Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN4219

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
07/480405-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0224, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel

- gemotiveerde vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.480405-09

Uitspraak: 3 augustus 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

thans verblijvende te (verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010. De verdachte is niet in persoon verschenen en is ter terechtzitting verdedigd door mr. J.M. van Dam, advocaat te ’s-Gravenhage, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

De officier van justitie, mr. J.P. Scheffer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 02 juli 2009 te Balkbrug, in de gemeente Hardenberg, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd (slachtoffer) (begeleidster TBS-kliniek), opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet die (slachtoffer) met heet vet uit een

(koeken)pan op/tegen een/de arm heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 02 juli 2009 te Balkbrug, in de gemeente Hardenberg,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer), begeleidster

TBS-kliniek), heet vet uit een (koeken)pan op/tegen een/de arm heeft gegooid,

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (eerste graads brandwond),

althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

BEWIJS

Door de verdediging is ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde betoogd dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank stelt op grond van de stukken, waaronder een proces-verbaal van politie nr. 2009027662-1, het volgende vast.

Aangeefster (slachtoffer) heeft -kort samengevat en zakelijk weergegeven- tegenover de politie verklaard dat verdachte haar, terwijl zij zich met verdachte in de keuken bevond, met een onderhandse beweging heet vet uit een koekenpan heeft toegegooid. (slachtoffer) heeft vervolgens, zo verklaart zij verder, in een reflex haar armen voor haar gezicht gedaan waardoor het vet op haar linkerarm terecht is gekomen en zij een (eerstegraads) brandwond heeft opgelopen. Deze verklaring van aangeefster (slachtoffer) wordt echter op essentiële onderdelen niet door de overige verklaringen ondersteund. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat zij het vet uit de koekenpan niet naar aangeefster (slachtoffer) maar in de gootsteen heeft gegooid. De enige getuige, (naam getuige), heeft blijkens zijn tegenover de politie afgelegde verklaring wel gezien dat verdachte een beweging met de koekenpan maakte, maar heeft verder niet waargenomen wat er toen precies is gebeurd. Daar komt bij dat hij heeft verklaard dat verdachte zich, op het moment dat zij deze beweging met de koekenpan maakte, in de buurt van zowel aangeefster als de gootsteen bevond. Deze verklaring sluit aldus de verklaring van verdachte dat zij het vet in de gootsteen heeft gegooid niet uit. Aangezien tevens niet uit te sluiten is dat de bij aangeefster ontstane verwonding door opspattend vet uit de gootsteen kan zijn veroorzaakt, kan ook hierin geen steunbewijs voor de verklaring van (slachtoffer) en aldus voor het ten laste gelegde worden gevonden.

De officier van justitie heeft voor het bewijs eveneens het op 25 september 2009 gedateerde adviesrapport in het kader van de verlenging van de TBS van verdachte aangedragen. In dit rapport is opgenomen dat verdachte tegenover haar behandelcoördinator en haar psychiater een verklaring over het onderhavige feit heeft afgelegd. Een zodanig rapport strekt tot het geven van informatie over het verloop van de TBS-behandeling en adviseert over de eventuele verlenging daarvan. Mede tegen de achtergrond van de hulpverlenings- en vertrouwensrelatie waarin de hiervoor genoemde personen tot verdachte staan, mag de verklaring van de verdachte in het adviesrapport naar het oordeel van de rechtbank niet als bewijsmiddel voor het onderhavige feit worden gebruikt. Daar komt bij dat de bedoelde verklaring van verdachte zoals weergegeven in dit adviesrapport naar het oordeel van de rechtbank geen bekentenis inhoudt van hetgeen haar in deze zaak wordt verweten.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij, (slachtoffer), heeft ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit een vordering ten bedrage van in totaal € 2000,- ingediend.

Aangezien verdachte van het haar primair en subsidiair ten laste gelegde is vrijgesproken, zal de benadeelde partij gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

BESLISSING

Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer) in haar vordering niet-ontvankelijk is.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2010.