Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7434

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
07/440261-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag, noodweer, OVAR, motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.440261-09 (P)

Uitspraak: 11 mei 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010 te Zwolle.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E. Postma.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 oktober 2009 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet die (slachtoffer) meermalen, althans eenmaal, met een parasolstok, althans een hard voorwerp, met kracht tegen het hoofd en/of elders op het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 oktober 2009 in de gemeente Deventer aan zijn kind genaamd (slachtoffer), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (o.a. schedelbasisfractuur), heeft toegebracht, door deze meermalen, althans eenmaal, opzettelijk met een parasolstok, althans een hard voorwerp, met kracht tegen het hoofd en/of elders op het lichaam te slaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 oktober 2009 in de gemeente Deventer opzettelijk mishandelend zijn kind (te weten (slachtoffer)), meermalen, althans eenmaal, met een parasolstok, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of elders op het lichaam heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (o.a. schedelbasisfractuur), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Vaststaande feiten

Op vrijdag 9 oktober 2009 omstreeks 21.35 uur krijgt de politie de melding dat er een ruzie is geweest in de woning aan (adres) te Deventer. Ter plaatse gekomen betreden zij de woning via de openstaande voordeur. Bij het betreden van de woning komen zij in een hal van geschat 2 m x 1,5 m. Hierna betreden zij de woonkamer en zien nabij de eettafel een jongen (slachtoffer) op de grond liggen. Hij heeft een hoofdwond en een deuk en bult op zijn voorhoofd en een dik blauw oog. (slachtoffer) wordt op dat moment verzorgd door de heer (naam buurman), de buurman van (adres). De moeder van (slachtoffer), (naam moeder), heeft direct na het incident de hulp van deze buurman ingeroepen.

Op een stoel aan de eettafel zit verdachte, de vader van (slachtoffer). De verbalisanten vragen ter plaatse aan verdachte wat er gebeurd is. Hij verklaart zakelijk weergegeven dat hij zijn zoon met een parasolpoot een klap heeft gegeven. In de gang treft de politie een parasolstok aan van circa 1,20 m lengte en 7 cm dikte.

Uit medische informatie van de neuroloog d.d. 14 januari 2010 naar aanleiding van onderzoek aan (slachtoffer) op 9 oktober 2009 blijkt, dat (slachtoffer) een schedelfractuur heeft waaraan hij later is geopereerd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht op grond van de verklaring van verdachte, de aangifte en de medische verklaring wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag op verdachtes zoon. Voorwaardelijk opzet is aanwezig, omdat het slaan met een parasolstok op het hoofd de aanmerkelijke kans op het overlijden van die persoon in het leven roept. De officier van justitie is van oordeel dat een noodweer verweer dient te slagen en dat verdachte op die grond dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zakelijk weergegeven betoogd dat er te weinig bewijs is om ten aanzien van de door verdachte uitgedeelde klap vast te stellen dat een aanmerkelijke kans op de dood danwel op zwaar lichamelijk letsel in het leven is geroepen. Daarom kan naar haar mening alleen de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen verklaard worden. De raadsvrouw van verdachte heeft daarbij een beroep gedaan op noodweer en heeft betoogd dat verdachte op die grond dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities, aangevoerd - zakelijk weergegeven – dat verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van (slachtoffer) en dat verdachte daarbij binnen de grenzen is gebleven van de noodzakelijke verdediging die door de genoemde aanranding geboden werd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende:

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de Rechtbank de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op 9 oktober 2009 is in de woning van verdachte te Deventer een flinke woordelijke ruzie ontstaan tussen verdachte en zijn echtgenote enerzijds en hun zoon (slachtoffer) anderzijds. Uit de verklaringen van verdachte en zijn echtgenote blijkt dat (slachtoffer) die dag boos was en dat hij hen bij de ruzie een mes heeft voorgehouden en hen hierbij woordelijk heeft bedreigd. Dat mes heeft (slachtoffer) in eerste instantie, op verzoek van verdachte en zijn vrouw, teruggelegd in de keuken. De dreigende sfeer en de angst bij verdachte waren daarmee nog niet verdwenen. Verdachte is vervolgens naar de gang gelopen om naar boven te gaan om escalatie te voorkomen. (slachtoffer) is achter verdachte aan gelopen. In de gang duwde (slachtoffer) verdachte met kracht naar achteren. Verdachte viel eerst tegen de jassen die aan de kapstok hingen, en vervolgens op de dozen daaronder. (slachtoffer) liep terug naar de keuken en kwam direct weer terug naar de gang en riep al schreeuwend: nu steek ik je overhoop. (slachtoffer) kwam toen aanrennen met in de hand hetzelfde mes dat hij eerder had weggelegd. Verdachte, die nog niet helemaal ter been was, pakte hierop een parasolstok die in zijn directe nabijheid in de gang bij de kapstok lag en heeft (slachtoffer) hiermee in een van onder naar boven gaande beweging met kracht geslagen. De parasolstok heeft (slachtoffer) op het hoofd geraakt. (slachtoffer) is achteruit gevallen op de grond in de woonkamer.

Hoewel (slachtoffer) ontkent een mes te hebben gepakt en daarmee te hebben gedreigd, acht de rechtbank het scenario dat (slachtoffer) wel degelijk een mes heeft gehanteerd betrouwbaar op grond van het gegeven dat wat beide ouders zeer kort na de gebeurtenis, onafhankelijk van elkaar, naar derden hebben verklaard in essentie overeenkomt. Daarbij benoemen beiden voorafgaande bedreiging(en) met een mes door (slachtoffer).

Verdachte vertelt de verbalisanten direct na hun binnenkomst in zijn woning dat zijn zoon hem met een mes had bedreigd, in reactie waarop verdachte hem met de parasolpoot een klap had gegeven.

Getuige (naam), de moeder van (slachtoffer), is direct na de klap naar de woning (adres) te Deventer gegaan om de hulp van de buurman, (naam ), in te roepen. ( buurman) verklaart bij de politie dat hij alstoen van getuige (moeder) vernam dat (slachtoffer) tweemaal geprobeerd had zijn vader met een mes neer te steken en dat verdachte zijn zoon had neergeslagen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg –in dit geval de doodslag- is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Verdachte moet die aanmerkelijke kans ook hebben aanvaard.

Bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijk kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het in casu in een hal van circa 2m bij 1,5m, zijnde een kleine ruimte, met kracht slaan met een massief houten stok van 1,20 m lengte en 7 cm dikte op het hoofd van (slachtoffer), willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat (slachtoffer) hieraan zou komen te overlijden. Dit levert voorwaardelijk opzet op de dood op.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen het feit zoals de verdachte onder 1 primair ten laste wordt gelegd , met dien verstande dat

hij op 09 oktober 2009 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet die (slachtoffer) eenmaal met een parasolstok met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Strafbaarheid bestaat echter pas wanneer een menselijke gedraging die binnen een delictsomschrijving valt, ook wederrechtelijk is en aan schuld is te wijten.

De rechtbank concludeert met de officier van justitie en de raadsvrouw dat in casu de wederrechtelijkheid ontbreekt en de in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht beschreven rechtvaardigingsgrond noodweer aan de orde is.

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van hem kon onder de gegeven omstandigheden, gelet op zijn positie en de korte tijdspanne waarin hij een beslissing moest nemen, niet worden gevergd anders te handelen om aan verdere aanranding te ontkomen dan hij deed.

Het met grote vaart op verdachte af komen lopen van (slachtoffer) met in zijn hand een mes van circa 20 cm lang onder het uitroepen van bedreigingen, terwijl verdachte zich in een hoek van de gang, in nog half liggende positie bevond, beoordeelt de rechtbank als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Immers, genoemde situatie hield een onmiddellijk dreigend gevaar in voor het steken door (slachtoffer) met het mes in het lichaam van verdachte, wat levensbedreigend zou zijn. De verklaring van getuige (moeder) ter terechtzitting van 27 april 2010 bevestigt dat er een voor verdachte zeer dreigende situatie was ontstaan waarin hij er vanuit mocht gaan dat er door (slachtoffer) geweld jegens hem zou worden gebruikt, als hij zelf niet ingreep.

Gelet op de positie waarin verdachte zich bevond en de snelheid waarmee (slachtoffer) handelde, kon verdachte zich niet door weg te lopen aan de door hem als bedreigend ervaren situatie onttrekken. Gelegenheid tot weglopen bestond niet. Het slaan met een stok is niet in wanverhouding met de reële dreiging van het door (slachtoffer) doodgestoken worden.

De rechtbank acht het feit op grond van het vorenstaande niet strafbaar, nu het beroep op noodweer slaagt. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij A. (slachtoffer) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van de immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot een niet-ontvankelijk verklaring ten aanzien van de vordering van (slachtoffer), omdat deze niet van eenvoudige aard is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft met betrekking tot de vordering van (slachtoffer) aangevoerd dat (slachtoffer) in deze vordering niet-ontvankelijk is omdat de vordering niet van eenvoudige aard is, mede in verband met het eigen aandeel van (slachtoffer) bij het feit en het tegen de medische adviezen in handelen door (slachtoffer).

Het oordeel van de rechtbank

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd ten aanzien van hetgeen hem is tenlastegelegd en welke beschuldiging de grondslag is van de vordering van benadeelde partij, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BESLAG

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven parasolstok dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat voorwerp dat aan verdachte toebehoorde, is begaan.

BESLISSING

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Beslag

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen parasolstok.

Benadeelde partij

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer) in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2010.

Mrs Milani en Ten Boer, voornoemd, zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.