Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN4455

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
07/653001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal, maarmalen gepleegd, opzetheling, poging tot diefstal, ISD-maatregel, veelpleger, bewijs- en motivering en motivering maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers: 07.653001-10 en 07.653105-10 (P)

Uitspraak: 22 juli 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R.H. den Haan.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 07.653001-10 en 07.653105-10 tegen de verdachte aangebrachte zaken.

TENLASTELEGGING (zoals ter terechtzitting gewijzigd)

De rechtbank nummert de bij dagvaarding met parketnummer 07.653105-10 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten als de feiten 6, 7 en 8.

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 januari 2010 in de gemeente Waalwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer flessen shampoo en/of één of meer potten Nescafé, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2.

hij op of omstreeks 15 september 2009 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een friteuse, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de (slachtoffer 2), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2009 in de gemeente Deventer, in elk geval in Nederland, een friteuse heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van friteuse wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2009 in de gemeente Deventer, in elk geval in Nederland, een friteuse heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van friteuse redelijkwijs kon vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof.

3.

hij op of omstreeks 21 december 2009 in de gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Suzuki Alto in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 3), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen de bestuurder van die auto, genaamd (slachtoffer 4)e, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een portier van die auto, waarin op dat moment die (slachtoffer 4)e zich bevond, heeft geopend en/of (vervolgens) in die auto is gestapt en/of (vervolgens) een mes, althans een scherp voorwerp in de hand heeft genomen en/of dat mes, althans dat voorwerp heeft gericht en/of gericht gehouden naar die (slachtoffer 4)e, waarna die (slachtoffer 4)e uit de auto is gesprongen of gestapt;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 januari 2010, althans in de periode van 21 december 2009 tot

02 januari 2010 in de gemeente Waalwijk en/of Deventer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto, merk Suzuki Alto heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en), dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 januari 2010, althans in de periode van 21 december 2009 tot

02 januari 2010 in de gemeente Waalwijk en/of Deventer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto, merk Suzuki Alto heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto redelijkwijs kon(den) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof.

4.

hij opin de periode 30 september 2009 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de vitrine in de etalage van een winkel aan de Grote Poot heeft weggenomen één of meer horloges, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 5), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode 30 september 2009 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de vitrine in de etalage van een winkel aan de Grote Poot weg te nemen één of meer horloges, althans goederen, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 5), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die etalage en/of vitrine te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen

door middel van braak en/of verbreking, de etalageruit heeft verbroken en/of zijn arm door een gat in die etalgeruit, althans door die verbroken etalgeruit heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.

hij op of omstreeks 27 december 2009 in de gemeente Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer pakken koffie en/of één of meer tubes tandpasta, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 6), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(parketnummer 07/651003-10)

6.

hij op of omstreeks 10 april 2010 in de gemeente Deventer met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer pakken vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 6), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

7.

hij op of omstreeks 28 september 2009 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 7), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; (parketnummer 07/653107-10).

8.

hij op of omstreeks 31 augustus 2009 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer t-shirts, althans kledingstukken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 8) BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; (parketnummer 07/653106-10).

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de 3e regel van het onder 2 meer subsidiair en de laatste regel van het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde telkens “redelijkwijs” in plaats van “redelijkerwijs” en in de 8e regel van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde tweemaal “etalgeruit” in plaats van “etalageruit”. De rechtbank herstelt deze vergissingen door telkens het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte ter zake het onder 3 primair en

4 primair en subsidiair dient te worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft de veroordeling van verdachte gevorderd van zes winkeldiefstallen en opzetheling van een auto, zoals onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 5, 6, 7 en 8 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat ook hij van oordeel is dat de onder

3 primair ten laste gelegde diefstal vergezeld van bedreiging met geweld niet bewezen kan worden omdat verdachte onder bedreiging van een mes werd gesommeerd in de auto te stappen en weg te rijden. Er kan in de visie van de raadsman geen sprake zijn van wederrechtelijk toe-eigening omdat verdachte uit angst is ingestapt. Volgens de raadsman kan de subsidiair ten laste gelegde opzetheling evenmin bewezen worden. Verdachte heeft pas in een later stadium besloten de auto onder zich te houden, hetgeen zou kunnen worden aangemerkt als een (niet ten laste gelegde) verduistering, doch niet als opzetheling, zoals is ten laste gelegd. Voor wat betreft het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde is de raadsman met de officier van justitie van oordeel dat ook dit feitencomplex niet bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Feit 1:

Op 2 januari 2010 heeft (gemachtigde slachtoffer 1) aangifte van diefstal gedaan. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik ben namens (slachtoffer 1) te Waalwijk gerechtigd tot het doen van aangifte. Omstreeks 11.45 uur kwam er een klant in de winkel naar mij toelopen om te melden dat er een persoon uit een winkel een aantal spullen heeft ontvreemd en dat deze persoon zonder te betalen de spullen heeft meegenomen. Deze persoon zou nu buiten lopen. De getuige vertelde dat hij bij de politie werkzaam is in de regio Den Bosch. De getuige had gezien dat de persoon in een rode personenauto zat.

De getuige heeft de persoon aangehouden terzake diefstal. In het kantoor zag ik dat de man een twaalftal shampoo flessen van het merk Andrelon en drie potten koffie van het merk Nescafé uit zijn rugzak haalde.

De verdachte heeft op 3 januari 2010 een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer verklaard: Ik wil verklaren over de winkeldiefstal van gisteren in Waalwijk. Die winkel heet nu, geloof ik, (slachtoffer 1). Ik heb een tas vol shampootjes en een aantal koffiepotten met oploskoffie meegenomen. Ik had een klein blauw rugtasje bij me. Ik heb de spullen daarin gedaan. Via de ingang ben ik weer naar buiten gelopen zonder de spullen af te rekenen. Toen ik naar buiten liep werd ik aangehouden door een politieagent in burger.

Feit 2:

Op 15 september 2009 heeft (gemachtigde slachtoffer 2) namens de (slachtoffer 2) in Deventer aangifte van een winkeldiefstal gedaan. Hij heeft onder meer verklaard:

Op dinsdag 15 september 2009 omstreeks 13.30 uur attendeerde een klant mijn collega erop dat iemand een friteuse de winkel uitliep.

Enige tijd later kwam een medewerker van stadstoezicht in de winkel en vertelde dat zij de betreffende persoon met een friteuse had zien lopen.

De medewerker van stadstoezicht, (naam) heeft op 15 september 2009 onder meer het volgende verklaard:

Vandaag, 15 september 2009 omstreeks 14.00 uur surveilleerde ik met een collega in uniform in de binnenstad van Deventer. Ter hoogte van de achteringang van het HEMA warenhuis zag ik in het portaal van de achteringang een mij ambtshalve bekende persoon staan. Ik zag dat hij naast zich op de grond een doos had staan. Aan het uiterlijk van de doos viel af te leiden dat het een nieuwe frituurpan was. Hij zei dat hij de frituurpan bij de (slachtoffer 2) had gekocht. Even later zei hij dat hij de pan van zijn vriend in de coffeeshop had gekregen. Ik herken de man aan zijn duimen. De man heeft namelijk aan zijn rechterhand twee duimen. Ik ben daarna met mijn collega naar de (slachtoffer 2) gelopen. Ik heb daar de bedrijfsleider aangesproken en verteld dat wij een man hadden gezien met een frituurpan in een doos. De man is gaan kijken en kwam met de mededeling dat hij voor de ingang van de winkel uit de uitgestalde stapel frituurpannen een doos mist. Kennelijk is deze doos weggenomen door de man die mijn collega en ik in het portaal van de achteringang zagen. De man had volgens eigen zeggen geen kassabon. Ik heb de stapel dozen bij de (slachtoffer 2) gezien en de doos die de man bij zich had was exact hetzelfde.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte aan de rechterhand twee duimen heeft, hetgeen overeenkomt met het door de medewerker van stadstoezicht gegeven signalement van degene die hij met de friteuse heeft gezien. Voorts acht de rechtbank - gelet op het tijdstip gelegen tussen de diefstal en de waarneming van de medewerker van stadstoezicht - de bewering van verdachte dat hij de friteuse had geruild voor een bolletje dope ongeloofwaardig.

Feit 3:

Op 21 december 2009 heeft (slachtoffer 4)e namens onder meer (slachtoffer 3) aangifte gedaan en heeft onder meer als volgt verklaard:

Op 21 december 2009 was ik aan de (straat) te Deventer met een rode Suzuki Alto, kenteken: (xxxxxx). Ik had de auto geleend van (slachtoffer 3). Ik had de auto geparkeerd aan de Radboudlaan te Deventer. Toen ik weer bij de auto kwam heb ik de auto gestart. Ik zag opeens dat de deur aan de passagierszijde werd opengedaan. Ik zag dat er een manspersoon op de plek aan de passagierszijde ging zitten. Ik ben toen gaan rijden. Deze manspersoon trok toen aan de handrem. Ik zag vervolgens een tweede manspersoon. Ik zag dat deze manspersoon op de stoel aan de bestuurderszijde ging zitten. Vervolgens reden beide mannen in de auto weg.

Verbalisant (naam) heeft op 2 januari 2010 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Op 2 januari 2010 was ik in de supermarkt (slachtoffer 1) in Waalwijk, waar ik getuige was van een winkeldiefstal. Ik ben direct naar de in- en uitgang van het parkeerterrein gelopen om zo te kunnen kijken wanneer de manspersoon voorbij zou komen. Ik zag dat er een personenauto van het merk Suzuki, type Alto, kleur rood, voorzien van het kenteken (xxxxx) aan kwam rijden met daarin de manspersoon als bestuurder die zojuist goederen had weggenomen. Ik heb de manspersoon/bestuurder ter zake winkeldiefstal aangehouden. Ik ben met de man terug de winkel ingelopen in afwachting van de politie die de verdachte later heeft overgenomen. De verdachte bleek later te zijn genaamd: (naam verdachte), geboren op (geboortedatum)

.

Ter terechtzitting heeft verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Ik ben op 21 december 2009 onder bedreiging met mes door (naam 2) in de auto gestapt. Het was een rode Suzuki Alto. Ik was erbij toen (naam 2) de bestuurder van de auto uit de auto werkte. Hij zei me dat ik weg moest rijden, hetgeen ik heb gedaan. Ik ben dus niet vrijwillig ingestapt. Ik was op dat moment bang voor hem. Later besloot ik de auto te houden. Ik durfde niet naar de politie te gaan omdat ik bang was dat ik moest blijven.

Feit 4:

Op 1 oktober 2009 heeft (naam) aangifte van diefstal gedaan. Hij heeft onder meer verklaard:

Ik ben mede-eigenaar van (slachtoffer 5) te Deventer. Op 1 oktober 2009 werd ik op mijn huisadres gebeld en op de hoogte gebracht dat er in de winkel was ingebroken. Door een gat te maken in de etalageruit kon men een groot aantal horloges uit de daarachter geplaatste vitrine wegnemen. In totaal mis ik 26 horloges van verschillende merken.

Verdachte heeft op 11 februari 2010, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

In de nacht van 30 september 2009 kwam ik langs de winkel (slachtoffer 5) in Deventer lopen. Ik zag dat er een klein gat in de etalageruit van de winkel zat. Ik zag dat er horloges in de vitrine lagen. Ik heb toen geprobeerd mijn arm door het gat te steken, maar doordat ik te korte armen had kwam ik nergens bij en kon ik dus niks meenemen.

Feit 5:

Op 27 december 2009 heeft (naam) aangifte gedaan van winkeldiefstal. Hij heeft onder meer verklaard:

Ik ben namens (slachtoffer 6) te Tilburg gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 27 december 2009 was ik aan het werk. Ter hoogte van de toegangspoortjes zag ik dat een man in tegengestelde richting de toegangspoortjes wilde passeren. Deze klant ging de winkel dus niet in, maar liep de winkel uit. Ik zag dat de man een rugzak op zijn rug had. Ik vroeg hem wat hij in die rugzak had zitten. Ik hoorde dat de man hierop zei: “Ik leg het al terug”. Uiteindelijk is het ons gelukt de man in een afzonderlijke ruimte te plaatsen. Hierna kwam de politie ter plaatse. In de rugzak van de man zaten diverse pakken koffie en meerdere tubes tandpasta.

Verdachte heeft op 27 december 2009 een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer verklaard:

Ik heb bij (slachtoffer 6) aan de (straat) in Tilburg wat potten koffie uit de schappen gepakt en in mijn zwarte rugzak gedaan. Daarna ben ik naar de rij gelopen waar de tandpasta staat. Ik heb toen meerdere tubes tandpasta gepakt. Ook deze goederen heb ik in mijn rugzak gedaan. Ik ben toen naar de ingang van de winkel gelopen. Bij de ingang stond de bedrijfsleider. Hij vroeg of ik de spullen ging afrekenen. Ik zei: “Nee, ik leg ze wel terug.”

Ik had geen geld voor een treinkaartje. Ik wilde spullen stelen om thuis te komen.

Feit 6:

Op 10 april 2010 heeft (naam) namens (slachtoffer 6) te Deventer aangifte gedaan van winkeldiefstal. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 10 april 2010 te 16.40 uur werd door een persoon in het filiaal van (slachtoffer 6) op de (adres) te Deventer, 3 biefstukken en drie entrecotes die hij in zijn rugzak had niet afgerekend.

Verbalisanten (naam) en (naam) hebben onder meer verklaard: Wij kregen op 10 april 2010 omstreeks 16.45 uur opdracht te gaan naar (slachtoffer 6), gevestigd aan de(straat) te Deventer. Aldaar zou een winkeldief zijn aangehouden door het personeel ter zake winkeldiefstal van zes pakken vlees. Ter plaatse zagen wij de ons ambtshalve bekende (verdachte) zitten. De verdachte werd omstreeks 16.50 uur aan ons overgedragen.

Verdachte heeft op 10 april 2010 bekend uit (slachtoffer 6) een paar pakken vlees te hebben meegenomen zonder deze te betalen.

Feit 7:

Door (naam) is op 28 september 2009 aangifte gedaan van een winkeldiefstal met gebruikmaking van een aangifteformulier winkeldiefstal. Hierop is onder meer ingevuld/aangekruist:

Op maandag, 2009 omstreeks 15.20 uur heeft ondertekende gezien dat “meneer” een zwarte tas zonder te betalen heeft meegenomen. “Meneer” kwam zonder tas binnen. Ik heb dat ook gezien op de beelden. Zij zag dat deze persoon zonder het goed te hebben betaald en zonder deze ter betaling te hebben aangeboden de kassa passeerde en zich begaf in de richting van de uitgang. De persoon gaf op te zijn: (verdachte), geboren op (geboortedatum).

Weliswaar is de pleegdatum niet geheel in de aangifte vermeld doch de rechtbank is van oordeel dat als pleegdatum de datum van ondertekening van het formulier kan worden aangehouden, aangezien het gebruikelijk is dat een dergelijk formulier direct na de aanhouding wordt opgemaakt.

Verdachte heeft op 28 september 2009 bekend een tas bij (slachtoffer 7) te hebben weggenomen.

Feit 8:

Bij deze winkeldiefstal is een “landelijk aangifteformulier winkeldiefstal” ingevuld. In dit formulier staat onder meer vermeld dat de aangifte is gedaan door de bedrijfsleider van (slachtoffer 8). te Deventer, (naam). Onduidelijk is of de achternaam van aangever (naam) luidt, aangezien aanvankelijk onder 1 staat vermeld: “-----”, welke vermelding later is doorgehaald. Voorts staat onder punt 2 van het formulier vermeld dat (naam) op 31 augustus 2009 heeft gezien dat een man gestolen heeft. Onder punt 5 van het formulier is aangegeven dat aangever op 31 augustus 2009 heeft bemerkt dat de elektronische diefstalbeveiliging in werking trad bij het passeren van het beveiligingssysteem door de onder 10 genoemde persoon.

Bij punt 10 is echter niet de naam van verdachte doch die van (naam) ingevuld, zodat uit de aangifte niet eenduidig kan worden afgeleid dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. Overigens zijn de goederen die gestolen zijn niet nader gespecificeerd.

Hoewel verdachte heeft bekend het feit te hebben gepleegd dient hij – op grond van het bepaalde in artikel 341 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering – bij gebreke van enig ander wettig bewijsmiddel, van dit feit te worden vrijgesproken.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken van het onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5, 6 en 7 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op 02 januari 2010 in de gemeente Waalwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen flessen shampoo en potten Nescafé, toebehorende aan (slachtoffer 1).

2.

hij op 15 september 2009 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een friteuse, toebehorende aan de (slachtoffer 2).

3.

hij op in de periode van 21 december 2009 tot 02 januari 2010 in de gemeente Waalwijk en/of Deventer, een personenauto, merk Suzuki Alto heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4.

hij in de periode 30 september 2009 tot en met 1 oktober 2009 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de vitrine in de etalage van een winkel aan de Grote Poot weg te nemen horloges, toebehorende aan (slachtoffer 5), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.

hij op 27 december 2009 in de gemeente Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen koffie en tubes tandpasta,toebehorende aan (slachtoffer 6).

6.

hij op 10 april 2010 in de gemeente Deventer met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pakken vlees, toebehorende aan (slachtoffer 6).

7.

hij op 28 september 2009 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, toebehorende aan (slachtoffer 7).

Van het onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5, 6 en 7 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1, 2 primair, 5, 6 en 7 telkens: Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

3 subsidiair: Opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.

4 subsidiair: Poging tot diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren wordt opgelegd, zonder aftrek van de tijd dat verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd:

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, (slachtoffer 3), van een bedrag groot € 400,--;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, (slachtoffer 8) van een bedrag, groot € 154,59;

alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft zich ter zake de vorderingen van de benadeelde partijen

(slachtoffer 4) en (slachtoffer 5) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat oplegging van een ISD-maatregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, aangezien in verband met capaciteitsproblemen de maatregel slechts bij een beperkt aantal veelplegers kan worden opgelegd. Daarbij komt dat de rechtbank de maatregel slechts op vordering van het openbaar ministerie kan opleggen, zodat in feite het openbaar ministerie bepaalt wie de maatregel krijgt opgelegd. De raadsman heeft derhalve bepleit verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair heeft hij aangevoerd het ondergane voorarrest van de duur van de ISD-maatregel af te trekken. De raadsman is van oordeel dat de benadeelde partij (slachtoffer 5) niet in haar vordering kan worden ontvangen. De benadeelde partij (slachtoffer 4)e en (naam) vorderen dezelfde schade zodat ook zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun respectievelijke vorderingen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 8) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank overweegt omtrent de door de officier van justitie gevorderde maatregel tot

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) het volgende.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 12 april 2010 blijkt dat verdachte

sinds 1992 veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In de vijf jaren

voorafgaand aan de door hem begane diefstallen op 15 september 2009, 28 september2009,

27 december 2009, 2 januari 2010 en 10 april 2010 is verdachte regelmatig – ruimschoots

meer dan driemaal – onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het plegen van

misdrijven.

De rechtbank heeft kennis genomen van het voorlichtingsrapport van Verslavingszorg Tactus

d.d. 17 juni 2010, waarin is opgenomen het rapport van Tactus d.d. 25 augustus 2008 dat is

uitgebracht in het kader van het programma Terugdringen Recidive. Uit de rapportage blijkt

onder meer dat de kans op recidive heel erg groot is. Verdachte heeft blijkens een schrijven

van Tactus d.d. 6 november 2009 geen gevolg gegeven aan een tweetal afspraken op

respectievelijk 22 oktober 2009 en op 6 november 2009. De rechtbank leidt hieruit af dat

verdachte geen medewerking wilde verlenen aan de totstandkoming van een recent rapport.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij weliswaar hulp nodig heeft doch dat hij niet in het kader van een ISD-maatregel maar slechts op vrijwillige basis een behandeling wil ondergaan voor zijn verslaving. De voorgestelde maategel zal zijns inziens niet slagen omdat een behandeling onder dwang niet zal slagen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat oplegging van de ISD-maatregel in strijd met het gelijkheidsbeginsel is, aangezien niet is gebleken dat hier sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.

Gelet op het grote aantal misdrijven waarvoor verdachte is veroordeeld en gelet op de houding van verdachte ten opzichte van de hulpverlening in het recente verleden is de rechtbank van oordeel dat niet valt te verwachten dat verdachte zonder een afgedwongen behandeling stopt met het plegen van strafbare feiten, zodat de veiligheid van goederen eist dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt opgelegd.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelmatige daders opleggen voor de duur van twee jaar. De rechtbank zal daarbij geen rekening houden met de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis, is doorgebracht. Vanwege het ontbreken van een hulpverleningstraject en vanwege de duur van de maatregel zal de rechtbank bepalen dat na negen maanden een tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht plaatsvindt om de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te beoordelen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 38m en 38n van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

Voor de aanvang van de terechtzitting hebben (slachtoffer 3), (slachtoffer 4)e, (slachtoffer 8) en (slachtoffer 5) zich op de bij de wet voorgeschreven wijze als benadeelde partijen in dit geding gevoegd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (naam) voornoemd rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3 subsidiair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op de in het voegingsformulier benadeelde partij in strafzaken en de daarbij overgelegde bescheiden, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 400,--.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 400,-- ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 3).

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 4)e, die een vordering van in totaal € 413,90 heeft ingediend, moet voor een gedeelte van € 400,-- worden afgewezen, aangezien deze vordering dezelfde schade betreft als door de benadeelde partij (naam) is opgevoerd. De benadeelde partij (slachtoffer 4) dient voor de overige geclaimde kosten niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien deze voortvloeien uit de tegen hem gepleegde diefstal vergezeld van bedreiging met geweld, waarvoor verdachte is vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte van feit 4 primair en feit 8 zal worden vrijgesproken, de benadeelde partijen(slachtoffer 5) en (slachtoffer 8) eveneens niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun respectievelijke vorderingen.

Beslissing

Het onder 3 primair, 4 primair en 8 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5, 6 en 7 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5, 6 en 7 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

De rechtbank bepaalt daarbij dat uiterlijk negen maanden na aanvang van de maatregel een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden omtrent de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk veertien dagen vóór dat tijdstip de rechtbank bericht zal doen toekomen als bedoeld in artikel 38s , eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, (slachtoffer 3), wonende te Deventer, van een bedrag van € 400,- (zegge: vierhonderd euro).

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 400,--, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 3), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen (slachtoffer 8) en (slachtoffer 5) in hun respectievelijke vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer 4)e in zijn vordering voor een gedeelte van € 13,98 niet ontvankelijk is en dat de vordering voor het overige deel, te weten een bedrag van € 400,-- wordt afgewezen.

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en

J.E. van der Steenhoven-Drion, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2010.