Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM8185

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
Awb 09/1476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regelmatig georganiseerde bijeenkomsten in buurthuis van persoonlijke aard in strijd met bestemming, algemeen belang dat met handhaving is gediend onvoldoende vooropgesteld; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/1476

Uitspraak

in het geding tussen:

het Koninklijk verbond van ondernemers in het horeca- en aanverwante bedrijf Horeca Nederland, Afdeling Noordelijk Flevoland,

gevestigd te woonplaats,

eiseres,

gemachtigde: D.A. Hogervorst

en

het college van burgemeester en wethouders van Urk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2009 heeft verweerder naar aanleiding van het verzoek van eiseres om op grond van het bestemmingsplan, dan wel de Drank- en Horecawet handhavend op te treden tegen zaalverhuur en het daarbij verstrekken van alcoholhoudende drank door de (naam…), afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 27 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 24 augustus 2009 beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 2 februari 2010.

Bij brief van 24 september 2009 heeft verweerder de op zaak betrekking hebbende stukken ingediend alsmede verweer gevoerd. Op 25 maart 2010 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

De zaak is op 30 maart 2010 ter zitting behandeld. Namens eiseres is verschenen gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen (…) en (…), ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Bij besluit van 10 april 2003 heeft verweerder aan (naam…) vergunning als bedoeld in artikel 3 van de DHW verstrekt voor de inrichting aan de (adres..) te (woonplaats…). Aan deze vergunning is het voorschrift verbonden dat de vergunning niet geldt voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor, tijdens of na bijeenkomsten van persoonlijke aard als bedoeld in artikel 4 van de DHW.

Bij brief van 3 november 2008 heeft eiseres verweerder gevraagd tot intrekking van de drank- en horecavergunning van (naam…) over te gaan vanwege onder meer het verstrekken van alcohol bij feesten en partijen, danwel handhavend op te treden tegen het in strijd met de bestemmingsplanvoorschriften gelegenheid geven tot het houden van feesten of partijen.

Bij brief van 19 december 2008 heeft verweerder aangegeven dat gezien de reactie van (naam…) kan worden volstaan met een brief waarin uitleg wordt gegeven over hetgeen ingevolge de regelgeving ter plekke is toegestaan. Daarbij is verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Zutphen (registratienummer 05/137), waaruit volgt dat het met regelmaat verhuren van zaalruimte voor bijeenkomsten van persoonlijke aard niet is toegestaan als het bestemmingsplan dit niet uitdrukkelijk toestaat. Verweerder heeft de (naam…) daarbij gewezen op de mogelijkheid om een verzoek in te dienen tot verruiming van de bestemmingsplanvoorschriften.

Bij besluit van 17 april 2009 heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhaving afgewezen. Daarbij is aangegeven dat de (naam…) zal worden bericht dat alleen ruimte mag worden verhuurd voor besloten familiebijeenkomsten, waarbij men zelf eten en drinken meeneemt, en dat de handhaving zal worden meegenomen in het reguliere handhavingsbeleid.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie de bezwaren ongegrond verklaard. Aangegeven is dat van regelmatig georganiseerde bijeenkomsten van persoonlijke aard geen sprake is.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Koningshof” rust op het betrokken perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden, drukkerij”.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor het uitoefenen van een drukkerij, met daarbij behorende werkplaatsen, magazijn en kantoren.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemming.

Namens (…) is tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie aangegeven dat de verhuur van zaalruimte aan ouderen voor het houden van verjaardagen zo’n drie tot vier keer per maand plaatsvindt. Hiermee is, anders dan verweerder bij het bestreden besluit heeft aangegeven, naar oordeel van de rechtbank sprake van regelmatig georganiseerde bijeenkomsten van persoonlijke aard, hetgeen strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake, omdat het ontwerp van het bestemmingsplan (naam…) ten tijde van het bestreden besluit nog niet ter inzage was gelegd. Daarbij wordt nog voorbijgegaan aan de vraag in hoeverre de gewraakte activiteiten passen binnen de bestemming “Maatschappelijke voorzieningen” van de betrokken gronden in het voorontwerp.

Verweerder betoogt dat de geboden faciliteit in het buurthuis van de (naam…) voorziet in een plaatselijke behoefte. Volgens verweerder zijn op (plaatsnaam) veel grote families woonachtig en is het voor ouderen die klein behuisd zijn een uitkomst dat voor de viering van verjaardagen kan worden uitgeweken naar een zaaltje. Gebruik maken van voorzieningen van de reguliere horeca is veel duurder en voor de meeste ouderen niet betaalbaar. Van ongewenste mededinging is dan ook geen sprake, aldus verweerder.

Dit betoog faalt. Slechts indien handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, behoort van optreden in die concrete situatie te worden afgezien. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan kon worden afgezien van handhaving. Verweerder heeft ten onrechte volstaan met een afweging van belangen van de reguliere horeca te (plaatsnaam) enerzijds en anderzijds die van degenen die gebruik maken van de mogelijkheid tot zaalhuur en heeft het algemeen belang dat met handhaving is gediend onvoldoende vooropgesteld. De omstandigheid dat van ongewenste mededinging geen sprake is, wat daarvan ook zij, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving kon worden afgezien.

Bovendien is het huidig gebruik van het buurthuis in strijd met het bestuursreglement

dat onderdeel uitmaakt van de vergunning aan (naam…) ingevolge de DHW. Volgens dat bestuursreglement is het niet toegestaan zelf meegebrachte drank te gebruiken in de accommodatie. Dit strijdige gebruik zou aanleiding kunnen zijn tot intrekking van de

DHW-vergunning. Nakoming van door verweerder zelf gestelde regels, zou voor

verweerder een reden temeer moeten zijn om te handhaven.

Het beroep is derhalve gegrond.

Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 644,--, te voldoen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier, op

Afschrift verzonden op: