Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0700

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
Awb 10/914
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag penitentiair inrichtingswerker. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Zo is verzoeker, in strijd met de Gedragscode, een relatie aangegaan met een gedetineerde en heeft hij, in strijd met de Gedragscode, zijn leidinggevende niet op de hoogte gesteld van zijn gevoelens voor deze gedetineerde. Voorts heeft verzoeker, toen hem hiernaar gevraagd werd, in eerste instantie ontkend dat sprake was van een dergelijke relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer : Awb 10/914

Bestreden besluit : 7 april 2010

Datum zitting : 8 juli 2010

Proces-verbaal van de op de openbare zitting op de hierboven vermelde datum gedane mondelinge uitspraak

in het geding tussen:

A,

wonende te Kampen, verzoeker, niet verschenen;

ter zitting vertegenwoordigd door mr. M.C.G. van der Sman, juridisch adviseur te Zoetermeer;

en

De Minister van Justitie,

verweerder;

ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. Koenen, H. van der Wijk, P & O-adviseur, en P.J. Koperberg, plaatsvervangend vestigingsdirecteur.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting doet de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak.

1. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker, met onmiddellijke ingang, onvoorwaardelijk disciplinair ontslag verleend wegens plichtsverzuim. Verzoeker is een relatie aangegaan met een gedetineerde en hij heeft zijn leidinggevende niet op de hoogte gesteld van zijn gevoelens voor deze gedetineerde.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder de betrokken belangen niet zorgvuldig tegen elkaar heeft afgewogen. Verzoeker is al sinds 1973 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie. Verweerder heeft ten onrechte niet gekozen voor een minder vergaande disciplinaire straf.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Aannemelijk is dat verzoeker ten gevolge van het bestreden besluit in financiële problemen is geraakt. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker geen uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de kans van slagen van het bezwaar gering. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Zo is verzoeker, in strijd met de Gedragscode, een relatie aangegaan met een gedetineerde en heeft hij, in strijd met de Gedragscode, zijn leidinggevende niet op de hoogte gesteld van zijn gevoelens voor deze gedetineerde. Voorts heeft verzoeker, toen hem hiernaar gevraagd werd, in eerste instantie ontkend dat sprake was van een dergelijke relatie. Als penitentiair inrichtingswerker met bijna 40 jaar ervaring moet verzoeker zich zeer wel bewust zijn geweest van de ernst van deze gedragingen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het plichtsverzuim dermate ernstig, dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluit om verzoeker onvoorwaardelijk disciplinair ontslag te verlenen.

De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen dient te worden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door mr. E. Steendijk en mr. A. van der Weij, als griffier, is ondertekend.

Afschrift verzonden op: