Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN1208

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
07/650013-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BU9253, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art. 3 Opiumwet, gemotiveerde vrijspraak

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Opiumwet
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650013-10 (P)

Uitspraak: 01 juli 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010 te Zwolle.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Als officier van justitie was aanwezig mr. G.C. Pol.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Zij in of omstreeks de periode van 28 december 2009 tot en met 4 januari 2010 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 18.556 gram henneptoppen en/of 23.968 gram hashblokken en/of 57.2 gram hennep en/of 6.9 gram hash, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hash, zijnde hennep en/of hash een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie, mr. G.C. Pol, heeft ter terechtzitting betoogd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de softdrugs, tezamen en in vereniging met J.J. (naam medeverdachte), aanwezig heeft gehad en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van voornoemd ten laste gelegd feit. Voorts heeft de officier van justitie betoogd dat de tenlastelegging opgevat dient te worden als een primair/subsidiair tenlastelegging, met dien verstande dat als (voorwaardelijk) opzet niet bewezen kan worden verklaard, er een overtreding overblijft. De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd: Een werkstraf voor de duur van 180 uur te vervangen door 90 dagen hechtenis, en daarnaast oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het ten laste gelegde feit, heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat opzet niet bewezen kan worden verklaard. Dit vanwege het feit dat de tenaamstelling van een huurovereenkomst op naam van verdachte niet voldoende is voor het aannemen van opzet, zoals ook blijkt uit de jurisprudentie. Daarnaast wist verdachte van niets en er is ook geen bewijs voorhanden dat dit tegenspreekt. Als gevolg hiervan zou er een vrijspraak dienen te volgen. Ten aanzien van hetgeen de officier van justitie subsidiair heeft aangevoerd, bepleit de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Daarbij voert de raadsman aan dat als opzet zou ontbreken er niets anders zou overblijven dan het enkele feit dat derden de softdrugs in de woning hebben geplaatst zonder medeweten van zijn cliënt. Daarbij legt de raadsman de vraag voor waarom er in dat geval sprake zou zijn van een overtreding als er geen sprake is van schuld.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Verdachte is eigenaar van een coffeeshop. Daarnaast is zij eigenaar van een woning in Wapenveld en huurt zij in Zwolle een tweetal panden, waaronder de op de derde etage gelegen woning aan (adres) te Zwolle. Naast verdachte, heeft ook haar werknemer J.J. (naam medeverdachte) al enige jaren een sleutel van voornoemd pand. De woning aan de (asres) te Zwolle is op 4 januari 2010 naar aanleiding van een anonieme telefonische melding van een wijkbewoner en nader onderzoek, doorzocht. In het pand is een grote hoeveelheid henneptoppen, hasjblokken, hennep en hasj aangetroffen. (naam medeverdachte) medeverdachte, heeft verklaard dat hij deze softdrugs een aantal dagen daarvoor in het pand heeft ondergebracht. De softdrugs zouden eigendom zijn van een persoon die normaal gesproken de wettelijk toegestane hoeveelheden softdrugs aanlevert bij de coffeeshop. Deze persoon had (naam medeverdachte) in verband met een noodsituatie gevraagd de softdrugs tijdelijk onder te brengen. Dit had hij (naam medeverdachte) gevraagd buiten diens hoedanigheid als werknemer van de coffeeshop. (naam medeverdachte) verklaart dat verdachte hiervan niets wist en dat zij voor dergelijke hulp ook nimmer toestemming zou hebben gegeven. Verdachte zelf verklaart hierover eveneens dat zij hier niets van wist. Verdachte is op enig moment na 4 januari 2010, de datum van inbeslagname van de softdrugs door de politie, door medeverdachte (naam medeverdachte) verzocht om in het kader van het just-in-time systeem, dat de coffeeshop hanteert, een geldbedrag te betalen. Op een later tijdstip heeft verdachte nog een dergelijk bedrag ter hand gesteld aan (naam medeverdachte). Achteraf blijken deze betalingen door (naam medeverdachte) te zijn gedaan aan de persoon wiens softdrugs in de woning aan (adres) te Zwolle waren ondergebracht.

Uit vaste rechtspraak volgt dat aan het ten laste gelegde begrip “aanwezig hebben” niet een civielrechtelijke betekenis moet worden toegekend. Voor het aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet is niet vereist dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid, noch van enigerlei wetenschap van het aanwezig hebben. Wel moeten de in de Opiumwet verboden middelen zich in de machtssfeer van een verdachte hebben bevonden.

Met betrekking tot de in de woning aan (adres) te Zwolle inbeslaggenomen henneptoppen, hasjblokken, hennep en hasj is de rechtbank van oordeel, dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende aanwijzingen naar voren komen waaruit onomstotelijk kan worden afgeleid dat deze zich op enig moment of op enige wijze binnen de machtssfeer van verdachte hebben bevonden. De rechtbank heeft voor dit oordeel doorslaggevend geacht de omstandigheid dat verdachte de woning aan (adres) te Zwolle feitelijk niet bewoonde. Zij verklaart af en toe bij de bovenwoning te komen om de post te halen, doch hiervoor de woning niet in te hoeven omdat de brievenbus zich beneden in de portiek bevindt. Alleen het huurcontract staat op haar naam. De sleutel van de woning is al een aanzienlijk aantal jaren in het bezit van (naam medeverdachte), de werknemer van verdachte.

Niet is komen vast te staan dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de partij softdrugs in het pand aan de (adres) te Zwolle. Evenmin is gebleken van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en J.J. (naam medeverdachte) dat gesproken moet worden van het tezamen en in vereniging aanwezig hebben van de softdrugs.

Voorts is niet gebleken dat (naam medeverdachte) eerder op enigerlei wijze misbruik heeft gemaakt van zijn toegangsmogelijkheid tot de woning, noch van enige andere omstandigheid waardoor gezegd moet worden dat verdachte zich bewust was of behoorde te zijn van de mogelijkheid dat (naam medeverdachte) de woning voor opslag van drugs zou gaan gebruiken, hetgeen, als huurster van het pand, voor haar risico zou komen.

Daaraan doet niet af dat verdachte een betaling heeft gedaan die uiteindelijk ter compensatie van de door de politie inbeslaggenomen drugs heeft gestrekt. Verdachte heeft met deze betaling de drugs immers niet –alsnog- in haar machtssfeer gekregen, nu deze immers pas achteraf, na de inbeslagneming door de politie, heeft plaatsgevonden. Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde, in het bijzonder ook van het aanwezig hebben van de genoemde softdrugs.

BESLISSING

Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. F. Koster en J.N. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van L. Pieters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2010.