Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0419

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
07/650073-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting; bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650073-10 (P)

Uitspraak: 29 juni 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.H.I.M. Pierik, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. M. van Dijck - Jager.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 februari 2010 in de gemeente Zwolle opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de (adres), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus over zijn bed en/of over spullen gesprenkeld en/of (vervolgens) met een brandende aansteker het dekbed aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met spiritus en/of een bed en/of een dekbed en/of spullen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat bed en/of dat dekbed en/of die spullen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of zich in die woning bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of nabij die woning bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was

VOORVRAGEN

De raadsman heeft verweer gevoerd over de geldigheid van de dagvaarding. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig is omdat het daarin opgenomen begrip ‘spullen’ niet nader is omschreven waardoor onduidelijk is welke goederen zijn verbrand. De dagvaarding voldoet hierdoor niet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman nu naast het begrip ‘spullen’ ook concrete goederen zijn opgenomen in de dagvaarding, namelijk 'bed en/of dekbed' en het niet nader omschrijven van het begrip ‘spullen’ in de tenlastelegging deze ook niet tot een obscuur libel maakt. De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank heeft verder vastgesteld zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft betoogd dat verdachte brand heeft gesticht in de door hem gehuurde kamer in de woning aan de (adres). Gelet op de situering van deze woning in een blok van vijf woningen is naar het oordeel van de officier van justitie naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar voor personen te duchten geweest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat er geen gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest nu verdachte alleen goederen die hem in eigendom toebehoorden in brand heeft gestoken. Daarenboven is de brand zeer gering geweest waardoor verdachte de brand na luttele seconden heeft kunnen blussen en heeft de brandweer geen bluswerkzaamheden hoeven verrichten. Daarnaast is er naar het oordeel van de verdediging geen gevaar voor personen aanwezig geweest. Verdachte heeft zich er van vergewist dat zich in dezelfde woning geen personen bevonden en in het dossier bevinden zich geen aanwijzingen dat ten tijde van de brand in het blok aangrenzende woningen personen aanwezig waren. De verdediging bepleit, gelet op het vorenstaande, vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

Op 19 februari 2010 kreeg de politie de melding om naar de (adres) te Zwolle te gaan, alwaar een binnenbrand zou woeden. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam was de brandweer al aangekomen en was de bevelvoerder in gesprek met één van de bewoners van het pand die, hevig geëmotioneerd, vertelde dat hij zelf brand had gesticht in de woning. Deze persoon was verdachte, (naam verdachte). Verdachte vertelde dat hij een fles spiritus had leeg gegooid over zijn bed en over de vloer. Verdachte verklaarde dat hij vervolgens door de vlam van een aansteker tegen het dekbed te houden dit in brand heeft gestoken. Toen verdachte weer bij zinnen kwam is hij een verdieping naar beneden gegaan om water te halen. Verdachte heeft een aantal keren een emmer water op het vuur gegooid. Vervolgens heeft verdachte 112 gebeld en is doorgegaan met blussen.

Uit het proces-verbaal van de technische recherche blijkt dat de woning een uit steen opgetrokken tussenwoning is en deel uitmaakt van een blok van vijf woningen. Ten tijde van het onderzoek van de technische recherche lagen voor de woning diverse deels verbrande spullen op het trottoir welke goederen afkomstig waren uit de slaapkamer aan de achterzijde van de woning. Dit betrof onder andere een voor een deel verbrand hoofdkussen, een voor een deel verbrand dekbed, een aan één zijde verbrand matras met daaromheen een grotendeels verbrand hoeslaken, en een voor een deel verbrande rugtas. In de woonkamer op de tafel werd een lege spiritusfles aangetroffen. Op de slaapkamer aan de achterzijde van de woning, de (slaap)kamer van verdachte, werden tegen de achterwand natte kledingsstukken aangetroffen op de vloer waarvan sommige deels verbrand waren. Op de achterwand van de slaapkamer is een roetvlek zichtbaar. De schuine wand en het plafond zijn beroet waaruit geconcludeerd is dat het in dit deel van de kamer heeft gebrand. Daarnaast werd op de slaapkamer naast een doos een rode aansteker aangetroffen.

Ter terechtzitting heeft verdachte de door hem bij de politie afgelegde verklaring bevestigd en verklaard dat hij op 19 februari 2010 in zijn kamer in de woning aan de (adres) te Zwolle spiritus over het dekbed en het bed heeft gegoten en dit vervolgens met een aansteker heeft aangestoken waardoor brand is ontstaan.

De rechtbank leidt uit de omstandigheid dat naast het dekbed en/of het bed dat door verdachte in brand is gestoken ook een rugtas en diverse kledingstukken (deels) zijn verbrand af, dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen. Hierbij is verder van belang dat de kamer van verdachte deel uitmaakte van de door aangever ook daadwerkelijk bewoonde woning en dat die woning als zodanig weer deel uitmaakt van een woningblok. Gelet hierop en voorts op de in de kamer van verdachte aangetroffen beroeting, is de rechtbank van oordeel dat louter het feit dat verdachte slechts aan hemzelf toebehorende goederen in brand heeft gestoken als gevolg waarvan enkele aan hem toebehorende zaken zijn verbrand onvoldoende om in dit geval te kunnen zeggen dat er geen gemeen gevaar voor goederen van die brand te duchten is geweest. De algemene ervaring leert dat bij brandstichting op de hier aan de orde zijnde wijze en plaats, goederen van anderen die zich in de (directe) omgeving van die brand bevinden het risico lopen te verbranden. Er is geen grond om daarover in dit geval anders te concluderen.

In het opsporingsonderzoek wordt gesproken over de situering van de woning, deeluitmakende van een blok van vijf woningen. Op geen enkele wijze blijkt uit dat onderzoek echter of zich daar op het moment van de brand personen bevonden of niet . De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van levensgevaar voor personen dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of nabij die woning bevindende personen. Verdachte zal dan ook van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Hij op 19 februari 2010 in de gemeente Zwolle opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de (adres), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus over zijn bed gesprenkeld en vervolgens met een brandende aansteker het dekbed aangestoken, ten gevolge waarvan dat bed en dat dekbed en spullen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die woning bevindende goederen te duchten was.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarde dat verdachte de aanwijzingen van de reclassering zal opvolgen en zal meewerken aan behandeling van zijn borderline persoonlijkheidsstoornis bij Kairos, of een soortgelijke instelling en zal verblijven in “Huize Norel”, woon-werkcentrum van "De Ontmoeting" te Epe. De officier van justitie heeft haar eis geformuleerd aan de hand van een recente uitspraak van deze rechtbank (LJN BM 7184).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gelet op het bepleiten van vrijspraak subsidiair op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact of een werkstraf dient te worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is van oordeel dat als uitgangspunt heeft te gelden dat brandstichting in een woning een zeer ernstig strafbaar feit betreft waarop – mede wegens de enorme risico’s voor personen en goederen die dergelijke gedragingen met zich voeren - in beginsel met een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dient te worden gereageerd. In het geval van verdachte dienen daarbij echter de volgende kanttekeningen te worden geplaatst.

In de eerste plaats is van belang dat verdachte zal worden vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging waarin hem het veroorzaken van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen wordt verweten.

Verder heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte vrijwel direct na het ontstaan van de brand tot inkeer is gekomen en heeft getracht het vuur zelf te blussen en dat hij vervolgens 112 heeft gebeld. De materiële gevolgen van de brand zijn uiteindelijk relatief beperkt gebleven.

In de rapportages van de psychiater, F.M.J. Bruggeman, en psycholoog, prof.dr. F. Koenraadt, wordt geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het hem ten laste gelegde sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of een ziekelijke stoornis ten gevolge waarvan verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is ten aanzien van het ten laste gelegde. De rechtbank neemt deze conclusies over en neemt deze mee in haar beslissing omtrent de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Verdachte heeft na zijn aanhouding reeds vier weken in detentie doorgebracht hetgeen hem zeer zwaar is gevallen. Verdachte heeft geen justitiële contacten gehad in het verleden, blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister.

Na zijn detentie heeft verdachte een voor hem passende woon- en werkomgeving gevonden bij “De Ontmoeting” te Epe. De rechtbank is van oordeel dat deze positieve lijn in het leven van verdachte op dit moment niet door een detentie doorkruist moet worden maar dat verdachte behandeld moet worden voor zijn persoonlijkheidsproblematiek.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken onvoorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met de bijzondere voorwaarde dat verdachte mee dient te werken aan behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek en zal verblijven in ‘Huize Norel’ van "Stichting De Ontmoeting" te Epe.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (naam slachtoffer) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” met de daarbij gevoegde bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.000--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 3.000,-- ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer)

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De gevangenisstraf van 2 maanden zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt dat verdachte:

- zich ambulant moet laten behandelen bij Kairos of een soortgelijke instelling, en

- zal verblijven in “Huize Norel”, woon- en werkcentrum van "Stichting De Ontmoeting" te Epe en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld,

zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer), wonende te (plaats), van een bedrag van € 3.000,-- (zegge: drieduizend euro). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3.000,--, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. R.A.M. Elbers, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra - Meijer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2010.

Mr. R.A.M. Elbers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.