Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7169

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
07/440274-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Wet Wapens en Munitie

- Opiumwet

- Bewijs- strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.440274-09 (P)

Uitspraak: 1 juni 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres),

thans verblijvende in (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010 te Zwolle.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E. Postma.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Hij op of omstreeks 28 november 2009 in de gemeente Deventer, op of aan de openbare weg, de (straat), althans op of aan enige openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid weed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer) en/of (slachtoffer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer) en/of (slachtoffer), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die (slachtoffer) en/of (slachtoffer) heeft/hebben getoond;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 november 2009 in de gemeente Deventer, op of aan de openbare weg, de (straat), althans op of aan enige openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (slachtoffer) en/of (slachtoffer) heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid weed, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer) en/of (slachtoffer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die (slachtoffer) en/of (slachtoffer) heeft/hebben getoond;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 november 2009 in de gemeente Deventer en/of te Maarsbergen, in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Star, 9mm) en/of 5 patronen (merk HP en/of S&B, 9 mm) voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 28 november 2009 in de gemeente Deventer en/of te Maarsbergen, in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 3600 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/onder C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

Op grond van de in het dossier voorhanden zijnde verklaringen en bevindingen acht de officier van justitie de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de raadsman

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman -kort en zakelijk weergegeven- betoogd dat het Openbaar Ministerie verdachte in zijn verdediging heeft geschaad. Zijn medeverdachten zijn niet gedagvaard terwijl zij lange tijd verdachte zijn geweest en zich in deze hoedanigheid ook bij de verhoren bij de rechter-commissaris op hun verschoningsrecht konden beroepen. Dit heeft de waarheidsvinding in de zaak van verdachte in de weg gestaan.

Daarbij heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er, nu er kennelijk geen medeverdachten meer zijn er ook geen sprake kan zijn van medeplegen.

Voorts acht hij de door aangever afgelegde verklaringen op meerdere punten leugenachtig waardoor deze niet tot bewijs kunnen dienen. Het gaat hier om verklaringen over de aanwezigheid van een man die (slachtoffer) zou heten, over het gegeven dat de auto van aangever door de auto van verdachte en medeverdachten zou zijn geramd en de schade die dat heeft opgeleverd en over de bedreiging met een vuurwapen door verdachte.

Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte van feit 1 vrijgesproken dient te worden.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op zaterdag 28 november 2009 om 19.27 uur ontving de politie een melding van een man. Hij meldt: "Ga richting Apeldoorn. Gewapende overval. Suzuki (xxxx). Vier jongens. Ze rijden richting snelweg, richting Amsterdam. Ze hebben een wapen op mij gericht. Die hebben ze nog in hun auto. Drie zwarten en een Turk. Ze hebben mij overvallen. Ze hebben van mij een kilo wiet afgepakt. Ze rijden nu richting Amsterdam. Die klootzakken hebben een wapen op mij gericht. Volgens mij hebben ze ook geschoten, weet ik veel. Ik weet het niet zeker, ik denk het wel. [...] Ik weet niet wie het zijn". De melder geeft als naam (slachtoffer) door. Dit blijkt later aangever (slachtoffer) (hierna: aangever) te zijn.

De melding wordt doorgegeven en om 20.01 uur ziet een surveillance-eenheid van de politie de auto richting Utrecht rijden. Bij de afslag Maarsbergen wordt de auto tot stilstand gedwongen. De vier inzittenden van de auto worden aangehouden. De verdachte zat rechts voorin de Suzuki Swift. Direct na zijn aanhouding heeft verdachte verklaard dat er een vuurwapen onder de passagiersstoel, rechts voorin de auto lag. Het wapen werd in beslag genomen.

Medeverdachten (naam medeverdachte1) (hierna: (naam medeverdachte1)) , (naam medeverdachte 2) (hierna: (naam medeverdachte 2)) en (naam medeverdachte 3) (hierna: (naam medeverdachte 3)) zaten ook in de auto. De auto werd door de politie in beslag genomen.

Aangever heeft diezelfde avond bij de politie verklaard dat hij in de voorafgaande week door een hem onbekende man werd gebeld met de vraag of hij wiet kon regelen. Dat kon hij: hij is naar een kroeg gegaan en heeft daar aan een kennis genaamd (slachtoffer) gevraagd of hij wat had. Voor 250 euro zou aangever in de wietverkoop bemiddelen.

Aangever heeft telefonisch met (naam) afgesproken elkaar bij de parkeerplaats van het BP station aan de (straat) te ontmoeten. Op zaterdag 28 november 2009 heeft aangever daar vier mannen ontmoet en twee mannen in zijn auto meegenomen naar zijn flatwoning om de wiet te bekijken en te kopen. Later blijken dit verdachte en (naam medeverdachte 2) te zijn, die met aangever mee in zijn woning zijn geweest. Aangever heeft in eerste instantie verklaard dat (slachtoffer) ook in de flat was , later heeft hij verklaard dat (slachtoffer) buiten met de auto beneden stond. De mannen hebben de wiet gezien. Ze vonden het oké.

Over wat er vervolgens heeft plaatsgevonden, heeft aangever eveneens verschillend verklaard. Bij de politie heeft hij verteld dat hij, (slachtoffer) en de twee mannen weer naar de BP zijn gereden omdat de twee mannen geen geld bij zich bleken te hebben. Daar zijn ze weer met twee auto's terug naar het huis van aangever gereden. Later heeft hij verklaard dat het zijn vriendin was die meereed. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij via de telefoon had afgesproken bij het BP-station. Hij heeft verteld dat, toen hij met verdachte en (naam medeverdachte 2) in zijn woning was geweest, hij met hen naar beneden ging waarna (slachtoffer) met 'het spul' kwam.

Aangever heeft vervolgens verklaard dat (slachtoffer) voor de flat op straat de wiet uit zijn auto heeft gehaald. Aangever zelf zat toen in zijn eigen auto. Toen hield verdachte (slachtoffer) onder schot. Dat deed hij met een pistool. Met een oud, lelijk ding. Aangever weet dat het een pistool was. Hij hoorde klik, klik. Volgens aangever werd (slachtoffer) bedreigd omdat verdachte de tas met wiet pakte maar (slachtoffer) deze niet losliet. Aangever werd ook bedreigd door verdachte die van een afstand van vijf meter van hem vandaan met dat pistool naar hem wees. In zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris geeft aangever nog aan dat (slachtoffer) en verdachte om de tas vochten.

Daarna had verdachte volgens aangever de wiet in handen. Verdachte stapte in de auto die voor de auto van aangever stond geparkeerd. In plaats dat de auto achteruit reed, reed hij vooruit en ramde de auto van aangever die daardoor schade opliep. De auto van verdachte en zijn medeverdachten hebben ook nog een andere auto geraakt, waarna de auto weg wilde rijden.

Aangever wilde vervolgens de auto blokkeren omdat hij het kenteken wilde zien. Hij stond voor de auto waarna de auto tegen zijn auto aanknalde. Toen reed de auto langs de auto van aangever, en stopte vervolgens. Verdachte liep op aangever in zijn auto af. Hij richtte zijn pistool op aangever. Aangever dook weg. Hij was toen alleen, (slachtoffer) was weg. Aangever weet niet waar (slachtoffer) naartoe is gegaan. Aangever heeft verklaard ook een knal te hebben gehoord, hij denkt dat verdachte heeft geschoten , hij hoorde 'boem'. In het verhoor bij de rechter-commissaris weet aangever niet meer of er geschoten is, hij hoorde wel schoten.

Toen heeft aangever de politie gebeld, verteld wat er was gebeurd en heeft hij het kenteken doorgegeven. Ondertussen reed hij achter de auto van verdachte en zijn medeverdachten aan. Uit de auto van verdachte en medeverdachten werd wel vijf keer dat pistool door verdachte op hem gericht. Bij de afrit Arnhem/Zwolle raakte aangever de auto van verdachte en medeverdachten kwijt.

Aangever heeft de meldkamer gebeld omdat hij niet wilde dat (slachtoffer) dacht dat hij achter de ripdeal zat.

Verdachte heeft een andere lezing van de gebeurtenissen gegeven. Hij heeft verklaard voor ene(naam) of (naam) uit Eindhoven naar Deventer te zijn gegaan om geld dat een Turkse jongen aan (naam) moest betalen op te halen. (naam medeverdachte 2) had verdachte gevraagd mee te gaan. Omdat zij geen auto hadden ging een andere donkere jongen mee ((naam medeverdachte1)), maar hij en die andere Turkse jongen ((naam medeverdachte 3)) die meeging hebben er volgens verdachte niets mee te maken.

Verdachte weet niet wie die (naam) of (naam) is. Het is een Hollandse man. Hoeveel geld er op moest worden gehaald weet verdachte ook niet precies, 10.000 euro of 15.000 euro.

Bij het pompstation heeft verdachte (naar later bleek te zijn) aangever ontmoet die aldaar aangaf geen geld, maar wel wiet te hebben. Verdachte heeft toen gezegd: dan nemen we die wiet mee. Vervolgens zijn ze naar het huis van aangever gereden.

Bij de woning van aangever aangekomen is verdachte met (naam medeverdachte 2) in de woning van aangever geweest om over de wiet te spreken. De wiet was niet genoeg om de geldschuld af te lossen. Verdachte heeft de wiet genomen en in de kofferbak van de auto gelegd. Ter zitting verklaart verdachte dat het aangever was die de zak met wiet op de bestuurdersstoel van de auto heeft gezet. Ene (slachtoffer) heeft verdachte nooit gezien, volgens hem bestaat deze man helemaal niet. Verdachte heeft daarna de zak in de kofferbak gezet, waarna ze zijn weggereden.

Ten aanzien van de vraag of er bij het wegrijden ook een botsing tussen de auto waarin verdachte zat en de auto van aangever heeft plaatsgevonden heeft verdachte verklaard dat dit wel kan kloppen, hij weet het niet precies.

(naam medeverdachte 2) heeft het niet over geld dat opgehaald moest worden, maar heeft verklaard dat hij met de anderen in Deventer wiet zou gaan halen bij een hem niet bekende Turkse jongen. Die jongen had iedereen in heel Den Bosch en Oss ge-smst dat hij wiet had. Het kan zijn dat de Turkse jongen de naam (naam) heeft gezegd. Het was (naam medeverdachte 2) die (naar bleek met aangever) de telefonische afspraak voor de ontmoeting heeft gemaakt.

Ze hebben hem ontmoet bij een BP benzinepomp. Vanaf daar moesten ze achter hem aanrijden. Toen heeft die (naam) de wiet in hun auto gezet waarna ze zijn weggereden. Hij heeft geen geld gekregen. Toen is die (naam) achter hen aangegaan. Hij heeft hen nog aangereden. Die (naam) was niet alleen. Er was nog een andere man bij, een iets oudere Turkse man.

(naam medeverdachte 2) heeft voorts verklaard dat de wiet voor de vier inzittenden van de auto was. Het zou verkocht worden. Hij weet niet hoeveel het is. Waarom er niet is betaald weet hij niet. Toen die wiet in de auto lag zei een van de inzittenden: kom we rijden aan.

(naam medeverdachte1) heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en alleen verklaard dat hij de auto waarmee is gereden had gehuurd.

(naam medeverdachte 3) heeft verteld dat hij niet snapte wat er aan de hand was. Hij kende maar één van de andere inzittenden, degene die naast hem op de achterbank zat ((naam medeverdachte 2)) . De anderen moesten iemand zien in Deventer. Bij de BP is op die persoon gewacht. Toen zijn ze naar het huis van die jongen gegaan. Niemand is binnen geweest, het was gewoon buiten op straat. Die zwarte jongen en (naam medeverdachte 2) zijn uitgestapt. Er was een beetje discussie. Na vijf minuten kwam hij weer in de auto en zijn ze gaan rijden. Er is niets meegenomen de auto in, na de ontmoeting met die man.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank leidt uit de afgelegde verklaringen in elk geval af dat er sprake is geweest van een ontmoeting op 28 november 2009 waarbij aangever, verdachte en de drie medeverdachten aanwezig zijn geweest. Hierbij is een tas met wiet in de auto van verdachte en zijn medeverdachten terechtgekomen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen die over deze situatie zijn afgelegd niet eenduidig zijn. Dit betreft zowel de verklaringen over de vraag welke personen verder aanwezig waren en welke rol zij hadden, als de verklaringen over hetgeen is voorgevallen.

De rechtbank heeft de aanwezigheid van een persoon genaamd (slachtoffer) niet vast kunnen stellen. De verklaring van aangever over de aanwezigheid en rol van (slachtoffer) wordt niet door andere verklaringen ondersteund.

Alleen aangever heeft over de aanwezigheid van (slachtoffer) verklaard. Hij heeft (slachtoffer) omschreven als een man met blond haar, vrij dik, 110 kilo, een vette bierbuik en hij rijdt in een blauwe Golf 5. Hij is 35 á 40 jaar. Hij woont op een kamp en komt altijd bij café (naam). Volgens verdachte bestaat (slachtoffer) helemaal niet en zijn medeverdachten hebben in het geheel niets verklaard over de aanwezigheid van een man die voldoet aan het door aangever opgegeven signalement. (naam medeverdachte 2) heeft verklaard dat aangever vergezeld was van een iets oudere Turkse man , en volgens verdachte was er een kleine man die de wiet had.

Aangever is er ook niet in geslaagd om (slachtoffer), die zijn verklaring zou kunnen ondersteunen, in contact met de politie te brengen. Hoewel hij eerder bij de politie een signalement van (slachtoffer) heeft gegeven, beroept hij zich later bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht als hem gevraagd wordt te vertellen hoe (slachtoffer) eruit ziet. Hij heeft (slachtoffer) na zijn aangifte gezocht, maar niet gevonden.

Aangever heeft wisselend verklaard over de aanwezigheid van (slachtoffer) in zijn flatwoning. Het in de flatwoning aanwezige neefje van aangever kan de aanwezigheid van een man die voldoet aan het door aangever opgegeven signalement van (slachtoffer) niet bevestigen. Hij kan zich de aanwezigheid van een vrij dikke, blonde man met een bierbuik niet herinneren.

Ook ten aanzien van de vraag wat er precies is voorgevallen zijn geen eenduidige verklaringen afgelegd.

Vast staat dat in de auto van verdachte en zijn medeverdachten een tas, waarin zich naar later bleek 3600 gram hennep bevond, is aangetroffen. De rechtbank heeft echter niet vast kunnen stellen van wie deze tas afkomstig is geweest en onder welke omstandigheden deze tas in de auto terecht is gekomen.

Volgens de verklaring van aangever was de tas afkomstig van (slachtoffer) die de tas onder dreiging van een pistool aan verdachte heeft afgegeven waarna verdachte de tas meenam naar de auto.

Verdachte heeft verklaard dat aangever de zak (tas) aan hem gaf waarna verdachte deze in de auto heeft gezet. Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring gewijzigd en verklaard dat aangever de tas op de passagiersstoel naast de bestuurder zette waarna verdachte de tas vervolgens in de kofferbak plaatste.

(naam medeverdachte 3) heeft verklaard dat er niets werd meegenomen. (naam medeverdachte1) heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen.

In dit kader wekt het bij de rechtbank bevreemding dat aangever bij zijn melding heeft gesproken over een kilo wiet terwijl dit na de inbeslagname ruim drie en een half maal zoveel blijkt te zijn (netto-gewicht 3600 gram hennep).

Aangever heeft voorts verklaard dat verdachte zou hebben geschoten. Deze verklaring wordt niet ondersteund door andere verklaringen. Een getuige uit de woning tegenover de woning van aangever heeft verklaard die avond tussen 19.15 en 19.30 uur geen problemen in de straat te hebben gezien en geen knal te hebben gehoord. Uit forensisch onderzoek naar het in beslag genomen wapen is gebleken dat het niet mogelijk is met dit wapen te schieten.

Ten slotte heeft aangever verklaard dat zijn auto tot tweemaal toe door de auto van verdachte en zijn medeverdachten werd geramd. Volgens aangever is er een getuige geweest, waarvan hij de personalia niet bekend wil maken. De door een politieman aan de auto geconstateerde schade wordt beschreven als: niet groot, een paar krassen. Aangever heeft daarbij verklaard dat zijn auto werd aangereden terwijl hij bij zijn melding bij de politie aangaf dat hij het was die de auto van de tegenpartij had geramd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, gelijk de raadsman van verdachte heeft betoogd, van oordeel dat de verklaringen zo uiteenlopend zijn voor wat betreft de aanleiding, de omstandigheden en het aandeel van verdachte in de ten laste gelegde diefstal van wiet onder bedreiging van een pistool, dat hierdoor niet overtuigend bewezen kan worden hetgeen verdachte ten laste is gelegd.

Dit oordeel is in eerste instantie gebaseerd op de hiervoor gemotiveerde conclusie van de rechtbank dat de aanwezigheid van (slachtoffer) niet kan worden vastgesteld. Dit maakt de verklaring van aangever naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Dit klemt te meer nu vast staat dat er niet met het vuurwapen geschoten kan zijn terwijl aangever heeft verklaard dat er is geschoten, dat de auto van aangever geen sporen van rammen met een andere auto heeft en dat aangever heeft verklaard dat er sprake was van diefstal van een kilo wiet terwijl de aangetroffen hoeveelheid hennep 3600 gram betrof.

Vorenstaande leidt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit dan ook tot de slotsom dat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Het verweer dat verdachte door toedoen van het Openbaar Ministerie in zijn verdedigingsbelang zou zijn geschaad, behoeft in verband hiermee geen verdere bespreking.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het vuurwapen is op aanwijzing van verdachte aangetroffen in de auto waarin hij en zijn medeverdachten zijn aangehouden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het wapen voor de passagiersstoel heeft gelegen, alwaar aangever het heeft kunnen zien toen deze de tas met wiet op deze stoel zette. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen had meegenomen.

Later is vastgesteld dat het een pistool van het merk Star, kaliber 9 mm betrof. In de houder van het pistool bevonden zich vijf patronen, één van het merk HP en vier van het merk S&B.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen redenen geeft een ander standpunt dan dat van de officier van justitie in te nemen en dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad en dat zijn medeverdachten met de aanwezigheid hiervan bekend waren.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Bij de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten is de auto waarin zij rijden in beslag genomen. Bij onderzoek van de auto is in de kofferruimte een zogenaamde bigshopper aangetroffen. Hierin bevond zich een aluminiumfoliepakket waarin drie doorzichtige plastic zakken zaten die na onderzoek 3600 gram hennep bleken te bevatten.

Verdachte heeft de aanwezigheid van de tas met de hennep in de auto bekend. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij wist dat het niet is toegestaan een dergelijke hoeveelheid hennep aanwezig te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat de bekennende verklaring van verdachte voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte was er van op de hoogte dat hij de hennep zoals is aangetroffen in de auto niet voorhanden mocht hebben.

Voorts zijn naar het oordeel van de rechtbank ook andere verdachten betrokken geweest bij het plegen van de strafbare handeling. (naam medeverdachte 2) is actief betrokken geweest bij de (voorbereiding van) de ontmoeting met aangever. (naam medeverdachte1) reed de auto. Verdachte is actief bij de ontmoeting met aangever betrokken geweest. Zo heeft hij verklaard de tas met hennep in de auto gezet dan wel naar de kofferbak verplaatst te hebben.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

2.

hij op 28 november 2009 in de gemeente Deventer en te Maarsbergen, in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Star, 9mm) en 5 patronen (merk HP en S&B, 9 mm) voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 28 november 2009 in de gemeente Deventer en te Maarsbergen, in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3600 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het onder 2 bewezene levert op:

Medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Het onder 3 bewezene levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 ten laste is gelegd. De raadsman heeft zich ten aanzien van het bezit van het pistool en bijbehorende munitie en het aanwezig hebben van de hennep gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij een vuurwapen met daarin scherpe patronen voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen en van munitie is niet alleen een strafbaar feit, maar is tevens maatschappelijk onverantwoord, aangezien het een drempelverlagende werking kan hebben om dit vuurwapen op enig moment te gebruiken of met dit gebruik te dreigen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 maart 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ondanks eerdere veroordelingen is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten die verband houden met de Wet Wapens en munitie.

De rechtbank neemt bij de straftoemeting eveneens in aanmerking dat verdachte voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheden hennep voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de maatschappelijk problemen die de handel van softdrugs met zich brengen, maar heeft slechts oog gehad voor het (financiële) gewin.

Ten aanzien van verdachte zijn geen rapportages opgemaakt die de rechtbank in haar oordeel had moeten betrekken.

De rechtbank is, gelet op het hetgeen is overwogen, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van het in beslag genomen pistool (merk Star, 9mm) met houder voorzien van vijf patronen (merk HP en S&B, 9 mm).

Het pistool en de munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen pistool met houder voorzien van vijf patronen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

BESLISSING

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde.

Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer een pistool (merk Star, 9mm) met houder voorzien van vijf patronen (merk HP en S&B, 9 mm).

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Botter als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2010.