Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7204

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
07/650017-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- poging doodslag agent

- verminderde toerekeningsvatbaarheid

- bewijsmotivering

- strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.650017-10

Uitspraak: 11 mei 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres),

thans verblijvende in de (verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010 en 29 april 2010. De verdachte is op de terechtzitting van 29 april 2010 verschenen, bijgestaan door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Kampen.

De officier van justitie, mr. G.C. Pol, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- verdachte te veroordelen ter zake het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde tot:

• een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voor¬waarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling in de forensische polikliniek van JusTact van Tactus Verslavingszorg te Zwolle of een andere, soortgelijke instelling;

• een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 3 jaren;

- de inbeslaggenomen personenauto verbeurd te verklaren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer), hoofdagent Politie regio IJsselland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, van het leven te beroven, met dat opzet met het door hem bestuurde motorvoertuig, auto, met hoge snelheid, althans met een snelheid die aanmerkelijk te hoog was voor veilig verkeer ter

plaatse, op die (slachtoffer) is in- en/of toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (slachtoffer), hoofdagent Politie regio IJsselland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig, auto, met hoge snelheid, althans met een snelheid die aanmerkelijk te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, op die (slachtoffer) is

in- en/of toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 januari 2010 in de gemeente Zwolle (slachtoffer), hoofdagent Politie regio IJsselland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig, auto, met hoge snelheid, althans met een snelheid die aanmerkelijk te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, op die (slachtoffer) in- en/of toegereden;

2.

hij op of omstreeks 20 december 2009 te Hasselt in de gemeente Zwartewaterland, opzettelijk en wederrechtelijk een pinautomaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Rabobank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 07 januari 2010 in de gemeente Zwolle als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder

b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1 primair.

hij op 07 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer), hoofdagent Politie regio IJsselland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, van het leven te beroven, met dat opzet met het door hem bestuurde motorvoertuig, auto, met hoge snelheid,

op die (slachtoffer) is in- en/of toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 20 december 2009 te Hasselt in de gemeente Zwartewaterland, opzettelijk en wederrechtelijk een pinautomaat, toebehorende aan de Rabobank, heeft beschadigd;

3.

hij op 07 januari 2010 in de gemeente Zwolle als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder

b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

Ten aanzien van feit 1 primair overweegt de rechtbank als volgt.

De verdachte heeft bij de politie het volgende verklaard: “(..) Ik zag toen ik dichterbij kwam rijden dat het politie was. (..) Ik wist toen dat ik te maken had met een politiecontrole. Ik wist dat ik moest stoppen want er werd een teken gegeven door een politieagent met een lichtgevende lamp. (..) Ik had met mezelf afgesproken dat ik nooit zou stoppen voor de politie. Ik had nog een voorwaardelijke straf open staan (..) en nog diverse boetes. (..) Ik ben vervolgens langs de politieagenten heen gereden en ik ben de rotonde opgereden. (..) Ik zag toen nog meer politie staan. (..) Ik zag dat een politieman over de middengeleider stapte en op mijn rijstrook stapte. Ik zag dat hij mij een stopteken gaf (..). Ik was aan het twijfelen of ik zou stoppen of dat ik zou door rijden. (..) Ik had een hele tijd geleden al met mezelf afgesproken dat ik nooit zou stoppen voor de politie. Ook nu ging ik dus niet stoppen. (..) Ik heb op het moment dat ik een stopteken kreeg van de politie mijn snelheid verhoogd. (..) Toen ik de politieagent voorbij reed hoorde ik dat hij met een voorwerp op de voorruit sloeg. Ik ben doorgereden en had inmiddels een snelheid van ongeveer 60 km/uur à 70 km/uur. (..) Als de politieagent was blijven staan dan had ik hem aangereden. De politieagent heeft geluk dat hij zelf aan de kant is gesprongen anders had ik hem aangereden. De ruimte tussen de politieagent en mijn personenauto was op dat moment bijna niks. Ik denk dat de politieagent met zijn lichaam langs mijn auto is geschuurd. Als zijn been voor mijn auto had gestaan had ik hem meegesleurd. Ik zou niet stoppen voor de politie dus ook nu niet. Als ik iets verpruts dan doe ik het goed. (…) Als hij was blijven staan en ik had de politieagent geraakt had ik hem zwaar lichamelijk letsel toegebracht of ik had hem doodgereden. (…)”

(naam vriend), een vriend van verdachte die bij verdachte in de auto zat, heeft bij de politie het volgende verklaard: “(…) Ik zei toen tegen (verdachte): “(verdachte), je moet stoppen, ik wil door jou geen gezeik hebben. Ik wil geen trammelant hebben door jou. Stoppen, stoppen nu”. Ik hoorde echter dat (verdachte) toen tegen mij zei: “Ik stop voor niemand en zelfs niet voor de politie”. Vervolgens reed (verdachte) door en reed hij rechtdoor op de rotonde. Ik zag bij het afrijden van de rotonde twee andere politieagenten staan. Ook deze politieagenten waren duidelijk zichtbaar als politieagent. Ik zag namelijk dat ze gele opvallende politiejassen droegen en een zaklantaarn bij zich hadden met een rode kegel er op. Ik zag dat een van de politieagenten van de rechterzijde de straat op liep. Hij liep vanuit mijn positie gezien van rechts de weghelft op waar wij langs moesten rijden. Ik zag dat deze agent gebaren maakte met zijn armen en met zijn zaklantaarn waar voor mij duidelijk uit bleek dat (verdachte) met zijn auto moest stoppen. Dit kon niet missen. Ook (verdachte) moet dat begrepen hebben. (verdachte) reed met onverminderde snelheid op deze politieagent af. Ik weet niet hoe hard hij reed. Ik schat de snelheid op dat moment ongeveer 40 à 50 km. Ik zag in ieder geval dat (verdachte) niet remde. (…) Ik weet niet of de agent opzij moest springen of dat hij opzij liep, wel weet ik dat wanneer hij niet opzij was gegaan (verdachte) hem met de auto waarschijnlijk aangereden had. Op het moment dat (verdachte) op deze politieagent ingereden was zei hij tegen mij: “Ik zei toch ik stop voor niemand”.(…)”

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de politieagent waarschijnlijk had geraakt als de politieagent niet aan de kant was gestapt, dat er geen uitwijkmogelijkheden waren, dat hij niet remde en dat het mogelijk is dat hij zijn snelheid iets verhoogd heeft op het moment dat hij op de politieagent af reed.

Gelet op bovenstaande verklaringen in onderlinge samenhang bezien met de aangifte van verbalisant (slachtoffer) en de processen-verbaal van bevindingen van de overige ter plaatse aanwezige verbalisanten, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van (slachtoffer), hoofdagent van politie regio IJsselland, door met een onder de gegeven omstandigheden (te) hoge snelheid met de door hem bestuurde auto op (slachtoffer) in- en/of toe te rijden. De rechtbank betrekt in haar oordeel, dat uit voormelde verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie, een zekere mate van bewustheid van handelen van verdachte volgt.

Van het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft – naast het beschadigen van een pinautomaat en het weigeren medewerking te verlenen aan een van hem gevorderde bloedproef - geprobeerd een politiecontrole te voorkomen. Hij heeft stoptekens van politieagenten genegeerd. Toen hij vervolgens zag dat er een politieman op zijn rijstrook stapte en ook deze verbalisant een stopteken gaf, heeft hij besloten niet te stoppen en met een hoge snelheid zijn weg te vervolgen. De politieagent heeft door op zij te springen kunnen voorkomen dat hij door de auto van verdachte werd geraakt. Dat het slachtoffer geen letsel heeft opgelopen is derhalve niet te danken aan het handelen van verdachte.

De rechtbank acht het gedrag van verdachte zeer laakbaar. Het getuigt van het ontbreken van respect voor eens anders lijf en leven. Verdachte heeft zich niets aangetrokken van de mogelijke gevolgen van zijn handelen. Voorts heeft de rechtbank meegewogen, dat het slachtoffer een politieagent betreft. Een politieagent is aangesteld om ten behoeve van de rechtsorde regels te controleren en te handhaven en hij/zij vertegenwoordigt als zodanig het gezag op straat. Dat verdachte de desbetreffende verkeerscontrole heeft willen omzeilen door daarbij deze gezagsdrager naar het leven te staan, weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

Bij de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen heeft de rechtbank het in hoge mate gevaarzettende verkeersgedrag, zoals dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, in aanmerking genomen.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp, te weten een personenauto, Hyundai Lantra 1996, kleur grijs, 1.6 Gl, kenteken (xxxxx), dient te worden verbeurdverklaard, omdat dit een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 januari 2010;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 12 april 2010, uitgebracht door Tactus verslavingszorg;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 25 maart 2010, uitgebracht door I. Hazemeijer, psychiater.

Uit de inhoud van voornoemd psychiatrisch rapport blijkt onder meer het navolgende:

Verdachte heeft ten tijde van het plegen van feit 1, waarbij zich een reeks van besluiten voordeed, weliswaar de ongeoorloofdheid kunnen inzien, maar hij is in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen. Verdachte was ten tijde van feit 1 lijdend aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens dat dit feit hem verminderd kan worden toegerekend.

Bij feit 2 heeft verdachte ten tijde van het plegen van dit feit weliswaar de ongeoorloofdheid kunnen inzien, maar hij was in iets mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat zijn wil in vrijheid, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen. Verdachte was ten tijde van feit 2 lijdend aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens dat dit feit hem enigszins verminderd kan worden toegerekend.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten op de daarvoor in voornoemde rapportage bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert op grond van voornoemde rapportage dat verdachte ten aanzien van feit 1 in verminderde mate en ten aanzien van feit 2 in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.

De rechtbank overweegt dat zij als bijzondere voorwaarde niet opneemt dat verdachte zich dient te laten behandelen in de forensische polikliniek JusTact van Tactus Verslavingszorg te Zwolle, nu verdachte hiervoor blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet (voldoende) gemotiveerd is. De rechtbank is echter van oordeel dat dit er niet toe dient te leiden dat de passende gevangenisstraf dan maar geheel en al ten uitvoer gelegd dient te worden. De rechtbank is van oordeel dat begeleiding door Tactus Verslavingszorg wel nodig is en kan dienen ter beperking van de kans op recidive.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 10 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Tactus Verslavingszorg, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van drie jaren.

De rechtbank verklaart verbeurd de inbeslaggenomen personenauto, te weten een Hyundai Lantra 1996, kleur grijs, 1.6 Gl, kenteken (xxxx).

Aldus gewezen door mr. J.N. Bartels, voorzitter, mrs. F. Koster en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2010.