Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN1368

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
07/993030-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWR

-ontbreken opzet

-gemotiveerde vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.993030-08 (P)

Uitspraak: 10 juni 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van Hagen, advocaat te Breda.

Als officier van justitie was aanwezig mr. J.W. Bollen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks 24 oktober 2006 in de gemeente Heerlen en/of in de

gemeente Zwolle en/of elders in Nederland, opzettelijk (een) bij de

Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over

het jaar 2005 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte

opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Heerlen en/of te Zwolle, althans in Nederland ingeleverde aangiftebiljet

inkomstenbelasting over genoemd jaar een te laag belastbaar bedrag, althans

verzuimd om naast de reeds ingehouden dividendbelasting ook de ontvangen

dividenduitkering aan te geven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig

belasting werd geheven;

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het onjuist en onvolledig invullen van zijn belastingaangifte Inkomstenbelasting (IB) 2005 door de aan verdachte toegekende dividenduitkering niet te vermelden.

Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte vanaf zijn 27e jaar zelf zijn aangifte IB invult, dat verdachte zelf claimt veel kennis van belastingaangiften te hebben en daarvan ook blijk heeft gegeven, dat verdachte de aangiften over 1996, 1997 en 1999 wel correct heeft ingevuld (ook ter zake van de dividenduitkering), dat verdachte bij de aangiften IB 2003 en 2004 ook fouten heeft gemaakt met betrekking tot het invullen van genoten dividenduitkering en dat verdachte geen actie heeft ondernomen toen hij de teruggave Inkomstenbelasting 2005 ten bedrage van ruim EUR 400.000,00 op zijn rekening ontving. Uit deze feiten en omstandigheden kan naar de mening van de officier van justitie worden afgeleid dat verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft doen ontstaan dat de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is zakelijk weergegeven aangevoerd dat verdachte bij het invullen van de aangifte heeft vergeten de dividenduitkering te vermelden en dat van opzet geen sprake is geweest.

Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat het ten laste gelegde verzuim om de “ontvangen dividenduitkering” aan te geven, niet kan worden bewezen. Naar hij heeft aangevoerd is het uitgekeerde dividend verrekend in de rekening-courantverhouding tussen verdachte en de vennootschap zodat van feitelijk ontvangen van dividend geen sprake zou zijn geweest.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Vaststaande feiten

Verdachte is sinds 1985 directeur-grootaandeelhouder van (naam). In 2005 is door deze vennootschap aan verdachte een dividenduitkering toegekend van

EUR 1.400.000,00. De vennootschap heeft aangifte gedaan ter zake van het uitgekeerde dividend alsmede van de door haar ingehouden en aan de fiscus afgedragen dividendbelasting ten bedrage van EUR 350.000,00.

Verdachte heeft in de aangifte IB 2005 bij vraag 22b naar de “Reguliere voordelen uit het aanmerkelijk belang van u of uw partner” niets ingevuld. Vraag 22a naar “de aandelen die in 2005 tot het aanmerkelijk belang van u of uw partner behoorden” en vraag 44a naar de “Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden op dividend en dergelijke” heeft verdachte wel en ook correct beantwoord.

Verdachte heeft de aangiftes IB 1996, 1997 en 1999 correct ingevuld.

In de door verdachte zelf gecorrigeerde aangifte IB 2003 heeft verdachte het netto bedrag aan dividenduitkering vermeld, terwijl hij - mede gelet op de toelichting - gehouden was het bruto bedrag aan te geven en in de aangifte IB 2004 heeft verdachte, evenals in de aangifte IB 2005, verzuimd de dividenduitkering te vermelden terwijl hij ook hier de te betalen dividendbelasting wel heeft ingevuld. Deze omissie is gecorrigeerd op 27 juli 2007 door de inspecteur .

Verdachte heeft verklaard er wel van op de hoogte te zijn geweest dat hij het bruto bedrag aan dividenduitkering diende te vermelden, maar dat hij daar kennelijk overheen heeft gelezen.

Over het bedrag van ruim EUR 400.000,00 dat op de rekening van verdachte is gestort heeft hij verklaard dat hij daarop niet heeft gereageerd en dat hij hoopte dat de belastingdienst deze overboeking zou vergeten .

Beoordeling

Beoordeeld dient te worden of verdachte opzet heeft gehad op het niet vermelden van de dividenduitkering. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld wordt dat het enkele feit dat een belastingaangifte onjuist of onvolledig is, nog niet meebrengt dat verdachte daarop van meet af aan opzet heeft gehad (zie ook HR 4 september 2007, LJN BA5810). Dit betekent dat concreet bewijs voor opzet moet worden geleverd. Hoewel de officier van justitie kan worden nagegeven dat in de onderhavige zaak sprake is van feiten en omstandigheden die niet vóór het standpunt van verdachte pleiten, moet tevens worden vastgesteld dat de mogelijkheid dat verdachte daadwerkelijk is vergeten de dividenduitkering aan te geven niet kan worden uitgesloten. Op grond van de bewijsmiddelen kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte het bedrag bewust niet heeft ingevuld, dan wel zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen. Voornoemde omstandigheden met betrekking tot handelingen van verdachte die in de tijd vóór dan wel ná het invullen van de aangifte IB 2005 liggen zijn daarvoor niet toereikend. Dit betekent dat het ten laste gelegde opzet niet bewezen kan worden en dat verdachte aldus dient te worden vrijgesproken van het misdrijf dat aan hem ten laste is gelegd

De rechtbank hecht eraan hierbij op te merken dat zij geenszins uitsluit dat het handelen van verdachte, zoals feitelijk vastgesteld is kunnen worden, wel een overtreding in de zin van artikel 68 lid 2 AWR kan opleveren. Daarvoor is immers geen opzet vereist maar enkel schuld. Aangezien dit delict niet ten laste is gelegd komt zij aan dit oordeel evenwel niet toe.

Indien en voor zover de officier heeft bedoeld een impliciet primaire/subsidiaire tenlastelegging aan te brengen waarin de overtreding als bedoeld in artikel 68 lid 2 AWR subsidiair is opgenomen, kan evenmin tot een veroordeling worden gekomen. Indien het bestanddeel opzettelijk uit de tenlastelegging wordt weggelaten kunnen de resterende bestanddelen niet leiden tot een kwalificatie op grond van artikel 68 lid 2 AWR. Immers, niet alle bestanddelen van dit artikel zijn opgenomen in de tenlastelegging. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog op dat artikel 68 lid 2 AWR ter zitting in het geheel niet aan de orde is geweest.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Aldus gewezen door mr. J.N. Bartels, voorzitter, mrs. F. Koster en F. van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2010.

Mr. Koster voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.