Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM8126

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
07/630346-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Salduz, cautieplicht, belgische recht, moord, voorbedachte rade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/630346-09 (P)

Uitspraak: 17 juni 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende (adres),

thans in voorarrest verblijvende in (verblijfplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010, 17 mei 2010

en 4 juni 2010 te Zwolle.

De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Als officier van justitie was telkens aanwezig mr. M. Zwartjes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 06 november 2009 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachte rade (slachtoffer) van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen en aldaar met dat opzet en

-al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg (slachtoffer) (geboren geboortjeaar)

- meermalen, althans eenmaal met een tafelpoot (met daaraan een of meer

bout(en), althans een of meer metalen pin(nen)), althans met een hard en/of

zwaar voorwerp op het (achter)hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de rug

en/of de (linker) zij, althans tegen het lichaam geslagen en/of

- (daarna) haar/een hemd, althans een kledingstuk, althans een (stoffen)

voorwerp in de luchtpijp, althans in de keel en/of de mond geduwd, althans

gestopt, ten gevolge waarvan (slachtoffer) is overleden;

2. hij op of omstreeks 06 november 2009 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrag

van EURO 900,00, althans geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan (slachtoffer), althans aan de erven van (slachtoffer),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg

te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse

sleutel.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade mevrouw(slachtoffer) van het leven heeft beroofd door haar meermalen met een tafelpoot te slaan en door haar hemd in haar keel te drukken.

Voorts komt de verdenking erop neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal

van geld, toebehorende aan mevrouw(slachtoffer), door haar pinpas te misbruiken.

De officier van justitie heeft gevorderd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zakelijk weergegeven ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair als verweer gevoerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit geen controle meer had over zijn eigen handelen en dat ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Volgens de raadsman is er sprake geweest van een dissociatieve toestand bij de verdachte en heeft het opzet bij verdachte ontbroken.

Door de raadsman van de verdachte is voorts als verweer gevoerd dat geen sprake kan zijn geweest van voorbedachten rade bij de verdachte, omdat het de verdachte zwart voor de ogen is geworden en hij geen tijd meer heeft gehad om na te denken over zijn handelen en de gevolgen daarvan.

De raadsman van de verdachte heeft voorts gesteld dat de door de verdachte in België afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs nu aan de verdachte voorafgaand aan die verhoren niet de cautie is gegeven en hij voorafgaande aan die verhoren geen advocaat heeft kunnen raadplegen. Bovendien verkeerde de verdachte, aldus de raadsman, ten tijde van het afleggen van zijn eerste verklaring tegenover de Belgische politie zwaar onder invloed van medicijnen en was hij erg emotioneel, zodat aan de betrouwbaarheid van die verklaring ernstig getwijfeld moet worden.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

Salduz

Verdachte is de dag na de -hierna te beschrijven- geweldpleging in de woning aan de (adres) te (plaatsnaam) gevlucht naar België. Aldaar heeft hij zich, op aandringen van zijn moeder, gemeld bij een politiebureau te Brussel.

Met de raadsman constateert de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het verhoor dat toen door de politie in België is afgenomen niet blijkt dat verdachte voorafgaand aan dat verhoor de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen.

Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2009, NJ 2009, 349, dat uitgangspunt is in een dergelijke situatie, leidt de rechtbank het volgende af. In rechtsoverweging (r.o.) 2.7.1 staat: “De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. (…) Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv.” In de regel dient dan bewijsuitsluiting te volgen.

In hetzelfde arrest wordt echter ook aangegeven dat op dit uitgangspunt wel enkele uitzonderingen zijn te maken. Onder meer als de verdachte ondubbelzinnig afstand van het recht op raadpleging van een advocaat heeft gedaan. Bewijsuitsluiting is evenmin aan de orde ten aanzien van verklaringen die de verdachte later na raadpleging van een advocaat heeft afgelegd en nadat hij op zijn zwijgrecht is gewezen (r.o. 2.5 en 2.7.3).

Deze laatste situatie acht de rechtbank in dit geval aan de orde, nu verdachte tijdens zijn eerste verhoor in Nederland, waarbij hem de cautie is gegeven en nadat hij is bezocht door zijn eigen raadsman, is gebleven bij de verklaringen zoals hij die in België heeft afgelegd. Immers, nadat verdachte heeft gesproken met zijn eigen advocaat, verklaart hij bij de Nederlandse politie over zijn verhoor in België: “Ik heb gezegd daar hoe het zat”.

Daarnaast acht de rechtbank in dit kader nog van belang dat het verdachte zelf is geweest die zich op 7 november 2009 omstreeks 22.00 uur vrijwillig heeft gemeld bij de Belgische politie en daar op 8 november 2009 van 01.49 tot 02.24 uur verhoord is en onder meer ook heeft verklaard: “Ik leg deze verklaring af zonder dwang”, en “Ik heb geen geneeskundige zorgen nodig, neem geen geneesmiddelen en ben in goede gezondheid.” Vervolgens heeft verdachte op 8 november 2009 om 17.13 uur in het kader van het Europees Bevel tot Aanhouding verklaard: “Ik bevestig mijn verklaring die ik afgelegd heb bij de lokale politie Brussel, ik heb daar de waarheid gezegd.” Als verdachte dan geïnterpelleerd wordt en hem de inhoud van zijn verklaring van 8 november 2009 wordt voorgehouden verklaart hij: “Dat is oké”. Vervolgens wordt hem gevraagd of zijn verklaring nog aangevuld of verbeterd moet worden, waarop hij antwoordt: “Ik heb niets toe te voegen”.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de bekennende verklaringen van verdachte in België voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat geen sprake is van procedurele schendingen van dien aard dat uitsluiting geboden is, en omdat zij betrouwbaar worden geacht. Hetgeen verdachte in België heeft verklaard wordt ondersteund door zijn in Nederland afgelegde verklaringen alsook door het verkregen technisch bewijs.

Voor wat betreft het verweer van de raadsman dat de Belgische verklaringen uitgesloten dienen te worden van het bewijs omdat aan de verdachte voorafgaand aan die verhoren niet de cautie is gegeven overweegt de rechtbank het volgende. Uit het proces-verbaal van het eerste verhoor van verdachte in België blijkt inderdaad niet dat verdachte is gewezen op een recht om te zwijgen. Wel is in dit proces-verbaal met zoveel woorden als verklaring van verdachte opgenomen, dat hij die verklaring zonder dwang heeft afgelegd. Uit het proces-verbaal van het tweede verhoor, ten overstaan van een Belgische onderzoeksrechter, blijkt wel dat verdachte is gewezen op zijn recht om te zwijgen. De rechtbank constateert dat verdachte in die verklaring - waarin hem is medegedeeld dat hij het recht heeft het stilzwijgen te bewaren - de inhoud van zijn eerste verklaring bevestigt.

Onvoldoende onderbouwd is het standpunt van de verdediging dat naar Belgisch recht een specifieke plicht zou bestaan voor opsporingsambtenaren om aan een verdachte in een verhoorsituatie de cautie te geven.

De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat verdachte in België in vrijheid heeft kunnen verklaren en dat aan verdachte bij beide verhoren aldaar uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt. Op geen enkele wijze is de rechtbank gebleken van een schending van beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.

Ten aanzien van het tenlastegelegde:

Met betrekking tot hetgeen verdachte onder 1 feitelijk is tenlastegelegd, overweegt de rechtbank thans als volgt.

Op 7 november 2009 om 18.30 uur wordt mevrouw (slachtoffer), geboren op (geboortejaar), dood aangetroffen in de nieuwe woning van haar kleindochter aan de (adres) te Steenwijk. Verdachte is de vriend van deze kleindochter.

Het slachtoffer ligt op haar rug, met de trui omhoog geschoven over haar hoofd. Haar benen zijn gekruist; haar rechterbeen ligt over haar linkerbeen. Bij de linkerhand ligt een plas bloed met daarin een beschadigde bril. Het voorpand van het hemd is in de mond van het slachtoffer gebracht.

Bij sectie op het lichaam werd het intreden van de dood verklaard door hersenfunctie-stoornissen ten gevolge van herseninklemming, opgelopen door inwerking van herhaaldelijk hevig uitwendig mechanisch botsend stomp geweld. Voorts dient rekening te worden gehouden met belemmering van de luchtwegen en verstikking als bijdrage voor het overlijden.

Het slachtoffer is meerdere malen geslagen tegen in elk geval het lichaam en tegen het hoofd.

Op 8 november 2009 omstreeks 14.00 uur werd in de woning aan de (adres) te Steenwijk in een kamer op de eerste verdieping achter een knieschot een tafelpoot met daaraan bouten aangetroffen.

Op deze tafelpoot werden bloedsporen aangetroffen. Deze sporen matchen met het DNA van het slachtoffer.

Verdachte verklaart dat hij op 6 november 2009 naar de woning aan de (adres) te Steenwijk is gegaan om te klussen en dat het slachtoffer daar ook was. Op zolder heeft verdachte het slachtoffer bij zich geroepen en daar is een discussie ontstaan. Op enig moment voelde verdachte zich dermate gekrenkt door uitlatingen van het slachtoffer, dat hij haar met de tafelpoot heeft geslagen. Het slachtoffer is hierdoor ten val gekomen. Verdachte gaat door met het slaan met de tafelpoot en raakt het slachtoffer onder andere meermalen op het achterhoofd.

Verdachte gaat naar beneden en pakt onder meer de pinpas uit de tas van het slachtoffer. Vervolgens gaat verdachte weer naar zolder en draait het slachtoffer om teneinde te controleren of zij nog leeft. Toen hij zag dat het slachtoffer nog ademde heeft hij haar hemd omhoog gerukt en die als een prop in haar mond gedrukt.

Van betekenis acht de rechtbank hierbij ook de verklaring van verdachte d.d. 1 december 2009 waarin hij zegt dat hij van zijn advocaat gehoord heeft dat er sporen waren dat hij oma had geprobeerd te laten stikken en vervolgens antwoordt op de vraag waar hij dan aan denkt: “Dat ze nog ademde, dat ik haar uit haar lijden wilde verlossen. Maar hoe dat ik dat dan heb gedaan, dat weet ik niet.”

Opzet

De verdediging heeft aangevoerd dat bij verdachte een acute dissociatie is opgetreden waardoor het opzet op de dood van het slachtoffer heeft ontbroken.

Een dergelijk verweer kan volgens bestendige rechtspraak alleen slagen indien bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken.

De rechtbank overweegt dat zowel de psycholoog als de psychiater over verdachte hebben gerapporteerd dat bij verdachte geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychiatrische stoornis in engere zin of voor een persoonlijkheidsstoornis en dat het niet aannemelijk is dat verdachte in een dissociatieve toestand verkeerde. Ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de aanwezigheid van een dissociatieve toestand niet aannemelijk geworden en hebben de rapportages en hetgeen beide gedragsdeskundigen daarover hebben verklaard de rechtbank overtuigd van de juistheid van deze bevindingen.

Eveneens volgt de rechtbank beide gedragsdeskundigen in hun conclusie dat de ernst van verdachtes persoonlijkheidsproblematiek niet zodanig is dat hij niet in staat moet worden geacht om het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging dat verdachte in een roes in de zin van een dissociatieve toestand heeft gehandeld en dat opzet om die reden zou ontbreken en de rechtbank is van oordeel dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Voorbedachte raad

De rechtbank acht ‘moord’ bewezen.

Het gaat in dit geval om levensberoving die niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar van een (betrekkelijk) korte tijd tevoren genomen besluit. In de rechtspraak en de Memorie van Toelichting is het voor moord vereiste bestanddeel de voorbedachte raad ook wel nader feitelijk omschreven als “na rustig overleg en na kalm beraad”. Voor het bewijs van voorafgaand beraad is nodig dat er tijd is geweest voor beraad. Of de verdachte inderdaad heeft nagedacht over zijn besluit en de gevolgen daarvan, hoeft niet te blijken. Voldoende is dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

De rechtbank stelt voorop, dat niet is gebleken dat verdachte de tafelpoot naar de woning aan de (adres) te Steenwijk heeft meegenomen, met het vooropgezette plan om mevrouw(slachtoffer) van het leven te beroven.

Voorts gaat de rechtbank er op grond van de verklaringen van verdachte vanuit dat hij de eerste klappen met de tafelpoot heeft gegeven in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, welke gemoedsbeweging werd teweeggebracht door het feit dat verdachte zich gekrenkt heeft gevoeld door opmerkingen van het slachtoffer. De rechtbank acht deze verklaringen van verdachte niet onaannemelijk en een ander scenario is niet komen vast te staan.

Het slachtoffer is hierdoor op de grond terechtgekomen, waarna verdachte haar nog meerdere keren heeft geslagen.

Volgens de door verdachte tegenover de Belgische politie afgelegde verklaring, is hij daarna naar beneden gegaan en vervolgens terug naar boven, naar de zolder, om te controleren of het slachtoffer nog leefde. Daar heeft verdachte vervolgens het lichaam van het slachtoffer omgerold en het onderhemd in haar mond gepropt, hetgeen blijkens het sectierapport heeft bijgedragen aan haar dood.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, toen hij weer op zolder kwam en het zwaar gekwetste lichaam van het slachtoffer op de grond zag liggen, de gelegenheid heeft gehad zich te beraden en dat hij vervolgens weloverwogen handelingen heeft verricht, die erop gericht waren het leven van het slachtoffer te beëindigen.

Verdachte heeft aldus nadat hij het slachtoffer de eerste klap heeft gegeven en voordat hij de prop in haar mond deed de gelegenheid gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven, zodat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Hierdoor is sprake geweest van voorbedachten rade, gericht op de dood van het slachtoffer. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat het bewezenverklaarde dient te worden gekwalificeerd als moord.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Vast is komen te staan dat verdachte de pinpas van het slachtoffer uit haar handtas heeft genomen en naar haar woning is gereden. Aldaar heeft hij het notitieboekje met de pincode van het slachtoffer gepakt en heeft hij vervolgens bij de SNS-bank een geldbedrag van 900 euro van haar bankrekening opgenomen.

Verdachte heeft dit feit erkend en door de verdediging is met betrekking tot dit feit geen vrijspraak bepleit.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1. hij op 06 november 2009 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk en met voorbedachte rade (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen en aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (slachtoffer) (geboren geboortejaar))

- meermalen met een tafelpoot (met daaraan bouten) op het achterhoofd en in het gezicht en tegen de rug en de linker zij geslagen, en

- daarna haar hemd in de mond geduwd, ten gevolge waarvan (slachtoffer) is overleden;

2. hij op 06 november 2009 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrag van EURO 900,00,

toebehorende aan (slachtoffer), althans aan de erven van (slachtoffer), waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Van het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Moord,

strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord. Voorts heeft de raadsman bepleit om ingeval van veroordeling van de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf of maatregel die aan de verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op:

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoeksrapport d.d. 17 februari 2010 uitgebracht door dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch onderzoeksrapport d.d. 19 februari 2010 uitgebracht door dr. T.D.W.P. van Os, psychiater/psychoanaliticus.

Genoemde onderzoeksrapporten houden als conclusies - kort gezegd - onder meer in

dat:

- bij verdachte geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychiatrische stoornis in

engere zin of voor een persoonlijkheidsstoornis;

- bij verdachte wel sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van persoonlijkheidsproblematiek met narcistische en afhankelijke trekken, waarin vermijding en krenkbaarheid naar voren komen;

- de ernst van verdachtes persoonlijkheidsproblematiek niet zodanig ernstig is dat hij niet in staat moet worden geacht om het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien;

- verdachte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde als (licht verminderd) toerekeningsvatbaar kan worden aangemerkt;

- er geen aanwijzingen zijn voor een kans op herhaling, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en omdat geen sprake is van ernstige persoonlijkheidspathologie of van een psychiatrische stoornis, hetgeen wordt ondersteund door de uitgevoerde risicotaxatie.

De gedragsdeskundigen hebben ter terechtzitting van 17 mei 2010 respectievelijk 4 juni 2010

hun conclusies nader toegelicht. De gedragsdeskundige Van Os is eveneens door de

rechter-commissaris gehoord.

De rechtbank neemt de in voornoemde onderzoeksrapporten vervatte conclusies betreffende

de (licht verminderde) toerekeningsvatbaarheid van de verdachte op daarvoor in voornoemde

onderzoeksrapporten bijeengebrachte gronden over en maakt het oordeel van de

gedragsdeskundigen tot het hare.

De rechtbank stelt vast dat er bij verdachte kan worden gesproken van een grote mate van

verwijtbaarheid van de door hem gepleegde feiten, hetgeen er ook toe heeft geleid verdachte

strafbaar te achten.

De verdachte heeft het slachtoffer meermalen met kracht met een tafelpoot geslagen tegen het lichaam en het hoofd en heeft haar vervolgens verstikt door het drukken van een prop van haar eigen onderhemd in haar mond als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Nederlandse strafrecht kent, te weten moord.

Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Niet alleen het slachtoffer is het leven ontnomen maar daarbij is aan haar nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht.

Het ernstige gevolg van het bewezenverklaarde en de gruwelijke wijze waarop het bewezenverklaarde handelen is uitgevoerd, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst, onrust en onveiligheid teweeg.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur moet worden opgelegd, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank betrekt in haar overwegingen de strafmaat die in gevallen van moord pleegt te worden gehanteerd, blijkens de databank Consistente Straftoemeting van De Rechtspraak. De daarin vermelde straffen variëren van 5 tot 20 jaar, met een globaal gemiddelde van 10 jaar gevangenisstraf.

De rechtbank overweegt daarbij in het voordeel van verdachte, dat de rechtbank weliswaar van oordeel is dat sprake is geweest van voorbedachten rade en dus van moord, maar dat er geen sprake is geweest van een langdurig gesmeed plan.

Echter, de lichtvaardigheid waarmee en de manier waarop verdachte het slachtoffer met de tafelpoot heeft geslagen en vervolgens nog met een prop in haar mond de dood heeft doen intreden roept weerzin bij de rechtbank op. Daarbij moet bedacht worden dat het slachtoffer jegens met name haar kleindochter, maar ook ten behoeve van verdachte, uiterst hulpvaardig is geweest door haar kleindochter en verdachte bij zich in haar kleine woning te nemen en uitgebreide hulp te bieden bij het klussen in hun nieuwe huis. De rechtbank wil wel aannemen dat het slachtoffer een krenkende opmerking in de richting van verdachte heeft gemaakt. Een dergelijke krenking rechtvaardigt echter in het geheel geen agressieve reactie en het eenvoudigweg doodslaan van het slachtoffer staat daarbij helemaal in geen enkele verhouding. Hoewel het slachtoffer dank verdiende, werd de dood haar deel. Uit een oogpunt van vergelding rekent de rechtbank dit verdachte buitengewoon zwaar aan.

Daarnaast heeft de rechtbank zorgen over het risico van recidive in de toekomst. Verdachte raakt gemakkelijk gekrenkt en kan, zo blijkt in deze strafzaak, gevaarlijk heftig reageren. Hoewel de gedragsdeskundigen het recidiverisico laag inschatten, ziet de rechtbank uit een oogpunt van met name speciale preventie reden om aan verdachte door middel van een forse gevangenisstraf te laten ondervinden dat zijn gewelddadige reactie niet wordt getolereerd.

Een en ander maakt dat de rechtbank tot een hogere straf komt dan de hiervoor genoemde gemiddeld opgelegde gevangenisstraf van 10 jaar.

De raadsman heeft als strafverlichtend aangevoerd dat verdachte zich coöperatief zou hebben opgesteld. De rechtbank ziet dat echter anders. Met de gedragsdeskundigen gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte niet het achterste van zijn tong heeft laten zien over hetgeen is voorgevallen, nu hij zonder aanwijsbare oorzaak bepaalde delen van zijn herinnering zegt kwijt te zijn. Verdachte heeft daardoor niet ten volle verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen.

Dat verdachte een blanco strafblad heeft, speelt voor de rechtbank geen rol. Het zou veeleer strafverhogend hebben meegewogen als verdachte reeds eerder voor geweldsdelicten zou zijn veroordeeld.

Dat verdachte na de moord misbruik heeft gemaakt van de pinpas van het slachtoffer en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan diefstal van haar geld, beschouwt de rechtbank als illustratief voor zijn houding ten opzichte van het gebeurde en roept om die reden ook morele verontwaardiging op.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. M. van Loenen en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

17 juni 2010.