Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7178

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
07/630276-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

hennepteelt, medeplegen, toerekening helft van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht

Parketnr. : 07.630276-08

Datum : 25 mei 2010

Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht

d.d. 25 augustus 2009 van de officier van justitie in de zaak tegen:

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

hierna te noemen (verdachte).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010.

(naam) is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak met opgemeld parketnummer tegen (naam), te weten:

- de stukken van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, district Midden, dossiernummer PL04IK/08-048548;

- het (als bijlage bij de stukken van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, district Midden, dossiernummer PL04IK/08-048548 gevoegde) proces-verbaal, met daarin opgenomen een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, met nummer 08-507333 A, opgemaakt d.d. 13 november 2008, door (naam inspecteur), inspecteur van politie, als financieel rechercheur werkzaam bij Regiopolitie IJsselland.

OVERWEGINGEN

De officier van justitie heeft gevorderd dat (naam) zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van de feiten, zoals ten laste gelegd in de strafzaak met opgemeld parketnummer, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door (naam) zijn begaan, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 451.170,00.

De rechtbank heeft (naam) in de onderliggende strafzaak met opgemeld parketnummer bij vonnis van 25 mei 2010 veroordeeld ter zake het onder 1 ten laste gelegde ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet’, het onder 2 ten laste gelegde ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet’ en het onder 3 ten laste gelegde ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht’.

De rechtbank is op grond van de stukken van vorenbedoeld voorbereidend onderzoek en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht van oordeel dat (naam) wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van en/of uit de baten van de hiervoor bedoelde feiten terzake waarvan (naam) bij opgemeld vonnis is veroordeeld.

De rechtbank is bij haar schatting uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende -als aannemelijk aan te merken- gegevens, waarop ook bovenvermeld proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 13 november 2008 is gebaseerd. Tevens heeft de rechtbank, conform vorenbedoeld proces-verbaal, gebruik gemaakt van de standaardnorm ”Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM rapport) uitgegeven in april 2005.

De rechtbank heeft, net als de officier van justitie, de volgende uitgangspunten gehanteerd:

- het betreft de hennepteelt in een tweetal hennepkwekerijen, aangetroffen in twee afzonderlijke kelders, hierna aangeduid met kelder I en kelder II. In kelder I zijn er op 19 m² 248 hennepplanten aangetroffen en in kelder II is het aantal planten, gelet op het aantal kweekbedden, op 220 planten per 19 m² vastgesteld;

- ten aanzien van de hennepkwekerij in kelder I wordt er vanuit gegaan dat deze gedurende een periode van 14 maart 2005 tot 26 april 2008 heeft gedraaid en ten aanzien van de hennepkwekerij in kelder II wordt er vanuit gegaan dat deze gedurende de periode van 26 april 2005 tot 26 april 2008 in werking is geweest. Uitgaande van een groeicyclus van gemiddeld 10 weken, wordt het totaal aantal oogsten per kwekerij op 15 berekend.

Voor beide kelders heeft de rechtbank, met inachtneming van de voorgaande punten, een

afzonderlijke berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakt, waarbij voor

wat betreft de opbrengsten en de kosten de normen zijn gehanteerd als bedoeld in het eerder

bedoelde BOOM rapport. Uit deze berekeningen volgt dat het in beginsel door (naam) en zijn mededader(s) verkregen wederrechtelijke voordeel - conform de in het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel weergegeven berekeningswijze - door de rechtbank wordt geschat op ( kelder I: € 237.189,24 + kelder II: € 213.981,60 =) € 451.170,84.

Energiekosten

De rechtbank heeft ten aanzien van het in de onderliggende strafzaak onder feit 3 ten laste gelegde bewezen geacht dat verdachte, samen met een ander of anderen, gedurende een periode van 14 maart 2005 tot en met 16 mei 2008 illegaal stroom ten behoeve van de hiervoor bedoelde hennepkwekerijen heeft afgenomen. Gezien het feit dat de energie illegaal werd afgenomen is hier, conform het proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel, met de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel geen rekening gehouden. Volgens vaste jurisprudentie komen de in rekening gebrachte energiekosten alleen in aanmerking voor aftrek van het wederrechtelijk verkregen voordeel indien deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

(naam) heeft aangevoerd dat energiebedrijf Essent ter zake van de illegale stroomafname in een tegen hem aangespannen civiele procedure een bedrag van € 42.000 (inclusief proceskosten) heeft gevorderd en dat hij dit bedrag reeds aan Essent heeft betaald. Echter, nu (naam) desgevraagd geen enkel bewijs van deze betaling aan de rechtbank heeft overgelegd en de rechtbank aldus niet heeft kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk een betaling aan Essent heeft plaatsgevonden, zal dit bedrag niet in mindering worden gebracht.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op grond van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid bestaat om de rechter in het kader van de tenuitvoerlegging van een opgelegde ontnemingsmaatregel te verzoeken om een daadwerkelijk betaald bedrag aan energiekosten, waarvan de betaling uit enige bij dit verzoek te voegen stukken dient te blijken, alsnog op het bedrag van die ontnemingsmaatregel in mindering te brengen.

Medeplegen

De rechtbank heeft onder feit 2 van de onderliggende strafzaak bewezen geacht dat -kort samengevat en zakelijk weergegeven- (naam) zich samen met een ander of anderen met de bedoelde hennepteelt heeft beziggehouden. Met name op grond van de in het dossier van die strafzaak gevoegde administratieve bescheiden, zoals ook door de rechtbank in het onderliggende vonnis in het kader van de door haar gebezigde bewijsmiddelen uiteen is gezet, acht de rechtbank aannemelijk dat (naam) het geschatte voordeel in ieder geval met één ander heeft gedeeld. In een groot aantal van de aangetroffen bescheiden, waarvan de rechtbank waarschijnlijk acht dat deze op de hennepteelt betrekking hebben, is namelijk genoteerd dat de opbrengsten dan wel de kosten door 2 (twee) werden gedeeld. De rechtbank ziet in die omstandigheid aanleiding om het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk voordeel door 2 te delen. Het bedrag aan door (naam) genoten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt aldus berekend op het bedrag van ( € 451.170,84: 2 =) € 225.585,42.

Draagkracht

De raadsvrouw van (naam) heeft verzocht het door (naam) te betalen bedrag te matigen in verband met zijn slechte financiële positie aangezien hij thans een restschuld van ongeveer € 100.000,- heeft.

De rechtbank kan gelet op het bepaalde in lid 4 van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in beginsel het te betalen bedrag lager vaststellen dan waarop deze is geschat indien de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zijn om het te betalen bedrag te voldoen. Blijkens vaststaande jurisprudentie van de Hoge Raad is daarbij vereist dat het draagkrachtverweer met argumenten onderbouwd en uitdrukkelijk wordt voorgedragen. Aangezien (naam) slechts heeft verklaard de hiervoor bedoelde restschuld te hebben zonder deze schuld op enigerlei wijze middels stukken van onderbouwing te voorzien dan wel anderszins aannemelijk te maken, is de rechtbank van oordeel dat het draagkrachtverweer niet met vrucht is aangedragen.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot een bedrag van € 225.585,42 .

BESLISSING

De rechtbank stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op

€ 225.585,42.

De rechtbank legt aan (naam) de verplichting op om terzake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 225.585,42.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2010.