Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN4302

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
Awb 09/1916
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsverhouding wordt overheerst door familieverhouding, nu eiseres op basis van de aan haar kinderen toegekende PGB’s een zorgovereenkomst is aangegaan met kinderen. Weigering toelating vrijwillige verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/1916

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [plaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2009 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar aanmelding voor de vrijwillige verzekering voor de Werkloosheidswet (WW) is afgewezen. Het door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 september 2009 ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Het beroep is op 24 juni 2010 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Smithuysen.

2. Overwegingen

Eiseres werkt in loondienst gedurende 20 uur per week. Daarnaast ontvangt zij een WW-uitkering voor 8 uur per week. Per 1 oktober 2008 heeft eiseres zich voor 8 uur per week “ingekocht” in de persoonsgebonden budgetten (PGB) van twee van haar kinderen. In verband hiermee is haar WW-uitkering met ingang van 6 oktober 2008 beëindigd. Eiseres heeft verzocht om toelating tot een vrijwillige WW-verzekering voor 8 uur per week.

Verweerder heeft de vrijwillige verzekering geweigerd, omdat eiseres een arbeidsrelatie met haar kinderen is aangegaan waardoor een gezagsrelatie ontbreekt. Verweerder heeft bestreden dat is toegezegd dat eiseres zou worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat eiseres geen werknemer is in de zin van artikel 3 en 3a van de WW.

Evenmin is in geschil dat geen sprake is van een gelijkgestelde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 4 van de WW.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of de arbeidsverhouding van eiseres op grond van artikel 5 van de WW als dienstbetrekking dient te worden beschouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onderdelen a, b en c van dit artikel niet op eiseres van toepassing. Derhalve dient enkel beoordeeld te worden of de arbeidsverhouding van eiseres onder onderdeel d valt.

In artikel 5, aanhef en onder d, van de WW is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld, op grond waarvan eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds op grond van dit artikel en de artikelen 3 en 4 als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermee maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.

Bij het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd, het zogenoemde Rariteitenbesluit, zijn nadere regels gesteld.

In artikel 8, eerste lid, onder e, van het Rariteitenbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit besluit niet als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die werkzaam is in een arbeidsverhouding die in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de arbeidsverhouding van eiseres in overwegende mate wordt overheerst door de familieverhouding, nu eiseres op basis van de aan haar kinderen toegekende PGB’s een zorgovereenkomst is aangegaan met kinderen. Van een zakelijke gezagsrelatie is onder deze omstandigheden geen sprake. Het feit dat één van de kinderen meerderjarig is en zelfstandig woont, betekent niet dat daarmee de familieverhouding is geëindigd.

Gelet op het voorgaande is de arbeidsverhouding van eiseres niet op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de WW als dienstbetrekking te beschouwen. Eiseres is derhalve niet verplicht verzekerd voor de WW.

Eiseres heeft verzocht om toegelaten te worden tot de vrijwillige WW-verzekering. In artikel 53 van de WW is - voor zover van belang - het volgende bepaald.

1. Het UWV laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toe de persoon, jonger dan 65 jaar, die op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 3, tweede, vierde en vijfde lid, niet als werknemer wordt beschouwd, en

a. wiens werknemerschap is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van zijn werknemerschap een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;

b. die Nederlander is en die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking;

c. die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund;

d. die in Nederland woont, en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult; of

e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

2. Het UWV laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toe de persoon, jonger dan 65 jaar, wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd.

3. (…).

4. (…).

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen persoon is als bedoeld in artikel 53, eerste lid, van de WW.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het tweede lid van artikel 53 van de WW evenmin op eiseres van toepassing is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in artikel 6 van de WW het begrip dienstbetrekking wordt beperkt, doordat een aantal arbeidsverhoudingen wordt genoemd dat niet als dienstbetrekking wordt beschouwd. In onderdeel c van dit artikel is de hulp in de huishouding genoemd, waaronder gelet op het tweede lid mede wordt verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden. Dit betekent dat een dienstbetrekking op grond van de artikelen 3, 3a, 4 of 5 van de WW op grond van artikel 6 toch niet als dienstbetrekking wordt beschouwd. In het geval van eiseres is juist vastgesteld dat zij geen dienstbetrekking op grond van de artikelen 3, 3a, 4 of 5 van de WW heeft. De in artikel 6, eerste lid, onder c, van de WW genoemde uitzondering is daardoor niet op haar van toepassing. De arbeidsverhouding van eiseres is dus niet op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, van de WW niet als dienstbetrekking beschouwd, waardoor eiseres geen persoon als bedoeld in artikel 53, tweede lid van de WW is.

Gelet op het voorgaande behoort eiseres niet tot één van de categorieën personen die op grond van artikel 53 van de WW kunnen worden toegelaten tot de vrijwillige WW-verzekering. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om toelating tot deze vrijwillige verzekering dan ook terecht afgewezen.

Eiseres heeft gesteld dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat zij zou worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering. De rechtbank begrijpt dat door de veelvuldige contacten met verweerder bij eiseres de indruk is ontstaan dat zij zou worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering, maar deze indruk is onvoldoende om een beroep op het vertrouwensbeginsel te hororen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld LJN: BI8283) dient dan sprake te zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging. Van een dergelijke toezegging is geen sprake, hetgeen ook door eiseres is erkend.

Voorts overweegt de rechtbank dat de vraag of eiseres haar WW-uitkering kan doen herleven thans niet voor ligt. In onderhavige procedure is enkel de vraag aan de orde of verweerder terecht heeft geweigerd eiseres toe te laten tot de vrijwillige WW-verzekering.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.G. Wijma, rechter, en door hem en mr. E.N.M van de Beld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op [14 juli 2010].

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.