Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7367

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
166698 / FA RK 10-83
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietigverklaring van huwelijk wegens bigamie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer: 166698 / FA RK 10-83

datum : 2 juni 2010

beschikking van de enkelvoudige familiekamer

inzake

[de man],

wonende te [plaats],

advocaat mr. J.A. van Ham te Veenendaal,

hierna als de man aangeduid,

verzoeker,

en

[de vrouw],

wonende te [plaats],

advocaat mr. A.E. Grosscurt te Kampen,

hierna als de man aangeduid,

belanghebbende.

Het procesverloop

De man heeft op 12 januari 2010 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, dat rechtsgeldig is betekend.

De vrouw heeft op 30 maart 2010 een verweerschrift ingediend dat tevens een zelfstandig verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk inhoudt.

Naar aanleiding van dit zelfstandige verzoek heeft de man op 7 april 2010 daartegen een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- een brief d.d. 14 april 2010 van de man;

- een brief d.d. 19 april 2010 van de vrouw.

De man en de vrouw hebben afgezien van een behandeling ter zitting.

Vaststaande feiten

De man en de vrouw zijn op [datum] 2007 in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd.

De man en de vrouw bezitten de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling van de zaak

De man heeft echtscheiding verzocht op grond van de stelling dat het huwelijk duurzaam

is ontwricht. Hij heeft tevens verzocht tot scheiding en deling van de huwelijksgoederen-gemeenschap.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

Zij heeft primair verzocht het huwelijk van de man en de vrouw nietig te verklaren.

Subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan de verzoeken van de man en verzocht het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar primaire verzoek het volgende aangevoerd.

Het is de vrouw gebleken dat de man ten tijde van de huwelijkssluiting met haar al gehuwd was met mevrouw [A], geboren op [datum] 1973, inwoner van de [land]. Dit huwelijk zou omstreeks het jaar 2002 in de [land] gesloten zijn. Dit betekent dat de man niet in het huwelijk had mogen treden met de vrouw op grond van artikel 1:33 BW.

De man heeft hierop aangevoerd dat de vrouw ten onrechte stelt dat haar inmiddels is gebleken dat de man ten tijde van de huwelijkssluiting gehuwd was met mevrouw [A]. De man heeft de vrouw vóór hun huwelijk daarover geïnformeerd. Deze informatie was voor haar geen belemmering om met de man in het huwelijk te treden. De man ging er ten tijde van de huwelijkssluiting met de vrouw van uit dat hij naar Nederlands recht niet gehuwd was met mevrouw [A]. De huwelijksakte is namelijk niet in Nederland ingeschreven

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de nietig verklaring van het huwelijk.

De man kan instemmen met toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw.

De vrouw heeft hierop nog aangevoerd dat zij ten tijde van de huwelijkssluiting dacht dat de man gescheiden was. Het is echter niet van belang of de vrouw wel of niet op de hoogte was van het huwelijk van de man. Tevens is niet van belang dat de huwelijksakte niet in Nederland is ingeschreven. Nu de man ten tijde van zijn huwelijk met een andere vrouw getrouwd was, is het huwelijk tussen de man en de vrouw niet rechtsgeldig tot stand gekomen en nietig. De vrouw handhaaft haar primaire verzoek.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens de door de man overgelegde huwelijksakte is de man op [datum] 2002 in de [land] gehuwd met mevrouw [A].

Niet is gebleken van een ontbinding van dat huwelijk door echtscheiding of anderszins.

De man was derhalve ten tijde van de huwelijkssluiting met de vrouw op [datum] 2007 reeds door het huwelijk gebonden. Om die reden kan worden gesteld dat de man bij het aangaan van het huwelijk met de vrouw niet de vereisten in zich verenigde om tezamen met de vrouw een huwelijk aan te gaan.

Artikel 1:69 BW bepaalt dat op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigen om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk kan worden verzocht.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:33 BW, inhoudende dat een persoon tegelijkertijd slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden kan zijn, is de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de man ten tijde van het aangaan van het huwelijk met de vrouw niet de in artikel 1:69 BW genoemde vereisten in zich verenigde om een huwelijk aan te gaan.

De rechtbank zal op grond van het bovenstaande het primaire verzoek van de vrouw toewijzen, temeer ook nu de man zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank hieromtrent.

Het verzoek van de man tot echtscheiding en scheiding en deling van de huwelijksgoederen-gemeenschap, alsmede het verzoek van de vrouw om het huurrecht zal de rechtbank verder onbesproken laten.

Proceskosten

Gelet op de status van de man en de vrouw ten opzichte van elkaar zal de rechtbank de kosten van de procedure in die zin compenseren, dat beiden hun eigen kosten zullen dragen.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het huwelijk van de man en vrouw gesloten op [datum] 2007 in de gemeente [plaats] nietig.

Wijst het meer of anders gevraagde af.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat de man en de vrouw hun eigen kosten dragen.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, rechter, in tegenwoordigheid van J. Pol, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht