Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5881

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
174309 / FA RK 10-3082
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BOPZ. Betrokkene lijdt aan dementie. Geen machtiging tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis aangezien betrokkene voldoende bereidheid toont om vrijwillig opgenomen te blijven.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2010/58 met annotatie van T.P. Widdershoven

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaak/rolnr.: 174309 / FA RK 10-3082

Beschikking van de enkelvoudige familiekamer

1. Het verzoek

Het verzoek van de Officier van Justitie strekt tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) van:

achternaam : [betrokkene]

voornaam : [voorletters betrokkene]

geboren op : [datum] 1925

wonende en

verblijvende : [instelling, plaats]

afdeling : [afdeling]

hierna te noemen betrokkene.

2. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek van de Officier van Justitie van 27 juli 2010, met bijlagen;

- het proces-verbaal van het gehoor op dinsdag 10 augustus 2010, waarbij zijn gehoord:

betrokkene en zijn advocaat mr. J. Smallenbroek te Zwolle, alsmede M.A.A. Hilhorst, arts.

3. De beoordeling

Gebleken is dat in deze procedure de formaliteiten, zoals vereist op grond van de wet BOPZ,

in acht zijn genomen.

De geneeskundige verklaring, de mondelinge toelichting van de arts en de overige in deze zaak verkregen informatie voeren tot de conclusie dat betrokkene gevaar veroorzaakt voor zichzelf.

Dit gevaar bestaat erin dat betrokkene, zonder de structuur van een psychiatrisch ziekenhuis of instelling, maatschappelijk ten onder zal gaan en zichzelf ernstig zal verwaarlozen.

Dit gevaar wordt veroorzaakt door een stoornis van de geestvermogens van betrokkene. Er is sprake van dementie.

Dit gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend.

Naar de rechtbank begrijpt is de aanvraag ingediend omdat er twijfel is gerezen over de wilsbekwaamheid van betrokkene en daarmee over de nodige bereidheid van betrokkene om vrijwillig opgenomen te blijven, in verband met het vermoeden dat hij door een naast al jaren bestaande psychiatrische problematiek thans ook lijdt aan dementie. De medische verklaring bevat de passage: “cognitieve functiestoornissen die maken dat patient niet wilsbekwaam is en niet in staat is te oordelen over (de noodzaak van) de behandeling en verblijf”.

Artikel 2, lid 4, Wet BOPZ bepaalt dat indien een persoon reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, de voorlopige machtiging vereist is indien deze persoon of zijn wettelijke vertegenwoordigers ervan blijk geeft (geven) het vrijwillig verblijf te willen beëindigen, tenzij zij te kennen geven de behandeling in een andere ziekenhuis te willen voortzetten en dit ziekenhuis bereid is de betrokkene op te nemen.

Betrokkene geeft er echter blijk van de nodige bereidheid te hebben zich in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. Dit is tijdens het gehoor door betrokkene naar voren gebracht, maar valt ook af te leiden uit de (mondelinge en schriftelijke) verklaringen van de artsen en de verpleegkundige.

De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin betrokkene al jaren vrijwillig in de instelling verblijft en geen enkel signaal afgeeft dat langer verblijf niet zijn instemming heeft, uitgegaan mag worden van een voortduring van het vrijwillig karakter van de opname. Dit zou anders zijn indien betrokkene te kennen geeft niet meer bereid te zijn tot verder verblijf, bij voorbeeld door dit mondeling te uiten, zich te verzetten of door weg te (willen) lopen. Daarbij wordt aangetekend dat niet iedere daad van verzet onmiddellijk geduid moet worden als het gaan ontbreken van de nodige bereidheid, anderszijds kan het gaan ontbreken van de bereidheid wel uit allerlei feitelijke gedragingen worden afgeleid.

In het onderhavige geval is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij betrokkene nog steeds de nodige bereidheid bestaat om opgenomen te blijven, zodat niet aan de voorwaarden is voldaan om een voorlopige machtiging af te geven.

4. Beslissing

De rechtbank

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.F. Smeele, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 augustus 2010.