Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN4488

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
171540 - KG ZA 10-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslagperikelen. Conservatoir beslag was vervallen, maar inmiddels had de Ontvanger al executoriaal beslag doen leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171540 / KG ZA 10-246

Vonnis in kort geding van 24 juni 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.B.H. Beune te Nijmegen,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RANDMEREN,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. L.A.H. van Scheijen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Ontvanger genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Ontvanger.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is bestuurder van [A] B.V.

2.2. De Ontvanger heeft op 30 juni 2009 voor een bedrag van EUR 210.000,- ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd onder notaris mr. [notaris] te [plaats] - hierna: de notaris - op de koopsom voortvloeiende uit de verkoop en levering door [eiser] van de onroerende zaak aan het [adres] te [plaats].

2.3. Bij beschikking aansprakelijkstelling van 29 september 2009 heeft de Ontvanger [eiser] als bestuurder van [A] B.V. op grond van onder meer artikel 36 Invorderingswet en artikel 60 Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten aansprakelijk gesteld voor een bedrag van EUR 187.773,- wegens door [A] B.V. niet betaalde omzet- en loonbelasting.

2.4. De raadsman van [eiser] heeft tegen deze beschikking bij brief van 9 november 2009 bezwaar gemaakt.

2.5. In de brief van 17 maart 2010 aan de notaris stelt de raadsman van [eiser] zich op het standpunt dat voormeld conservatoir beslag van rechtswege is vervallen, omdat de Ontvanger op grond van artikel 51 lid 2 aanhef onder a Invorderingswet niet binnen vier maanden na dagtekening van de beschikking aansprakelijkstelling uitspraak heeft gedaan op het bezwaar. In die brief staat tevens dat het onder de notaris verblijvende bedrag aan [eiser] toekomt en dat de notaris het geld op de door [eiser] in die brief aangegeven wijze dient uit te keren.

2.6. De heer [naam] bericht namens de Ontvanger bij brief van 17 maart 2010 aan de raadsman van [eiser]:

Naar aanleiding van uw fax van hedenmorgen 17 maart 2010 stel ik mij op het standpunt dat de termijn van vier maanden genoemd in artikel 51 lid 2 letter a IW wordt geschorst met de tijd die u en ik nodig hebben gehad voor het indienen van uw nadere motivering (2 februari 2010) op het door u op 9 november 2009 ingediende bezwaarschrift en het maken van een afspraak voor het op 18 maart a.s. te houden hoorgesprek.

Wij zijn steeds in goed onderling overleg en veelal op uw verzoek gekomen tot het vaststellen van data voor het indienen van de nadere motivering, voor het inzien van de invorderingsdossiers en het hoorgesprek. Ik ga er van uit dat de tijd die daarmee is heengegaan een schorsende werking heeft op de termijn van 4 maanden genoemd in artikel 51 IW.

Het gelegde conservatoir beslag is daarmee naar mijn mening op dit moment niet van rechtswege vervallen. (…)

2.7. In de brief van 1april 2010 gericht aan de raadsman van [eiser] doet de Ontvanger uitspraak op het bezwaar en wordt het bezwaar afgewezen. In een andere brief van dezelfde datum meldt de Ontvanger dat het uitstel van betaling is vervallen en dat [eiser] de onderhavige belastingschuld dient te betalen binnen de op het aanslagbiljet gestelde termijn.

2.8. Bij brief d.d. 8 april 2010 aan de notaris sommeert de raadsman van [eiser] deze om tot uitkering van de gelden van [eiser] over te gaan.

2.9. Op 12 april 2010 stuurt de Ontvanger [eiser] een aanmaning voor de betaling van het openstaande bedrag van EUR 187.773,-.

2.10. Op 20 april 2010 vaardigt de Ontvanger een dwangbevel uit aan [eiser], dat aan hem wordt betekend. Daarnaast legt de Ontvanger op 3 mei 2010 ten laste van [eiser] executoriaal beslag onder de notaris op alle huidige en toekomstige vorderingen van [eiser] op de notaris.

2.11. Bij brief van 3 juni 2010 bericht mr [naam] namens de Ontvanger aan de raadsman van [eiser]:

Naar aanleiding van uw brief van 21 mei 2010 en de daarbij behorende dagvaarding waarin u de voorzieningenrechter verzoekt te verklaren voor recht dat het conservatoir beslag is vervallen op grond van artikel 51 lid 2 Invorderingswet bericht ik u als volgt.

Op grond van artikel 51 lid 2 IW is het conservatoir beslag van rechtswege komen te vervallen. Inmiddels is er executoriaal beslag gelegd onder de notaris op 3 mei 2010 en op een onroerende zaak op 6 mei 2010. Op diezelfde data zijn de beslagstukken betekend aan belastingschuldige.

Ik verzoek u mij te bevestigen dat u het kort geding intrekt.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert uitvoerbaar bij voorraad:

1. dat voor recht wordt verklaard dat het conservatoir beslag van 30 juni 2009 gelegd door de Ontvanger is vervallen;

2. dat voor recht wordt verklaard dat de Ontvanger heeft te dulden dat door de notaris gelden worden uitgekeerd aan [eiser] conform de mededeling van 17 maart 2010 aan de notaris gedaan door de gemachtigde van [eiser],

3. de Ontvanger te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag.

De Ontvanger had op grond van artikel 51 lid 2 sub a Invorderingswet binnen 4 maanden na de aansprakelijkstelling (gedagtekend 29 september 2009) uitspraak moeten doen op het bezwaarschrift. Nu de Ontvanger niet binnen deze termijn uitspraak heeft gedaan, is het conservatoir beslag van rechtswege (op 29 januari 2010) vervallen. De notaris had gelet daarop en naar aanleiding van de brief van [eiser] gericht aan de notaris d.d. 17 maart 2010 medewerking moeten verlenen aan de uitkering aan [eiser] van zijn onder de notaris berustende gelden. Indien de notaris hieraan had meegewerkt dan had hierop nadien door de Ontvanger geen executoriaal beslag onder de notaris gelegd kunnen worden. De Ontvanger dient daarom thans te dulden dat de notaris de gelden van [eiser] die hij onder zich heeft aan [eiser] uitkeert.

3.3. De Ontvanger voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met de Ontvanger wordt geoordeeld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen.

4.2. Met betrekking tot de eerste vordering heeft [eiser], zoals de Ontvanger stelt, geen belang meer. Immers, bij brief d.d. 3 juni 2010 heeft de Ontvanger reeds aan de raadsman van [eiser] bevestigd dat het conservatoir beslag is vervallen. Daarnaast is door [eiser] niet betwist dat op de gelden van [eiser] die onder de notaris berusten door de Ontvanger inmiddels, zoals ook volgt uit de overgelegde stukken, executoriaal beslag is gelegd.

4.3. Ook bij de tweede vordering ontbreekt het belang.

Immers, het al dan niet dulden door de Ontvanger dat de notaris de gelden uitkeert staat los van de vraag of de notaris daadwerkelijk tot uitkering over zal gaan.

Met de Ontvanger wordt die vraag voorshands ontkennend beantwoord gelet op het gelegde executoriale beslag, te meer nu ex artikel 475h lid 1 Rv een in weerwil van het (executoriale) beslag gedane betaling niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen.

De vraag - en het daarover tussen partijen gevoerde debat - of de notaris op 17 maart 2010 al dan niet tot uitkering had moeten over gaan, kan daarmee thans in het midden blijven.

Ten aanzien van het bij de notaris in depot staande bedrag van EUR 30.000,- heeft [eiser] de stelling van de Ontvanger dat aan geen van de voorwaarden in de door partijen getekende depotovereenkomst is voldaan, niet weersproken. Om die reden kan de notaris evenmin tot betaling van dat deel over gaan.

4.4. Nu de vorderingen voor afwijzing gereed liggen, zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.167,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op EUR 1.167,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2010.