemming, kan aansluiting worden gezocht bij de Wet op de lijkbezorging alsmede bij artikel 4:10 van het Burgerlijk Wetboek.

In de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen, een lijk bestemmen voor ontleding in het belang van de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs of aan sectie laten onderwerpen.

In artikel 4:10 lid 1 BW worden als eerste erfgenamen aangewezen: de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen.

4.8. Gelet op zowel de Wet op de lijkbezorging als op artikel 4:10 van het Burgerlijk Wetboek komt allereerst de echtgenote in aanmerking als degene die beschikkingsbevoegd is met betrekking tot de asbestemming, althans als degene met wier belangen in de eerste plaats rekening dient te worden gehouden bij het geven van een bestemming aan de as.

4.9. Aangezien ten tijde van het overlijden van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] de echtscheiding tussen [gedaagde sub a] en [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] reeds was uitgesproken en [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] de gemeenschappelijke woning reeds enige tijd had verlaten, komt naar het oordeel van de rechtbank aan de echtgenote van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], [gedaagde sub a], geen zeggenschap toe met betrekking tot de as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c].

4.10. Vervolgens komen volgens die bepalingen de kinderen als eerste erfgenamen en naaste bloedverwanten in aanmerking om te beslissen over de as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c].

4.11. [eiser sub b] is, als broer van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], een minder naaste bloedverwant en [eiser sub c] is als schoonzuster van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] in het geheel geen bloedverwant. Hun belangen dienen dan ook ondergeschikt te zijn aan de belangen en gevoelens van de kinderen van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c].

4.12. Helaas bestaat ook tussen de kinderen van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] geen overeenstemming over de bestemming van de as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c]. Dat leidt er toe dat de wens van [eiser sub a] om zijn vader te begraven moet worden afgewogen tegen de wens van [gedaagde sub b] (en haar minderjarige broer [broer van gedaagde sub b], van wie een brief is overgelegd) om de urn met de as van hun vader in hun nabijheid te hebben en te houden.

Vast staat dat [gedaagde sub b] en [broer van gedaagde sub b] hun hele leven tot de laatste maanden voor zijn overlijden met [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] in gezinsverband hebben geleefd. Vast staat voorts dat [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] het gezin waarin [eiser sub a] is geboren heeft verlaten toen [eiser sub a] 1 jaar oud was en dat de contacten tussen [eiser sub a] en zijn vader – naar [eiser sub a] schrijft – de laatste jaren verwaterd waren, terwijl [eiser sub a] het regelen van de uitvaart aan [gedaagde sub a] heeft overgelaten en op dat moment niet heeft kenbaar gemaakt dat [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c] – naar zijn zeggen – begraven wilde worden. In dat licht dienen de belangen van [gedaagde sub b] en [broer van gedaagde sub b] te prevaleren boven die van [eiser sub a]. In dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat de wens van [gedaagde sub b] en [broer van gedaagde sub b] om de urn niet te willen begraven maar in de woning te willen bewaren niet onredelijk is. Ook is meegewogen dat [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] hebben verklaard bereid te zijn mee te werken aan een rouwdienst zoals door [eiser sub a, sub b en sub c] is verzocht. De vordering sub 1 zal dan ook worden afgewezen.

4.13. [eiser sub a, sub b en sub c] vorderen sub 2 – kort gezegd – dat [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] mee zullen werken aan een rouwdienst. [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] hebben zich bereid hebben verklaard onder bepaalde voorwaarden hun medewerking te verlenen aan het houden van een rouwdienst zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. Nu [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] hun medewerking hebben toegezegd, ziet de rechtbank geen termen voor toewijzing van het sub 3 gevorderde.

4.14. De slotsom is dat de vorderingen sub 1, 3 en 4 zullen worden afgewezen. De vordering sub 2 zal worden toegewezen.

4.15. In de omstandigheid dat tussen partijen familierechtelijke betrekkingen bestaan, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat [gedaagde sub a] en [gedaagde sub b] de urn, houdende de as van [resp. vader, broer, zwager van eisers sub a, sub b en sub c], éénmalig ter beschikking zullen stellen ten behoeve van een door [eiser sub a, sub b en sub c] te houden rouwdienst op een door [eiser sub a, sub b en sub c] aan te geven locatie;

5.2. wijst af het meer of anders gevorderde;

5.3. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.