Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN2271

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
07/653152-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BO3589, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel, geen aftrek voorarrest en motivering maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.653152-10

Uitspraak: 22 juli 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

(adres)

thans verblijvende(verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. R.H. den Haan, heeft ter terechtzitting terzake het onder 4 ten laste gelegde gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake het onder 1 primair, 2 en 3 de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren wordt opgelegd, zonder aftrek van de tijd dat verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) en (slachtoffer) tot een bedrag van

€ 202,30 en niet-ontvankelijkheid van de vordering voor wat betreft het meerdere.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 juni 2010 in de gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een AVIAcard, althans een betaalpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer) ((slachtoffer)) en/of de (slachtoffer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 juni 2010 in de gemeente Deventer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een AVIAcard, althans een betaalpas op naam van (slachtoffer) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die pas wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 juni 2010 in de gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk een AVIAcard, althans een betaalpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer) ((slachtoffer)) en/of de (slachtoffer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke pas verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf, te weten als gevonden voorwerp, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 06 juni 2010 te omstreeks 11.13 uur in de gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke heeft weggenomen geld (EUR 175,75), in elk geval enig geld, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer) ((slachtoffer)), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders het weg te nemen geld, althans goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van een valse sleutel, te weten door met een AVIAcard, althans een betaalpas op naam van (slachtoffer) bij het benzinestation (naam) de aanschaf van benzine, telefoonkaarten, shag en/of drank, althans enig goed te betalen;

3.

hij op of omstreeks 06 juni 2010 te omstreeks 10.42 uur in de gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke heeft weggenomen geld (EUR 26.55), in elk geval enig geld, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer) ((slachtoffer)), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders het weg te nemen geld, althans goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van een valse sleutel, te weten door met een AVIAcard, althans een betaalpas op naam van (slachtoffer) bij het benzinestation (naam) de aanschaf van benzine, sigaretten, shag en/of vloei, althans enig goed te betalen;

4.

hij op of omstreeks 06 juni 2010 in de gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk één of meer liters benzine, in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan het benzinestation (naam) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welke benzine verdachte bij een voor

zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de(weg), had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de 3e regel van feit 2 “wederrechtelijke heeft” in plaats van “wederrechtelijke toe-eigening heeft”. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 primair en 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair,

2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 06 juni 2010 in de gemeente Deventer, in elk geval in Nederland, een AVIAcard op naam van (slachtoffer) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die pas wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.

hij op 06 juni 2010 te omstreeks 11.13 uur in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (EUR 175,75), toebehorende aan (slachtoffer) ((slachtoffer)), waarbij verdachte het weg te nemen geld, onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een AVIAcard, op naam van (slachtoffer) bij het benzinestation (naam) aan de (straat) de aanschaf van benzine, telefoonkaarten, shag en drank te betalen.

3.

hij op 06 juni 2010 te omstreeks 10.42 uur in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke heeft weggenomen geld (EUR 26.55), toebehorende aan (slachtoffer) ((slachtoffer)), waarbij verdachte het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een AVIAcard op naam van (slachtoffer) bij het benzinestation (naam) aan de (straat) de aanschaf van benzine, sigaretten, shag en vloei te betalen.

Van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1. subsidiair: Opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

2.: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

3.: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank overweegt omtrent de door de officier van justitie gevorderde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) het volgende.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 juni 2010 blijkt dat verdachte sinds 1989 veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane diefstallen op 6 juni 2010 is verdachte regelmatig – ruimschoots meer dan driemaal – onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het plegen van misdrijven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief van Tactus Verslavingszorg van 6 juli 2010, de retourzending van het rapportageverzoek d.d. 7 juli 2010 en het ketendossier veelpleger betreffende verdachte.

Uit de brief waarbij het rapportageverzoek werd teruggezonden blijkt dat de reclassering in het verleden meerdere malen heeft getracht om verdachte voor zijn drugsverslaving te laten behandelen in een verslavingskliniek, hetgeen er echter telkens weer toe heeft geleid dat de behandeling door het vertrek van verdachte uit de kliniek of beëindiging van de behandeling vanwege terugval voortijdig werd afgebroken.

De laatste opname van verdachte is geweest in januari 2005 in de FVK te Apeldoorn, alwaar verdachte al na anderhalf uur is vertrokken. In 2006 is er opnieuw gerapporteerd door de verslavingsreclassering van Tactus. Betrokkene gaf toen aan dat hij open stond voor een hulpverleningstraject, ook als dat een behandeling bij de FVK inhoudt. Uitvoering van dit traject werd afgebroken vanwege recidive in delictgedrag. Verdachte heeft sindsdien niet meer meegewerkt aan de totstandkoming van rapportages van de reclassering.

Ook nu heeft hij niet gereageerd op uitnodigingen van Tactus. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte geen medewerking wilde verlenen aan de totstandkoming van een nieuw rapport.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij weliswaar hulp nodig heeft doch dat hij niet in het kader van een ISD-maatregel doch slechts op vrijwillige basis een behandeling wil ondergaan voor zijn verslaving. In de voorgestelde maatregel heeft verdachte geen vertrouwen.

Gelet op het grote aantal misdrijven waarvoor verdachte is veroordeeld en gelet op de houding van verdachte ten opzichte van de hulpverlening in het verleden is de rechtbank van oordeel dat niet valt te verwachten dat verdachte zonder een afgedwongen behandeling stopt met het plegen van strafbare feiten, zodat de veiligheid van goederen eist dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt opgelegd.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen voor de duur van twee jaar. De rechtbank zal daarbij geen rekening houden met de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis, is doorgebracht, omdat verdachte zo lang mogelijk moet kunnen profiteren van de behandelmogelijkheden die hem in detentie zullen worden geboden. Vanwege het ontbreken van een hulpverleningstraject en vanwege de duur van de maatregel zal de rechtbank bepalen dat na negen maanden een tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht plaatsvindt om de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te beoordelen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 38m en 38n van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Ter terechtzitting heeft (slachtoffer) zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend van € 315,52.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partijen (slachtoffer) en (slachtoffer) rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is, gelet op de ter terechtzitting gegeven toelichting en de overgelegde bescheiden, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 202,30. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de hoogte van de schade buiten beschouwing gelaten de kosten van een vrije dag die (slachtoffer) heeft genomen voor het invullen van het voegingsformulier, waardoor hij € 113,22 loon heeft gederfd.

De vordering van de benadeelde partijen, die in die vordering ontvankelijk zijn, is in dier voege toewijsbaar.

De benadeelde partijen zijn naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meerdere betreft niet-ontvankelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 202,30 ten behoeve van de slachtoffers (slachtoffer) en (slachtoffer).

BESLISSING

Het onder 1 primair en 4 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

De rechtbank bepaalt daarbij dat uiterlijk negen maanden na aanvang van de maatregel een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden omtrent de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk veertien dagen vóór dat tijdstip de rechtbank bericht zal doen toekomen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, . (slachtoffer) en (slachtoffer), wonende te Deventer, van een bedrag van

€ 202,30 (zegge: tweehonderd en twee euro en dertig cent). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij is voor wat het meerdere betreft niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 202,30, ten behoeve van de slachtoffers (slachtoffer) en (slachtoffer) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. M.A. Wijnands-Veninga en

J.E. van den Steenhoven-Drion, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2010.