Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN3346

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
508662 VV 10-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort Geding. Vordering tot schorsing non-concurrentiebeding, althans tot verbod opvordering van de daaraan verbonden contractuele boete. Beding niet zwaarder gaan drukken, terwijl belangenafweging evenmin in het voordeel van werknemer uitvalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0621
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 508662 VV 10-107

datum : 16 juli 2010

Vonnis in het kort geding van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

gedaagde in voorwaardelijk reconventie,

hierna te noemen [eisende partij],

gemachtigde mr. L. Tielenius,

tegen

de besloten vennootschap [GEDAAGDE PARTIJ],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijk reconventie,

hierna te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. B.C.L. Kanen.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 23 juni 2010 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad;

- een schrijven van mr. Kanen d.d. 1 juli 2010, houdende de producties 1 tot en met 10

van [gedaagde partij].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010.

Verschenen zijn:

-[eisende partij] bijgestaan door mr. L. Tielenius;

-[gedaagde partij], vertegenwoordigd door de heer [S], directeur, en bijgestaan door mr. B.C.L.

Kanen.

Voorziening en verweer

1.

[eisende partij] vordert als voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, het concurrentiebeding, zoals omschreven in artikel 10 van de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst – voor zover nog aanwezig – te vernietigen, subsidiair te schorsen, totdat in een op zeer korte termijn aan te spannen bodemprocedure een definitieve uitspraak zal zijn gedaan over een verzoek op basis van artikel 7:653 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Meer subsidiair vordert [eisende partij] als voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, het concurrentiebeding te matigen en voorts, voor zover het concurrentiebeding in stand blijft, [gedaagde partij] te veroordelen tot voldoening van een vergoeding aan [eisende partij] voor de duur van het concurrentiebeding. Tenslotte vordert [eisende partij] [gedaagde partij] in de proceskosten te veroordelen.

2.

[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag, kort samengevat, dat hij in dienst wil treden bij [B], maar dat hij eerst duidelijkheid wil hebben over de vraag of het tussen hem en (de rechtsvoorganger van) [gedaagde partij] overeengekomen concurrentiebeding daaraan in de weg staat. Hij is van mening dat dit concurrentiebeding zijn gelding heeft verloren. Gedurende zijn dienstverband heeft er namelijk een aanmerkelijke functiewijziging plaatsgevonden. Eerst vervulde hij de functie van Buitendienst Medewerker en momenteel die van Product Manager. Daardoor is het concurrentiebeding volgens hem zwaarder gaan drukken ten gevolg waarvan dat beding thans niet meer geldt. Voor zover het concurrentiebeding nog wel geldt, stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat [B] niet valt aan te merken als concurrent van [gedaagde partij], omdat, zoals uit de respectieve bedrijfsomschrijvingen in het Handelsregister valt op te maken, [B] zich op een volstrekt andere markt begeeft dan [gedaagde partij]. [B] houdt zich voornamelijk bezig met het geven van advies en aftersalesactiviteiten met betrekking tot electronisch sluiten, terwijl [gedaagde partij] zich voornamelijk richt op de handel en fabricage in sloten, deurcilinders en beveiligingssystemen.

3.

[gedaagde partij] voert als verweer aan, kort samengevat, dat [B] wel degelijk een concurrent van [gedaagde partij] is. De bedrijfsomschrijvingen van beide ondernemingen in het Handelsregister zijn hiervoor niet bepalend. [B] brengt, net zoals [gedaagde partij], advies uit bij nieuwe projecten; het enige verschil is dat [B] meerdere merken in haar portfolio heeft. Voorts implementeert en onderhoudt [B], net zoals [gedaagde partij], elektronische sluitsystemen. [eisende partij] beschikt over zeer specifieke kennis op het gebied van de door [gedaagde partij] verkochte elektronische sluitsystemen van [W], die hij heeft opgedaan uit hoofde van zijn dienstverband bij [gedaagde partij]. Voorts beschikt [eisende partij] over kennis van de organisatie van de dealers en de eindgebruikers van de producten van [gedaagde partij]. [gedaagde partij] heeft dan ook een gerechtvaardigd belang bij handhaving van het concurrentiebeding waar het geringe belang van [eisende partij] niet tegen opweegt. Volgens [gedaagde partij] is er geen sprake van een aanmerkelijke functiewijziging waardoor het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken. [eisende partij] heeft een normale ontwikkeling doorgemaakt waardoor hij geleidelijk is doorgegroeid naar de functie van Product Manager. Een geografische beperking van het concurrentiebeding heeft voorts geen nut, omdat [gedaagde partij] door heel Nederland klanten heeft en werkzaamheden verricht, aldus [gedaagde partij].

4.

Indien en voor zover de eis in conventie wordt toegewezen, vordert [gedaagde partij] in reconventie dat, kort samengevat, [eisende partij] wordt verboden om binnen de in het concurrentiebeding overeengekomen termijn van 1 jaar na beëindiging van het dienstverband met [gedaagde partij] bij concurrenten van [gedaagde partij] met gebruikmaking van specialistische kennis uit hoofde van zijn dienstverband met [gedaagde partij] activiteiten te verrichten behorend bij de functie van Buitendienst Medewerker (service en onderhoud) en/of daarbij contacten te onderhouden met dealers en eindgebruikers van sluitsystemen van [gedaagde partij], een en ander op straffe van een dwangsom van € 3.000,00, te betalen aan [gedaagde partij] voor iedere dag, dat [eisende partij] dit verbod overtreedt.

De beoordeling

5.

Als uitgangspunt geldt het volgende:

a. [eisende partij] is per [datum] bij de rechtsvoorganger van [gedaagde partij], [V] Nederland B.V., in dienst getreden in de functie van Buitendienst Medewerker. [gedaagde partij] legt zich toe op de ontwikkeling en vermarkting van door haar moederbedrijf [W] GMBH & Co.KG (hierna: [W]) geproduceerde electronische sluitsystemen.

b. [eisende partij] is thans werkzaam bij [gedaagde partij] in de functie van Product Manager.

c. In de op 18 april 2005 gesloten arbeidsovereenkomst is in artikel 10 een concurrentiebeding opgenomen. Daarin staat: “Na beëindiging van de dienstbetrekking zal B gedurende één jaar noch zelf in enigerlei vorm van een bedrijf gelijk, gelijksoortig of verwant aan dat van A mogen vestigen, drijven, mededrijven of doen drijven, hetzij direkt, hetzij indirekt, noch financieel, in welke vorm ook, of daarvoor enigerlei wijze werkzaam zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel hebben van welke aard ook.(..).

Bij overtreding van dit verbod verbeurt B ten behoeve van A een …… boete van € 500,-- voor elke overtreding en elke dag dat een overtreding voortduurt,…..”

d. [eisende partij] wil in dienst treden bij [B] in de functie van Technisch Adviseur bij Electronisch Sluiten. [B] geeft advies en verricht aftersalesactiviteiten met betrekking tot elektronische sluitsystemen.

6.

Van een spoedeisend belang van [eisende partij] bij zijn vorderingen is voldoende gebleken.

7.

De kantonrechter stelt voorop dat het niet tot de bevoegdheid van een kort geding rechter behoort om een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk teniet te doen. Het primair door [eisende partij] gevorderde, te weten het concurrentiebeding te vernietigen, wordt om die reden dan ook afgewezen. Het definitief schorsen van het concurrentiebeding totdat de bodemrechter anders heeft beslist valt eveneens aan te merken als een vorm van gedeeltelijke tenietdoening. Het subsidiair door [eisende partij] gevorderde, te weten het schorsen van het concurrentiebeding totdat de bodemrechter anders heeft beslist, zal derhalve eveneens worden afgewezen. De kantonrechter zal echter wel beoordelen of het mindere dat in die vordering ligt besloten, namelijk of voorshands de contractuele boete niet opgeëist kan worden, toewijsbaar is.

8.

Wat betreft het door [eisende partij] gevoerde betoog dat het concurrentiebeding inmiddels is vervallen in verband met de verandering van functie, is de kantonrechter voorhans van oordeel dat dit betoog niet opgaat.

Indien de functie van een werknemer gedurende het dienstverband ingrijpend verandert en daardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder op de werknemer gaat drukken, dan kan het beding haar geldigheid verliezen. De enkele vaststelling dát er zich een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding heeft voorgedaan, is echter onvoldoende. Er moet tevens vastgesteld kunnen worden dat het concurrentiebeding door die functiewijziging aanmerkelijk zwaarder is gedaan drukken in die zin dat het concurrentiebeding de werknemer meer belemmert bij het vinden van een andere werkkring dan vóór die functiewijziging.

9.

[eisende partij] heeft zijn stelling dat gedurende zijn dienstverband bij [gedaagde partij] zijn functie wezenlijk is gewijzigd voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt in het licht van het daartegen door [gedaagde partij] gevoerde -en verder onweersproken gebleven- verweer dat [eisende partij] geleidelijk is doorgegroeid in zijn werkzaamheden en dat het naar objectieve maatstaven voor [eisende partij] voorzienbaar was dat hij Product Manager zou worden. Voorts heeft [eisende partij] in het geheel niet onderbouwd, en is voorshands ook niet gebleken, waarom en in hoeverre ten gevolge van de door hem gestelde aanmerkelijke functiewijziging het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken.

Kortom, de kantonrechter acht het voorshands dan ook niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat in verband met de functiewijziging het concurrentiebeding haar geldigheid heeft verloren.

10.

De vraag die in deze kort geding procedure voorts moet worden beantwoord is of aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de rechter oordelend in een eventuele bodemprocedure zal vaststellen dat in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde partij], [eisende partij] door bedoeld beding onbillijk wordt benadeeld. Er zal een inschatting gemaakt moeten worden hoe bedoelde belangen afweging in de bodemzaak zal uitvallen.

11.

In het algemeen gesproken gaat het aan de kant van de werkgever daarbij primair om de bescherming van het bedrijfsdebiet, waarbij met name de vrees voor benadeling, doordat de werknemer kennis draagt van bedrijfsgeheimen en persoonlijke contact heeft (gehad) met klanten en/of andere relaties van de werkgever, een belangrijke te beoordelen factor vormt. Daarnaast kunnen de omstandigheid dat de werkgever in de opleiding van de deskundigheid van de werknemer belangrijk heeft geïnvesteerd, de lange duur van het dienstverband en de omstandigheid dat het dienstverband op initiatief van de werknemer ten einde komt of is gekomen gewicht in de schaal leggen.

12.

Aan de kant van de werknemer, wiens recht op vrije arbeidskeuze in het geding is, kunnen de mogelijkheid van een belangrijke positieverbetering, het risico dat de werknemer loopt om bij onverkorte toepassing van het beding zijn nieuwe baan te verliezen, dan wel ernstig nadeel te ondervinden bij het vinden van een passende werkkring, de korte duur van het dienstverband, dan wel de vooraf overeengekomen tijdelijkheid van het dienstverband en de omstandigheid dat de werknemer door de werkgever onvrijwillig is ontslagen gewicht in de schaal leggen.

13.

In onderhavig geval is sprake van een dienstverband van ruim vijf jaar. Voorshands is de kantonrechter van oordeel dat dit niet zodanig lang of kort is dat het aan een van beide zijden (extra) gewicht in de schaal legt. Wel staat vast dat [eisende partij] weg wil bij [gedaagde partij], maar dat hij dit niet hoeft van [gedaagde partij], zodat dit element enig gewicht in de schaal legt aan de zijde van [gedaagde partij].

14.

[gedaagde partij] heeft voorshands genoegzaam aannemelijk gemaakt -wat er verder ook zij van de respectieve bedrijfsomschrijvingen van beider ondernemingen in het Handelsregister- dat [gedaagde partij] en [B] niet enkel in elkaars verlengde werkzaam zijn, maar dat zij als concurrenten in de zin van het non-concurrentiebeding zijn aan te merken. Zo staat vast dat [B] zich -onder meer- bezighoudt met aftersalesaciviteiten met betrekking tot electronische sluitsystemen. Tevens -zo blijkt uit de door [gedaagde partij] overgelegde brochure van [B] (productie 3 van [gedaagde partij])- legt [B] zich toe op de implementatie van electronische sluitsystemen. Dat ook [gedaagde partij] zich toelegt op de implementatie van en aftersalesactiviteiten met betrekking tot elektronische sluitsystemen kan voorshands voldoende worden opgemaakt uit de overgelegde internet presentatie van 1 oktober 2009 (productie 10 van [gedaagde partij]), houdende voorstellen om tot een verdere professionalisering van de servicediensten te komen, en blijkt ook uit de met [eisende partij] gesloten arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat hij zich als Buitendienst Medewerker onder meer bezig houdt met aftersales en service en dat hij zorg draagt voor de inbedrijfstelling van werken met elektronische systemen. Voorts heeft [eisende partij] niet weersproken dat [gedaagde partij] net zoals [B] advies geeft met betrekking tot electronische sluitsystemen. Voorshands wordt het er dan ook voor gehouden dat zowel [gedaagde partij] als [B] zich toeleggen op advies, implementatie en aftersalesactiviteiten met betrekking tot electronische sluitsystemen, zij het dat [gedaagde partij] haar werkzaamheden beperkt tot de electronische sluitsystemen van [W].

Nu voorts niet is weersproken en dus vaststaat dat [eisende partij] zeer specifieke kennis heeft van de specialistische door [gedaagde partij] verkochte electronische sluitsystemen van [W] en zowel [gedaagde partij] als [B] zich richten op eindgebruikers en dealers van electronische sluitsystemen, is het voorshands geenszins ondenkbeeldig dat [B], wanneer [eisende partij] bij haar in dienst treedt, met zijn zeer specifieke kennis met betrekking tot de elektronische sluitsystemen van [W] haar voordeel zal kunnen doen ten koste van de concurrentiepositie van [gedaagde partij]. Dit geldt te meer nu niet is weersproken en dus vaststaat dat [eisende partij] cursussen geeft aan eindgebruikers en dealers van [gedaagde partij] producten, dat hij dus contact heeft met de klanten van [gedaagde partij], en dat hij tevens kennis heeft van de organisatie van die dealers en eindgebruikers van [gedaagde partij] producten. Dat [gedaagde partij] een evident belang heeft om [eisende partij] aan het concurrentiebeding te houden, is voorshands dan ook voldoende komen vast te staan.

15.

Wat betreft het belang van [eisende partij] heeft hij zich slechts op het vage, verder niet concreet onderbouwde, standpunt gesteld dat hij in dienst wil treden bij een goede werkgever met toekomstperspectief. In het bijzonder heeft hij niet gesteld noch aangetoond dat hij er in financieel opzicht bij [B] op vooruit zal gaan, dat hij bij [B] de mogelijkheid heeft op een belangrijke positieverbetering of dat zijn carrière perspectieven bij [B] aanzienlijk zullen verbeteren.

16.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de belangenafweging zodanig in het voordeel van [gedaagde partij] uitvalt dat te verwachten is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eisende partij] door het concurrentiebeding niet zo onbillijk wordt benadeeld dat het beding voor vernietiging in aanmerking komt.

17.

De vordering tot matiging van de geografische reikwijdte van het concurrentiebeding wordt voorshands eveneens afgewezen. [eisende partij] heeft namelijk onweersproken gelaten dat een geografische beperking van het concurrentiebeding voor [gedaagde partij] geen zin heeft, omdat de systemen waarmee gewerkt wordt zeer specialistische systemen betreffen waardoor [gedaagde partij] door heel Nederland klanten heeft en werkzaam is. Dit in aanmerking nemende, acht de kantonrechter het voorshands aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat een schorsing van de geografische beperking teveel afbreuk doet aan de werking van het concurrentiebeding.

18.

[eisende partij] heeft het door hem gevorderde voorschot voor de duur van de beperking van het concurrentiebeding op geen enkele wijze onderbouwd. Zo heeft hij niet gesteld dat hij bij [B] meer zou kunnen verdienen dan bij [gedaagde partij]. Voorshands is de kantonrechter dan ook van oordeel dat er geen reden is om een voorschot aan [eisende partij] toe te kennen.

19.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, acht de kantonrechter het voorshands niet aannemelijk dat de vordering van [eisende partij] in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing van de vordering van [eisende partij] reeds nu gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de gevraagde voorzieningen worden afgewezen.

20.

Door de afwijzing van de vordering in conventie is de voorwaarde niet in vervulling gegaan waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, zodat de vordering in reconventie niet beoordeeld dient te worden.

21.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- wijst de gevraagde voorzieningen af;

- veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde partij] tot heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 16 juli 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.