Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7182

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
07/630276-08 hoofdzaak
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-hennepkwekerij, medeplegen, bewijs- en strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.630276-08 P

Uitspraak: 25 mei 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. R. den Haan, was ter terechtzitting aanwezig.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 mei 2008 in de gemeente Zwolle, op een bedrijfsterrein

gelegen aan de (straat) en/of (vervolgens) te Genemuiden, gemeente

Zwartewaterland, in een woning en/of op het perceel behorende bij voornoemde

woning, gelegen aan de(straat) ), tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4521

gram hennep en/of ongeveer 248 henneplanten, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 maart 2005

tot 16 mei 2008 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, op een bedrijfsterrein gelegen aan de (straat) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt een hoeveelheid hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of

delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van

een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet, terwijl hij daarvan een beroep en/of bedrijf

heeft gemaakt;

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 maart 2005

tot en met 16 mei 2008 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid

elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan Essent, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s).

DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht -overeenkomstig de inhoud van zijn op schrift gestelde requisitoir- het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft ter terechtzitting ter zake deze feiten de veroordeling van verdachte gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich -overeenkomstig de inhoud van de door haar aan de rechtbank overgelegde pleitnota- op het standpunt gesteld dat er onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig is om verdachte terzake het onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten te veroordelen, alsmede dat terzake het onder 2 ten laste gelegde slechts een veroordeling voor het aanwezig hebben van een gripzakje met een hoeveelheid hennepafval, aangetroffen op de zolder van de woning van verdachte, kan volgen. De raadsvrouw heeft ter zake hetgeen zij niet bewezen acht –kort samengevat en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat aan verdachtes ontkennende verklaring geloof dient te worden gehecht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het volgende.

De vaststaande feiten

Op respectievelijk 25 april 2008, 13 mei 2008 en 16 mei 2008 zijn er bij de Regiopolitie IJsselland Bel M Meldingen binnengekomen, welke telkens de strekking hadden dat er zich bij het “naam”, gevestigd aan de (adres) te Zwolle, een hennepkwekerij zou bevinden. De op voormeld adres gevestigde onderneming werd blijkens een uittreksel van de kamer van koophandel d.d. 29 april 2008 voor rekening van verdachte gedreven. Naar aanleiding van deze meldingen zijn er op 16 mei 2008 verbalisanten ter plaatse gegaan om een onderzoek in te stellen. Aldaar troffen zij verdachte aan met wiens toestemming zij het desbetreffende bedrijfspand en het omliggende terrein hebben onderzocht. Tijdens dit onderzoek zijn er op het afgesloten achterterrein van het bedrijf twee vaste hondenhokken in een tweetal schaftketen aangetroffen welke toegang gaven tot twee onderliggende kelders; in beide bevond zich een hennepkwekerij. Deze hennepkwekerijen waren beide ook als zodanig met de daarvoor benodigde apparatuur en andere goederen ingericht. Zowel de hennepkwekerij in - zoals in het proces-verbaal aangeduide - kelder I als die in kelder II was niet in werking. De in kelder I aangetroffen 248 planten waren verdroogd en de planten in kelder II, waarvan er gelet op het aantal kweekbedden ongeveer 220 in totaal moeten zijn geweest, waren reeds geknipt. Voorts is er in het hondenhok boven kelder II in een plastic zak, waarin zich een doos met irrigatieslangen en een ventilator bevond, een aan verdachte op zijn toenmalige woonadres (adres) gerichte pakbon aangetroffen aangaande de levering van 20 stuks ‘Woodpecker druppelaar, zwart 4 liter’. Door de verbalisanten is geconcludeerd dat aan de apparatuur in beide kelders duidelijk te zien was dat deze sinds langere tijd aanwezig was. Op het bedrijfsterrein is vervolgens door de verbalisanten een aanhangwagen met het kenteken (xxxxx) aangetroffen met daarin 72 zakken met 50 liter aarde per zak en 2 nieuwe grote ventilatoren. Tevens is er door een medewerker van Fraudebestrijding, werkzaam bij Essent Netwerk BV, geconstateerd dat de energiemeter van het perceel aan de (adres) was gemanipuleerd waardoor er illegaal stroom werd afgenomen.

Naar aanleiding van de aangetroffen hennepkwekerijen is er op 16 mei 2008 in het kantoor van het ‘naam’ aan de (adres) en in de woning van verdachte aan de (adres) te Genemuiden een doorzoeking verricht. Op beide locaties werden administratieve bescheiden en andere goederen, waaronder onder meer facturen, een orderbevestiging van de levering van 2 prefab kelders, handgeschreven notities en agenda’s van de jaren 2005 en 2006 in beslag genomen. Voorts werd in het tuinhuisje aan de (adres) te Genemuiden een blauwe vuilniszak met 3 doorzichtige zakken met gedroogde wiet, in totaal ongeveer 2988 gram, en een oranje tas met een doorzichtige tas met wiet, in totaal 1058 gram, aangetroffen. Op de zolder van de woning van verdachte op datzelfde adres werd een vuilniszak met hennep, knipafval en hennepkoppen van in totaal 475 gram gevonden.

Zowel van de in de hennepkwekerijen aangetroffen gedroogde hennepplanten als van de resten van de geknipte hennepplanten is een monster gemaakt en met behulp van een cannabistest werd vastgesteld dat het inderdaad hennep, een stof voorkomende op Lijst II van de Opiumwet, betrof. Ook de in beslag genomen wiet die op zolder en in het tuinhuisje werd aangetroffen, is getest. Hieruit bleek eveneens dat het hennep betrof.

De ten laste gelegde feiten

Verdachte wordt verweten –kort samengevat en zakelijk weergegeven- dat hij (onder feit 1) de hiervoor bedoelde hennep op zijn woonadres als wel op het adres van zijn bedrijf, samen met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, alsmede dat hij (onder feit 2) al dan niet met anderen de aangetroffen hennepkwekerijen over een periode van 14 maart 2005 tot de dag van de inval, te weten op 16 mei 2008, heeft gerund en dat hij (onder feit 3) over diezelfde periode ten behoeve van die hennepkwekerijen illegaal stroom heeft afgenomen.

Verdachte ontkent, met uitzondering van het voorhanden hebben van de op de zolder van zijn woning aangetroffen hennep, iedere betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten. Als verklaring voor de aanwezigheid van de hennepkwekerijen op zijn bedrijfsterrein en de in het tuinhuisje bij zijn woning aangetroffen hennep, geeft verdachte -kort gezegd- aan, dat niet hij maar (naam 2 ), een voormalig werknemer in het bedrijf van verdachte, zich zonder medeweten van verdachte hiermee bezig heeft gehouden c.q. daarvoor verantwoordelijk is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van de hierna besproken bewijsmiddelen -in samenhang gezien met de hiervoor bedoelde ‘vaststaande feiten’- en hetgeen zij daaromtrent heeft overwogen tot het oordeel gekomen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde feiten, op de hierna te noemen wijze, schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank zal het onder feit 2 ten laste gelegde feit om bewijstechnische redenen eerst bespreken.

Overwegingen ten aanzien van feit 2

Vast staat, dat de hennepkwekerijen op verdachtes terrein, in zijn kelders zijn aangetroffen. Die kelders zijn omstreeks januari 2005 geplaatst. Verdachte heeft als reden voor het destijds plaatsen van die kelders bij de politie opgegeven dat deze voor de -in het kader van een nog op te starten wasstraat- olie- en vetafscheiding bestemd waren. Deze wasstraat zou echter nooit van de grond zijn gekomen. Bij navraag door de politie bij de leverancier van de twee kelders, te weten de firma (naam 3) te Alkmaar, is gebleken dat de aangebrachte kelders niet als olie- en vet afscheiders geschikt zijn, maar dat het gewone standaard kelders zijn. Voorts is gebleken dat verdachte voor het plaatsen van de kelders nooit een daarvoor noodzakelijke vergunning heeft aangevraagd. Toen verdachte ter zitting met het voorgaande werd geconfronteerd, verklaarde hij dat de kelders in tegenstelling tot wat hij steeds bij de politie had verklaard bedoeld waren voor de waterzuivering en niet voor de olie- en vetafscheiding, nu een dergelijke afscheiding reeds aanwezig was naast het pand. Het feit dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring over het doel van de kelders is weerlegd en het feit dat verdachte voorts ook niet consistent is in zijn verklaring door deze ter zitting onder de hiervoor bedoelde omstandigheden te wijzigen, maken zijn verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. Daar komt bij dat verdachte ook niet duidelijk heeft kunnen maken waarom hij geen vergunning voor het plaatsen van de kelders heeft aangevraagd, terwijl ze volgens verdachte voor een legitiem doel, een wasstraat, bedoeld waren. Resumerend heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aldus geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat de kelders destijds, anders dan voor het onderbrengen van de aangetroffen hennepkwekerijen, zijn geplaatst.

De rechtbank acht het in dit kader opvallend dat verdachte naast het plaatsen van een omheining rond het gebied van de kelders, medio 2007 tevens een tweetal grijze containers op deze kelders heeft geplaatst, welke als hok voor zijn honden werden gebruikt. Deze honden van verdachte, die door getuige (naam 4) als waakhonden worden aangemerkt , waren dus dagelijks op het desbetreffende en afgebakende terrein aanwezig en wel bij de toegang van en boven de kelders waar de hennepkwekerijen zich bevonden. Hierdoor is bij de rechtbank de indruk ontstaan dat verdachte bewust zijn honden in de buurt van de hennepkwekerijen heeft laten vertoeven zodat onbevoegden van deze kwekerijen weg zouden blijven en de kans op ontdekking daarvan zo goed als werd uitgesloten.

Wat betreft de potgrond en de ventilatoren die zijn aangetroffen in de zich op het terrein bevindende aanhangwagen is de rechtbank van oordeel dat, wie de eigenaar van de desbetreffende aanhangwagen ook is, aannemelijk is dat vorenbedoelde goederen ten behoeve van de hennepkwekerij werden of zouden worden gebruikt.

De rechtbank overweegt daartoe dat het waarschijnlijk is dat de hoeveelheid potgrond dat zich in de aanhangwagen bevond, te weten 3600 liter, overeenkomt met de hoeveelheid potgrond die nodig is voor het telen van het aantal planten dat in de desbetreffende hennepkwekerijen kon worden geteeld. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende verklaring kunnen geven voor het feit dat deze goederen zich op zijn terrein, anders dan voor de hennepteelt, bevonden.

Daarnaast zijn er, zowel bij het bedrijf van verdachte als in diens woning administratieve bescheiden gevonden, waarvan de rechtbank het zeer aannemelijk acht dat deze op de hennepkwekerijen in kwestie betrekking hebben. Verdachte heeft in het algemeen terzake deze bescheiden aangevoerd dat deze hem niet bekend waren en dat deze mogelijk door toedoen van een ander op de aangetroffen plaatsen zijn neergelegd omdat een ieder toegang zou hebben gehad tot zijn kantoor. De rechtbank is echter van oordeel dat deze verklaring van verdachte in ieder geval ten aanzien van een aantal van de aangetroffen bescheiden niet afdoende is. Dit betreft onder meer de briefjes respectievelijk weergegeven op pagina 95, 126 en 127 van het strafdossier, waarvan het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de inhoud daarvan waarschijnlijk is, hetgeen verdachte ter zitting ook heeft beaamd, dat deze betrekking hebben op (het runnen van) een hennepkwekerij. In deze briefjes worden namelijk onder meer in combinatie met de in het kader van de hennepteelt veel gebezigde termen, te weten -onder andere- de woorden ‘stekken’ en/of ‘knipgeld’ en/of ‘buitenwiet’, een en ander ook in combinatie met een voornaam gelijk aan die van verdachte (verdachte) meerdere bedragen genoemd. Nu deze briefjes in de woning van verdachte, in een kluis onder diens bed dan wel in zijn kantoor, zijn aangetroffen , acht de rechtbank het niet aannemelijk, los van de vraag door wie deze briefjes zijn opgesteld, dat deze buiten medeweten van verdachte aldaar zijn neergelegd, laat staan dat hij van de aanwezigheid daarvan niet op de hoogte was. Daar komt bij dat (naam 5), ex-partner van verdachte, bij de rechter-commissaris ten aanzien van een aantal van die briefjes heeft verklaard dat (naam 2) haar regelmatig vroeg iets op zulke briefjes te schrijven waarop ze deze dan vervolgens aan verdachte gaf. Achteraf gezien, zo heeft ze verklaard, heeft ze wel ingezien dat een aantal van die papieren wellicht betrekking had op hennepkwekerijen. Zo heeft zij ter zake het briefje weergegeven op pagina 95 verklaard dat (naam 2) deze aan haar had gegeven, dat zij deze vervolgens aan (verdachte) heeft overhandigd en dat zij vervolgens aan zowel (verdachte) als (naam 2) heeft gevraagd wat er met het op het briefje genoteerde woord ‘knipgeld’ werd bedoeld, waarop zij van beide mannen geen antwoord heeft gekregen.

De rechtbank neemt gelet op het voorgaande aan dat verdachte via deze briefjes met een ander of anderen over het reilen en zeilen van de hennepkwekerijen communiceerde en dat daarop mede relevante zaken aangaande de hennepteelt werden bijgehouden.

De rechtbank hecht daarbij voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen waarde aan de hiervoor zowel in verdachtes woning als in zijn bedrijf aangetroffen bedoelde administratieve bescheiden, weergegeven op pagina 95, 96, 97, 100, 105, 106, 107, 116, 121, 122, 124, 125 en 126 van het strafdossier. In deze bescheiden zijn telkenmale bedragen met daarachter – in cijfers dan wel in woorden- ‘delen door twee’ genoteerd, waarbij de genoemde bedragen soms gevolgd zijn van de woorden “aan stekken” dan wel vooraf gegaand van de woorden “totale opbrengst”. Ook gezien de verdere context waarin deze notities zijn gemaakt, en het gegeven dat er in voormelde bescheiden namen van meerdere personen staan vermeld, acht de rechtbank aannemelijk dat het hier de kosten dan wel de opbrengsten van de hennepteelt betreft welke in ieder geval door meerdere personen gedeeld dienden te worden.

Verder heeft de accountant van verdachte, (naam 6), verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat de hennepkwekerijen in de kelders achter verdachtes zaak van hem, zijn vrouw (naam 7) en (naam 2) waren . Aangezien (naam 6) deze verklaring zowel tegenover de politie als bij de rechter-commisaris heeft afgelegd, en aldus consistent heeft verklaard, en omdat niet is gebleken van enig belang aan de zijde van (naam 6) om verdachte onterecht te belasten, dient er naar het oordeel van de rechtbank veel waarde aan deze verklaring te worden gehecht.

De rechtbank heeft voorts met name ook in haar overwegingen betrokken de verklaring van (naam 4), een werknemer van verdachte die sinds 2005 in verdachtes bedrijf aan de (adres) werkzaam is geweest. Hij heeft zowel tegenover de politie als bij de rechter-commissaris een consistente en voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Zijn verklaring houdt -kort samengevat en zakelijk weergegeven- onder meer in dat:

- verdachte hem meerdere malen heeft verteld dat hij zich bezig hield met het inrichten van hennepkwekerijen;

- verdachte hem heeft gevraagd of hij bij hem thuis een kleine kwekerij wilde hebben;

- op de zolder van het bedrijfspand onder een kleed lampen heeft aangetroffen, waarvan het hem min of meer bekend was dat dergelijke lampen gebruikt worden bij hennepkwekerijen;

- hij meerdere malen heeft meegemaakt dat de auto van een klant naar hennep rook en ook dat de bedrijfskantine dezelfde henneplucht had;

- verdachte hem wel eens gevraagd heeft een auto te verplaatsen, terwijl hij bij het wegrijden de hennepstank rook en vervolgens in de desbetreffende auto hennepresten aantrof;

- hij heeft gezien dat er in een auto materialen lagen, die je kunt gebruiken voor het inrichten van een hennepkwekerij;

- hij heeft gezien dat verdachte rond de jaarwisseling van 2007/2008 uit een soortgelijke als de door de politie op het bedrijfsterrein van verdachte aangetroffen aanhangwagen vuilniszakken met daarin hennepafval haalde;

- hij heeft gezien dat verdachte een paar keer de stalen containers, waaronder de desbetreffende kelders zich bevonden, met een heftruck heeft verschoven.

Ten slotte is er de verklaring van (naam 8), filiaalhouder bij het bedrijf (naam 9), inhoudende dat hij verdachte kent en dat verdachte sinds 4 à 5 jaar een klant van hen is en sinds 2005 tuinbouwartikelen bij hen kocht. Deze verklaring wordt ondersteund door een aantal bijgevoegde facturen over de periode vanaf 30 april 2005 tot en met 20 november 2007. Uit deze facturen blijkt dat er op verschillende tijdstippen in die periode onder andere ‘Woodpecker druppelaars’ (en andere artikelen die geschikt zijn om te worden gebruikt in hennepkwekerijen, zoals slangen en filters) zijn aangeschaft. Daar komt bij dat, zoals reeds genoemd, een aan verdachte gerichte pakbon betreffende de aanschaf van 20 stuks ‘Woodpecker druppelaar’ in een plastic zak afkomstig in hondenhok II zijn aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid, hetgeen verdachte ter zitting ook heeft beaamd, dat deze druppelaars veelal bij de teelt van hennep wordt gebruikt. Ook in de in het kantoor van verdachte aan het adres van zijn bedrijf zijn bonnen van een groothandel voor tuinbenodigdheden, te weten (naam 10), aangetroffen, beide gedateerd 18-12-2007, waarop tevens de aanschaf van materialen is vermeld welke geschikt zijn voor het gebruik in een hennepkwekerij. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de desbetreffende tuinbenodigdheden al dan niet met dan wel door tussenkomst van een ander heeft aangeschaft, noch heeft hij een plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat deze artikelen, anders dan voor het gebruik daarvan voor de hennepkwekerijen, zijn gekocht.

Gelet op het hiervoor besprokene - in onderling verband en samenhang bezien- is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte samen met een ander dan wel anderen hennep in de desbetreffende kwekerijen heeft geteeld. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat de verklaring van verdachte dat hij het terrein waarin de kelders, en aldus de hennepkwekerijen, zich bevonden aan (naam 2) heeft verhuurd, niets aan dit oordeel afdoet. Aangezien de rechtbank op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen verdachtes rol ten aanzien van de hennepkwekerijen als medepleger bewezen acht, is de vraag of het terrein door een ander werd gehuurd immers niet relevant. De verklaring van verdachte, dat hij niet op het door hem aan (naam 2) verhuurde terrein aanwezig is geweest tot (zoals verdachte bij de politie heeft verklaard) 4 weken danwel (zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard) enkele maanden voorafgaand aan het door de politie aantreffen van de hennepkwekerijen acht de rechtbank – gelet op voormelde bewijsmiddelen – niet geloofwaardig. De rechtbank betrekt daarbij dat verdachte wisselend over een en ander heeft verklaard, dat de honden van verdachte aanwezig waren op dat terrein en dat getuige (naam 4) bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij nooit iets heeft gehoord over de verhuur van het terrein aan (naam 2) en verdachte blijkens de eerder aangehaalde verklaring van getuige (naam 4) bij de politie aanwezig is geweest op het bedrijfsterrein (onder meer teneinde de twee stalen containers te verplaatsen).

Ten aanzien van de vraag over welke periode verdachte zich in vereniging met een ander of anderen met de onder 2 ten laste gelegde hennepteelt bezig heeft gehouden, neemt de rechtbank allereerst de bij verdachte in beslag genomen agenda’s over de jaren 2005 en 2006 als uitgangspunt. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de daarin aangetroffen notities, in het licht van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen gezien, voldoende aannemelijk geworden dat in deze agenda’s de kweekcycli van de hennepkwekerijen, telkens bestaande uit 9 weken, werden bijgehouden. Deze notities zijn bij 14 maart 2005, de begindatum van de ten laste gelegde periode, begonnen en zijn onafgebroken tot eind 2006 in de agenda van dat jaar gemaakt. Voorts staat vast dat de eerder bedoelde kelders begin januari 2005 zijn geplaatst en ook is het bestellen van de eerder bedoelde en bij hennepkwekerijen gebruikte kweekartikelen bij (naam 9) vanaf 2005 aangevangen en heeft dat in ieder geval tot november 2007 voortgeduurd. Dat er ook in 2007 door is gegaan met de hennepteelt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank verder uit de eerder bedoelde bonnen van de groothandel (naam 10) , waaruit blijkt dat het aanschaffen van de benodigdheden voor de kwekerij onverstoord is doorgegaan, en de eerder bedoelde verklaring van (naam 4) dat hij verdachte rond de jaarwisseling 2007/2008 met hennepafval op het bedrijfterrein in de weer heeft gezien. Aangezien voorts bij de inval op 16 mei 2008 de hennepkwekerijen zijn aangetroffen, met de benodigde apparatuur en de aanwezigheid van de overblijfselen van een kennelijk net gerealiseerde oogst, is de rechtbank van oordeel dat de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard.

Overwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte bekent dat hij op de zolder van zijn woning aan de (adres) een gripzak hennep aanwezig heeft gehad. Ook verdachtes (ex-) vrouw (naam 5) heeft bekend dat zij van de aanwezigheid daarvan op de hoogte was.

Wat betreft het voorhanden hebben van de 248 hennepplanten, die op 16 mei 2008 in de hennepkwekerij in kelder I zijn aangetroffen, is de rechtbank gezien het feit dat zij bewezen acht dat verdachte zich aan de hennepteelt in de desbetreffende kwekerijen heeft schuldig gemaakt, van oordeel dat logischerwijs ook een bewezenverklaring kan volgen voor het voorhanden hebben van voormelde hennepplanten, ook in vereniging gepleegd. Ten aanzien van de in het tuinhuisje van verdachte aangetroffen hennep, zoals hiervoor bedoeld, heeft verdachte zich, zoals genoemd, op het standpunt gesteld dat hij van de aanwezigheid daarvan niet op de hoogte was en dat deze hennep daar mogelijk door een ander is neergelegd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit standpunt, met name in het licht van de vaststelling dat hij zich aan hennepteelt heeft schuldig gemaakt en het feit dat deze hennep zich in een afgesloten ruimte op zijn privéterrein bevond, op geen enkele wijze aannemelijk en geloofwaardig heeft gemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk, dat deze hennep afkomstig is van de hennepkwekerijen aan de (adres). De rechtbank zal derhalve het opzettelijk voorhanden hebben van deze hennep en het ten laste gelegde medeplegen bewezen verklaren.

Overwegingen ten aanzien van feit 3

Door een medewerker van Essent is op 16 mei 2008 op het adres (adres) geconstateerd dat er met de electriciteitsmeter, welke uit drie fasen bestaat, zodanig was gemanipuleerd dat slechts de stroom van één van die drie fasen werd gemeten terwijl de hennepkwekerijen waren aangesloten op één van de twee fasen waarvan geen meting van de energieafname plaatsvond. Gezien het feit dat ten behoeve van de hennepkwekerijen dus illegaal stroom werd afgenomen, het tevens een feit van algemene bekendheid is dat een grootschalige hennepteelt als de onderhavige met veel energieverbruik gepaard gaat, en dat bewezen is dat verdachte samen met een ander of anderen zich gedurende de ten laste gelegde periode aan de hennepteelt in de desbetreffende hennepkwekerijen heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich ook aan dit feit -op de hierna te noemen wijze- opzettelijk schuldig heeft gemaakt.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat :

1.

hij op 16 mei 2008 in de gemeente Zwolle, op een bedrijfsterrein gelegen aan de (adres) te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland, in een woning en op het perceel behorende bij voornoemde woning, gelegen aan de (adres), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4521 gram hennep en/of ongeveer 248 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 14 maart 2005 tot 16 mei 2008 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op een bedrijfsterrein gelegen aan de (adres), telkens opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 14 maart 2005 tot en met 16 mei 2008 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid elektrische energie, toebehorende aan Essent.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het onder 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.

2.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een onder 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.

3.

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd dat verdachte ter zake van deze feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, bepleit dat ter zake het voorhanden hebben van een gripzakje hennepafval, zoals onder feit 2 mede is ten laste gelegd, kan worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke straf, al dan niet gecombineerd met een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaren samen met een ander dan wel anderen schuldig gemaakt aan het telen van hennep in een tweetal zich onder de grond bevindende kwekerijen. De rechtbank acht daarbij bewezen dat in deze hele periode hennep is geteeld en verwerkt. Voorts heeft verdachte samen met een ander of anderen een grote hoeveelheid hennep, 4521 gram, en 248 hennepplanten aanwezig gehad. Tenslotte acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn mededader(s) ten behoeve van deze hennepkwekerijen elektriciteit buiten de meter om hebben gebruikt en zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan de diefstal daarvan.

Verdachte heeft door zich op grote schaal met de hennepteelt bezig te houden de volksgezondheid in gevaar gebracht. Verdachte heeft er door zijn handelen immers aan toe bijgedragen dat de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. De verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld.

De door de officier van justitie gevorderde straf is, gelet op de ernst van de feiten, de professionele en grootschalige wijze waarop de hennepkwekerijen zijn opgezet, de lange periode waarover de kwekerijen in werking zijn geweest en het feit dat er sprake is van medeplegen, in beginsel passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, aangezien verdachte gezien de justitiële documentatie van 27 juli 2009 eerder ter zake onder meer hennepteelt tot een voorwaardelijke straf is veroordeeld en dit hem er niet van heeft weerhouden om zich weer aan een dergelijk feit schuldig te maken. De rechtbank zal de eis van de officier van justitie derhalve volgen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 25 mei 2010.