Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0556

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
171042 / JZ RK 10-361
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandige motivering verzoek machtiging uithuisplaatsing naast de morivering van een verzoek tot ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaak/rolnr.: 171042 / JZ RK 10-361

datum: 1 juli 2010

beschikking van de kinderrechter

inzake

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Zwolle,

vertegenwoordigd door H. van ’t Hof,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

met betrekking tot de minderjarige:

[A], hierna als [A] aangeduid, geboren op [datum] 2006 in de gemeente [plaats],

kind van [moeder] en [vader].

Belanghebbenden:

1. [moeder],

wonende te [plaats],

advocaat mr. C.F. Roza,

hierna als de moeder aangeduid;

2. [pleegouders],

wonende te [plaats],

hierna als de pleegouders aangeduid;

3. BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL,

gevestigd te Zwolle,

hierna als de gezinsvoogdijinstelling aangeduid.

De moeder is belast met het gezag.

Het procesverloop

De Raad heeft op 7 mei 2010 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling en tot machtiging uithuisplaatsing.

De kinderrechter heeft in deze zaak op 25 mei 2010 reeds een beschikking gegeven. In die beschikking is het volgende, voor zover thans van belang, bepaald:

“Stelt de minderjarige(in deze beschikking als [A] aangeduid) voornoemd onder toezicht met ingang van 25 mei 2010 tot 25 mei 2011.

Benoemt Bureau Jeugdzorg Overijssel tot gezinsvoogdijinstelling.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Houdt iedere verdere beslissing aan.”

De kinderrechter heeft kennis genomen van:

- een indicatiebesluit d.d. 3 december 2009;

- een rapport van de Raad d.d. 4 mei 2010;

- een reactie op voornoemd rapport van de moeder;

- een observatieverslag van de Rading d.d. 15 juni 2009;

- een rapport van de Raad d.d. 21 juni 2010;

- een reactie op voornoemd rapport namens de moeder, met bijlagen, d.d. 25 juni 2010.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 25 mei 2010.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- H.H. Zoer namens de gezinsvoogdijinstelling;

- T.W. Thiery namens de Raad.

De pleegouders, hoewel op juiste wijze opgeroepen, zijn niet verschenen.

De zaak is wederom behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 28 juni 2010.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. T.H. Dijkstra;

- M. La Faille namens de gezinsvoogdijinstelling;

- M.B. de Haan namens de Raad.

De pleegouders, hoewel op juiste wijze opgeroepen, zijn niet verschenen.

Vaststaande feiten

[A] verblijft bij de pleegouders.

Beoordeling van de zaak

Thans is nog aan de orde het verzoek van de Raad de gezinsvoogdijinstelling te machtigen [A] voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs.

Ter onderbouwing van zijn verzoek verwijst de Raad naar zijn rapport van 4 mei 2010 met bijlagen en met name naar zijn aanvulling daarop van 21 juni 2010 naar aanleiding van in de beschikking van de kinderrechter van 25 mei 2010 gestelde vragen.

De Raad voegt daar nog aan toe dat [A] een kwetsbaar meisje is met een eigen persoonlijkheidsproblematiek. Om haar ontwikkeling goed te kunnen laten verlopen is het noodzakelijk dat [A] speciale begeleiding en structuur aangeboden krijgt. De Raad stelt verder dat de moeder dit thans onvoldoende kan bieden aan [A]: moeder zal daarvoor eerst met zichzelf aan de slag moeten gaan.

De moeder maakt bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek. Zij voert kort samengevat aan dat de uithuisplaatsing van [A] in januari 2009 haar wens is geweest. Zij wenst dat [A] thans weer bij haar komt wonen. Zij stelt, om dit te realiseren, zij door de hulpverleners tegengewerkt wordt. Zij voert verder aan, aan de voorwaarden die in april en juli 2009 gesteld zijn voor terugkeer van [A], voldaan te hebben. Zij heeft een familienetwerk voor steun om zich heen als [A] weer thuis komt. De moeder stelt niet de kans te hebben gekregen te laten zien dat zij zelf weer voor [A] kan zorgen door bijvoorbeeld enige tijd in een moeder-kind opvang te verblijven waar bekeken kan worden hoe zij en [A] met elkaar omgaan. Als zou komen vast te staan dat de moeder zelf niet voor [A] kan zorgen, is een zus van moeder bereid om [A] in haar gezin op te vangen. Een procedure om de zus van moeder te screenen als netwerkpleeggezin, is inmiddels gestart.

Met de ondertoezichtstelling van [A] bij beschikking van 25 mei 2010, heeft de kinderrechter reeds als zijn oordeel uitgesproken dat, uitgaande van de verzorgings- en opvoedingssituatie bij de moeder, er sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreigende omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, BW. Indien de hiervoor bedoelde situatie zich voordoet, behoeft niet automatische een uithuisplaatsing te volgen. Voor een uithuisplaatsing dient aan een aanvullend criterium voldaan te zijn. Als het in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is kan de kinderrechter, aldus artikel 1:261, eerste lid, BW, de gezinsvoogdijinstelling machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen.

Anders geformuleerd: een niet optimale opvoedings- en verzorgingssituatie bij de moeder behoeft niet automatisch tot een uithuisplaatsing te leiden.

[A] woont inmiddels bijna anderhalf jaar in het pleeggezin. Ook al wordt de opvoedingssituatie van [A] in het pleeggezin volgens objectieve pedagogische maatstaven als gunstiger beoordeeld dan bij de moeder thuis, dan is dat evenmin een reden om zonder meer een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

Naar het oordeel van de kinderrechter is het heel begrijpelijk dat de hulpverleners in april tijdens een evaluatie, voorwaarden hebben gesteld waaraan voldaan dient te zijn alvorens [A] naar de moeder kan terugkeren.

Nu de Raad niet alleen de ondertoezichtstelling van [A] heeft verzocht, maar ook vraagt de gezinsvoogdijinstelling te machtigen [A] in een pleeggezin te plaatsen, dient de Raad niet alleen feiten en omstandigheden aan te voeren die tot de ondertoezichtstelling kunnen leiden, maar dient de Raad ook voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren waarop de conclusie te baseren is dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [A] noodzakelijk is haar uit huis te plaatsen.

Bij beoordeling van het verzoek van de Raad zijn te onderscheiden kindfactoren enerzijds en anderzijds factoren die samenhangen met de moeder en de verzorgings- en opvoedingssituatie. Uiteindelijk spitst de vraag zich thans toe op de vraag of deze moeder in staat is [A] thuis te verzorgen en op te voeden of dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [A] noodzakelijk is de verzorging en opvoeding van [A] buitenshuis te laten plaatsvinden.

De Raad geeft aan dat er zorgen zijn over de sociaal emotionele ontwikkeling van [A]. Het is een kwetsbaar meisje. In dit verband gebruikt de Raad de term ‘hechtingsproblematiek’. [A] is temperamentvol en dominant en heeft een eigen wil. Ze vraagt veel aandacht. Eigenlijk is permanent toezicht vereist.

Naar het oordeel van de kinderrechter komt de moeder zoals ook in de overgelegde stukken is aangegeven, over als een persoon die voor haar visie opkomt en zich niet altijd gemakkelijk laat overtuigen dat een andere visie beter is. Het is met de moeder niet altijd even gemakkelijk goed samen te werken. Zij is onvoorspelbaar in haar opvattingen en reacties.

De vraag is gerezen in hoeverre de moeder [A] voldoende autonome ruimte toestaat voor zelfontplooiing.

Kennelijk is begin 2009 de verzorging en opvoeding van [A] voor de moeder te belastend geweest zodat ze vrijwillig er voor heeft gezorgd dat [A] in een pleeggezin is opgevangen.

Een en ander neemt niet weg dat naast de ondertoezichtstelling, ook het verzoek een machtiging tot uithuisplaatsing af te geven, een zelfstandige motivering nodig heeft naast de motivering van het verzoek tot ondertoezichtstelling. Een en ander geldt te meer nu de moeder met name bezwaar heeft tegen het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling inmiddels is uitgesproken. In een situatie van bezwaar tegen toewijzing van een verzoek ligt het overigens naar het oordeel van de kinderrechter op de weg van de Raad, de motivering meer te baseren op eigen onderzoek en minder op aangedragen informatie van elders. In ieder geval dient van elders verkregen informatie controleerbaar te zijn. Daarvan is in dit geval onvoldoende gebleken.

De kinderrechter neemt het belang van [A] als eerste overweging. Dit leidt er in deze situatie toe dat [A] niet onnodig van verblijfplaats dient te wisselen. De plaatsing van [A] in het huidige pleeggezin wordt in de loop van augustus a.s. beëindigd. De resultaten van de screening van de zus van moeder, in verband met pleegzorgplaatsing in het familienetwerk, zijn nog niet bekend. De moeder stelt zicht op het standpunt dat zij zelf voor [A] kan gaan zorgen.

De kinderrechter gaat ervan uit dat de komende tijd wordt onderzocht welke opvoedingssituatie in het belang van [A] is: (netwerk) plaatsing in een pleeggezin danwel opname van moeder en kind. Bij een eventueel verlengingsverzoek wenst de kinderrechter hierover geïnformeerd te worden.

De kinderrechter gaat er hierbij van uit dat deze periode voldoende is om definitief goed onderbouwd te beslissen waar [A] verzorgd en opgevoed dient te worden.

Aan de plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform het Besluit Justitiële Kinderbescherming en Vrijwillige Jeugdhulpverlening.

Beslissing

Verleent de gezinsvoogdijinstelling machtiging de minderjarige voornoemd met ingang van 1 juli 2010 tot 1 januari 2011 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het anders of meer verzochte af.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

F.A. Paasman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2010.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de kinderrechter kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.