Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7602

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
Awb 09/1529
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Causaal verband tussen dienstongeval en daarna ontstane klachten en beperkingen. Beroep in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/1529

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven,

en

de Minister van Justitie,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2008 heeft verweerder een incident dat zich tijdens een weerbaarheidstraining in het Forensisch Psychiatrisch Centrum (hierna: FPC) Veldzicht te Balkbrug heeft voorgedaan aangemerkt als een dienstongeval. Tevens heeft verweerder, bij ditzelfde besluit, eisers verzoek om volledige schadevergoeding afgewezen. Bij brief van 7 november 2008 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 december 2008 heeft verweerder aan eiser, die met ingang van 1 februari 2007 was aangesteld in tijdelijke dienst tot uiterlijk 1 februari 2009 in de functie van sociotherapeutisch medewerker bij het FPC Veldzicht te Balkbrug, met onmiddellijke ingang tussentijds ontslag verleend, met doorbetaling van bezoldiging over drie maanden. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 december 2008 bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van de bezwaren van eiser tegen de beide hiervoor genoemde besluiten heeft de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden van het ministerie van justitie (de commissie) op 19 juni 2009 advies uitgebracht.

Verweerder heeft onder verwijzing naar de overwegingen van de commissie bij besluit van 10 juli 2009, verzonden op 27 juli 2009, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld.

Het beroep is op 14 april 2010 behandeld ter zitting. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. de Wit en (naam..), adviseur P&O bij verweerders ministerie.

2. Overwegingen

De feiten.

Eiser is met ingang van 1 februari 2007 in tijdelijke dienst aangesteld in de functie van sociotherapeutisch medewerker bij het FPC Veldzicht te Balkbrug. Kort nadat hij in dienst was getreden volgde eiser, op 9 februari 2007, een weerbaarheidstraining. Tijdens het theoretische gedeelte van deze training, waarbij gesproken werd over situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen met patiënten, vond een incident plaats. Een collega van eiser, die een voorbeeld wilde uitbeelden, gaf eiser volkomen onverwacht een harde duw in zijn rug, waardoor hij met stoel en al omviel. Eiser moest vervolgens overeind geholpen worden. Vast staat dat de duw geen deel uitmaakte van het programma van de training en dat deze voor iedereen volkomen onverwachts kwam.

Korte tijd nadat dit incident had plaatsgevonden kreeg eiser last van diverse gezondheidsklachten, zoals duizeligheid, geheugenproblemen en verlies van herinneringen. Met ingang van 7 mei 2007 is eiser ziek gemeld. Uit een rapportage van de psycholoog W.J. Achterveld, van 4 november 2008 blijkt verder dat deze klachten zich eind 2008 nog steeds voordeden, dat eiser vertraagd leek te reageren en dat nog geen sprake leek te zijn van een eindtoestand.

Namens eiser is bij brief van 20 september 2007 verzocht het ongeval van eiser aan te merken als een dienstongeval in de zin van artikel 35 onder e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) dan wel als een beroepsincident in de zin van artikel 35 onder f ARAR en eiser op grond van artikel 69 ARAR schadeloos te stellen.

Daarna zijn de hiervoor in rubriek 1 genoemde besluiten genomen.

Overwegingen.

Het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank stelt voorop dat ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels op verzoek van eiser toepassing heeft gegeven aan artikel 38a van het ARAR en dat eiser dientengevolge recht heeft op doorbetaling van de volledige bezoldiging gedurende 104 weken wegens de door het beroepsongeval veroorzaakte arbeidsongeschiktheid.

Rest de vraag of verweerder terecht heeft besloten eisers verzoek om vergoeding van verdere schade op grond van artikel 69 ARAR af te wijzen.

In haar advies heeft de commissie vastgesteld dat verweerder zich bij deze afwijzing baseert op onvoldoende medisch bewijs door behandelend (huis)artsen, terwijl het neuropsychologisch rapport dat ruim een jaar na het incident is opgemaakt, niet afkomstig is van een arts.

De commissie heeft enige uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van artikel 69 ARAR genoemd en geconcludeerd dat, nu een beroep op de zorgplicht van de werkgever niet aan de orde is en evenmin een beroep is gedaan op een onrechtmatige daad van eisers collega, alleen de vraag aan de orde is of restschade vergoed zou moeten worden op grond van billijkheid als bedoeld in dit artikel, waarbij het gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Vervolgens heeft de commissie het argument dat verweerder in het primaire besluit heeft gehanteerd om eisers verzoek om schadevergoeding af te wijzen weergegeven. Van een daarop volgend eigen oordeel van de commissie over dat standpunt van verweerder, laat staan van een afweging van de standpunten van verweerder en eiser is evenwel geen sprake.

Aldus is niet voldaan aan de eis van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit dient plaats te vinden. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat een dergelijke heroverweging wél heeft plaats gevonden blijkt daarvan én van de argumenten die daarbij een rol hebben gespeeld niets. In zoverre is evenmin voldaan aan de eisen van artikel 7: 12, eerste lid, dat het besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Aangezien verweerder zich heeft geconformeerd aan het advies van de commissie kleven deze beide gebreken van formele aard ook aan het bestreden besluit, dat om deze reden geen stand kan houden.

In het verweerschrift heeft verweerder onder verwijzing naar het bijgevoegde advies van zijn medisch adviseur zijn standpunt herhaald dat op basis van de aanwezige medische gegevens in het geheel niet vaststaat dat er causaal verband bestaat tussen het incident en de beperkingen van eiser. Niet alleen is er geen enkele medische informatie van een behandelend arts, ook blijkt niet dat de beperkingen zijn opgetreden na c.q. als gevolg van het incident. Het neuropsychologisch onderzoek dat door psycholoog Witman is ingesteld dateert van één jaar na het incident en ook uit het door eiser overgelegde rapport van klinisch psycholoog Wierenga blijkt niet van een causaal verband. Bovendien zijn dit onderzoeken door een niet-arts; naar het oordeel van verweerder zal het causale verband door een neuroloog moeten worden vastgesteld.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek door de neuropsycholoog van 9 april 2008 is ingesteld op verzoek van de medische dienst van verweerder zelf, om duidelijkheid te krijgen over de mate en de duur van eisers arbeidsongeschiktheid voor zijn functie. De neuropsycholoog Witman heeft zijn conclusies aan de bedrijfsarts toegezonden. Deze luiden:

- er zijn aanwijzingen van cognitieve schade als gevolg van beschadiging of laesie op neurologisch gebied (amnestisch syndroom);

- geen overtuigende aanwijzingen voor onderliggend degeneratief proces;

- beeld doet denken aan whiplash;

- 100% arbeidsongeschikt.

Het advies van de neuropsycholoog is vervolgens ten grondslag gelegd aan het ontslag van eiser. Hiermee valt volstrekt niet te rijmen dat verweerder bij de beantwoording van de causalteitsvraag naar aanleiding van eisers schadeclaim aan ditzelfde advies geen waarde wil toekennen omdat het is opgesteld door een niet-arts.

Daar komt bij, dat bij klachten zoals deze door eiser worden ervaren en die neurologisch niet objectiveerbaar zijn, een neuropsychologisch onderzoek van (veel) betekenis is en zelfs het aangewezen (vervolg)onderzoek kan zijn. Het is dan ook niet voor niets dat de behandelend psychiater Soeters een herhaling van het neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk vond. Dat onderzoek heeft plaats gevonden in maart 2009 door een klinisch psycholoog, die de hiervoor geciteerde conclusies van de neuropsycholoog Witman in grote lijnen onderschrijft, doch die het primaat niet zozeer legt bij de geheugendisfunctie maar bij een aandachtsfunctiestoornis, met geheugenzwakte als afgeleide daarvan.

Behalve de beide neuropsychologische rapporten heeft eiser nog een rapport van de behandelend psychiater Soeters overgelegd, een rapport dat in het kader van eisers reïntegratie op verzoek van de bedrijfsarts Gangaram Panday is uitgebracht door drs. Koot, een testrapport integraal psychologisch onderzoek DJI van 20 juni 2006, dat weliswaar voor een ander doel is opgesteld, maar waaruit blijkt dat tijdens dit onderzoek géén lichamelijke of psychische belemmeringen voor de vervulling van eisers functie bestonden, en een brief van zijn huisarts d.d. 14 maart 2007 aan neuroloog Hollinger, kennelijk bedoeld als verwijsbrief naar deze neuroloog.

De rechtbank is van oordeel dat eiser aldus voldoende gegevens heeft aangedragen voor zijn stelling dat er sprake is van een causaal verband tussen het dienstongeval en de daarna bij eiser ontstane klachten en beperkingen en dat op basis van deze gegevens de aanwezigheid van een causaal verband voorshands voldoende aannemelijk is.

Indien verweerder wenst te volharden in zijn standpunt dat hiervan geen sprake is dan ligt het op zijn weg dat standpunt te onderbouwen. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt kan het (enige) argument dat verweerder daartoe tot dusverre heeft aangevoerd geen stand houden.

Dit betekent dat het bestreden besluit (zoals aangevuld bij het verweerschrift) ook inhoudelijk gezien op een ondeugdelijke motivering berust en dat het ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Het vorenstaande betekent echter niet, zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft bepleit, dat aan alle cumulatieve vereisten voor toekenning van een volledige schadevergoeding, met analoge toepassing van artikel 6:170 BW, is voldaan.

Eisers gemachtigde heeft daartoe betoogd dat inmiddels als gevolg van de toepassing door verweerder van artikel 38 van het ARAR het dienstongeval gelijk is gesteld met een beroepsincident, waaronder wordt verstaan een ongeval dat heeft plaats gevonden tijdens de uitoefening van eisers werkzaamheden, waarbij op voorhand al bekend is of was dat het risico voor een dergelijk ongeval aanwezig was. Verder heeft hij verwezen naar een arrest van de HR van 30 oktober 2009, gepubliceerd in TAR 2010,47.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels toepassing heeft gegeven aan artikel 38a ARAR, waarvan het tweede lid bepaalt dat de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident (onderstreping door de rechtbank) voor de toepassing van hoofdstuk VI van het ARAR wordt gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident. De definitie van een beroepsincident is daarmee dus in casu niet van toepassing.

Daar komt bij dat eiser zijn verzoek om schadevergoeding heeft gebaseerd op artikel 69 ARAR, welk artikel verweerder de discretionaire bevoegdheid geeft de ambtenaar schadeloos te stellen, kosten te vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verlenen.

Verweerder zal derhalve worden opgedragen om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, met gebruikmaking van deze bevoegdheid een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Eisers beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van eisers verzoek om schadevergoeding, is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het ontslagbesluit.

Ten aanzien van de ongegrondverklaring van het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit om eiser ontslag te verlenen, overweegt de rechtbank als volgt.

Aan eiser is tussentijds ontslag verleend met toepassing van artikel 95 van het ARAR.

Artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR bepaalt dat aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst ontslag kan worden verleend, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest.

Ingevolge het bepaalde in artikel 95, achtste lid, van het ARAR kan het ontslag, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eisers tijdelijke dienstverband tussentijds te beëindigen, wegens de omstandigheid dat eiser wegens langdurige ziekte niet in staat is om zijn functie te vervullen. Onder de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen ten aanzien van een ambtenaar behoort ook het met een normaal te noemen continuïteit in staat zijn om zijn functie te vervullen. Nu eiser hiertoe niet in staat was, mocht verweerder op deze grond tussentijds ontslag verlenen. De wettelijke bepalingen met betrekking tot re-integratie van arbeidsongeschikte ambtenaren staan niet in de weg aan ontslag op grond van artikel 95 van het ARAR, reeds omdat de tijdelijke aanstelling van eiser van rechtswege zou zijn beëindigd op 1 februari 2009 en niet aannemelijk was dat re-integratie vóór deze datum tot de mogelijkheden behoorde.

Aangezien verweerder besloten heeft om eisers bezoldiging over drie maanden door te betalen, mocht verweerder besluiten dat het ontslag in zou gaan voor de afloop van de opzeggingstermijn.

Het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het besluit om eiser ontslag te verlenen, is dan ook ongegrond.

Proceskosten.

De rechtbank heeft aanleiding gevonden verweerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van eiser, tot op heden begroot op € 644 ( 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van eisers verzoek om schadevergoeding, gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

-gelast dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het ontslag, ongegrond;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem bestaalde griffierecht ad € 150 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Szauer-Bos, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en mr. E. Steendijk, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op

De voorzitter is buiten staat om de

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: