Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM7165

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
07/400212-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Vrijspraak poging doodslag

- Ontbreken opzet

- Bedreiging

- Bewijs- en strafmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.400212-09 (P)

Uitspraak: 1 juni 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar)

thans verblijvende (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010 te Zwolle.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Als officier van justitie was aanwezig mr. M. van Dijck.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een ter terechtzitting toegewezen vordering tot wijziging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 augustus 2009 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade, althans opzettelijk, (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet

en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen

één of meer kogels heeft afgevuurd naar die (slachtoffer), terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 05 augustus 2009 in de gemeente Zwolle, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (slachtoffer) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend die (slachtoffer) klem gereden in diens auto en/of (vervolgens)

een vuurwapen getoond aan die (slachtoffer) althans heeft hij, verdachte, op dreigende wijze met zijn hand in zijn/een tasje gereikt (waarmee hij de indruk wekte te reiken naar een vuurwapen);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 06 augustus 2009 tot en met 07 augustus

2009 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten twee vuurwapens (model/type MOD.30 PK, kaliber 9mm, STAR, Becheverria Eibar Spain, S.A., Caliber 9mm, logo ASTAR en/of model/type 1910/22, kaliber 7.65mm, fabrique nationale d’armes de guerre herstal belgique, browning’s patent depose), en/of munitie van categorie III, te weten 101 (scherpe) patronen (kaliber 7.65mm en/of kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 07 augustus 2009 in de gemeente Zwolle in een personenauto

(gekentekend xxxxxx) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16 gram cocaïne, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van feit 1:

Op 6 augustus 2009 omstreeks 23:00 uur heeft verdachte op de kruising (straat)/(straat) in de gemeente Zwolle meerdere schoten gelost met een pistool.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld -kort en zakelijk weergegeven- dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte met voorbedachten rade althans opzettelijk heeft geprobeerd (slachtoffer) van het leven te beroven. Immers verdachte is met een (geladen) pistool in de auto gestapt, heeft geprobeerd (slachtoffer) klem te rijden en toen dat niet lukte heeft verdachte op (slachtoffer) geschoten. Dat verdachte gericht heeft geschoten blijkt uit de vindplaats van de hulzen, de plaats waar (slachtoffer) zich (in zijn auto) bevond toen hij hoorde dat verdachte schoot en de richting van in elk geval één schot. De richting van het schot is te reconstrueren aan de hand van een, op 45 meter afstand van de gevonden hulzen, geparkeerde auto waar een kogel (naar alle waarschijnlijkheid een kogel uit het pistool van verdachte) de autoruit heeft beschadigd. Vervolgens is de kogel afgeketst en in het hout onder het raam van een woning terecht gekomen, op ongeveer 134 meter afstand van de plaats waar de hulzen zijn gevonden. Gezien de baan die deze kogel heeft afgelegd en de plaats waar (slachtoffer) moet hebben gereden op het moment dat de schoten werden gelost, heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat (slachtoffer) getroffen zou worden door een kogel en daarbij het leven zou verliezen. Dat dit niet is gebeurd, is onafhankelijk van de wil van verdachte geweest. De ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat zowel zijn auto als de auto van (slachtoffer) stil heeft gestaan op de kruising straat/straat op het moment van schieten, is niet geloofwaardig nu verdachtes ter terechtzitting getekende weergave van de posities van verdachte’s auto, (slachtoffer)’s auto en de geparkeerde auto waar verdachte op geschoten heeft, niet overeenkomt met de verklaringen van (slachtoffer) en getuige (naam getuige). Voorts verhoudt verdachtes weergave zich niet met de situatie zoals deze ter plaatse door de politie werd aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld -kort en zakelijk weergegeven- dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Alhoewel verdachte heeft geschoten heeft hij geen opzet (in welke vorm dan ook) gehad op de dood van (slachtoffer). Verdachte wilde (slachtoffer) alleen bang maken en heeft niet gericht op (slachtoffer) geschoten. Hiertoe heeft verdachte aangevoerd dat (slachtoffer) een rol heeft gespeeld bij een eerdere gijzeling en afpersing van verdachte. (slachtoffer) zou, op de avond van 6 augustus 2009, wederom verdachte hebben bedreigd en verdachte hebben aangemaand een geldbedrag te betalen omdat verdachte anders weer iets dergelijks zou overkomen. Verdachte en (slachtoffer) stonden allebei met de auto stil op de kruising van de straat/straat te Zwolle. Door de bedreiging door (slachtoffer) is verdachte bang geworden en heeft, om (slachtoffer) af te schrikken, opzettelijk naast (slachtoffer) op een auto en meerdere malen in de lucht geschoten. Aangezien (slachtoffer) stil stond op slechts een paar meter afstand, had verdachte (slachtoffer) (of zijn auto) geraakt als hij dat had gewild, helemaal gezien de omstandigheid dat verdachte vaker met een vuurwapen heeft geschoten. Uit de bewijsmiddelen is niet af te leiden waar verdachte en (slachtoffer) zich precies bevonden, zodat een reconstructie van de baan van een kogel (mogelijk afkomstig uit het pistool van verdachte) niets zegt over het al dan niet op (slachtoffer) gericht zijn van het schot.

Het oordeel van de rechtbank

Op donderdag 6 augustus 2009 komt er bij de politie een melding binnen dat in de directe omgeving van de (straat) te Zwolle is geschoten. De politie gaat ter plaatse en er wordt onderzoek verricht. Er worden op de kruising (straat/straat) twee hulzen gevonden van het kaliber 7.65mm. Tevens wordt ter plaatse een geparkeerde personenauto (kenteken xxxx) aangetroffen met een beschadiging op de voorruit, welke beschadiging mogelijk veroorzaakt is tijdens het schietincident. De afstand tussen de gevonden hulzen en de geparkeerde auto bedraagt ongeveer 45 meter.

(naam), de eigenaar van de geparkeerde auto met de beschadiging aan de voorruit, doet op 7 augustus te 00:05 uur aangifte van beschadiging/vernieling van zijn auto. Hij verklaart dat hij op 6 augustus 2009 omstreeks 23:00 uur een knal heeft gehoord. (naam) gaat buiten kijken en ontdekt dat de voorruit van zijn geparkeerde auto is vernield. (naam) verklaart dat hij van mensen op straat hoorde dat er meerdere keren geschoten zou zijn, en dat er een auto met grote snelheid is weggereden.

Getuige (naam getuige 2) verklaart dat zij op 6 augustus 2009 omstreeks 23:00 uur in de tuin achter haar huis zat en drie knallen achter elkaar heeft gehoord. Zij heeft meteen de indruk dat het om schoten gaat. Enkele seconden daarna hoort zij een auto met gierende banden wegrijden. Getuige (naam getuige 3) verklaart dat zij op 6 augustus tussen 22:30 uur en 22:45 uur aan het wandelen was met de hond en vier schoten heeft gehoord.

Getuige (naam getuige 4), woonachtig aan de (adres) te Zwolle, verklaart dat hij 6 augustus 2009 ten tijde van het schietincident schoten heeft gehoord. Dit wordt gevolgd door een geluid van metaal op metaal. Getuige ontdekt vervolgens op 7 september 2009 een gat in de buitenwand van de slaapkamer. (naam getuige 4) denkt dat dit een kogelgat betreft. Uit onderzoek blijkt dat het gat is veroorzaakt door een kogel van het kaliber 7.65mm en dat het mogelijk is dat deze kogel via de geparkeerde auto van aangever (naam) is afgeketst en (via een spijl van het balkon) in de wand van de woning terecht is gekomen.

Op 7 augustus te 00:30 uur doet (slachtoffer) aangifte van poging moord/doodslag. Hij verklaart dat op 6 augustus 2009, te 22:57 uur, de hem bekende (verdachte), hierna verdachte, ongeveer zes keer op hem geschoten heeft. (slachtoffer) heeft verdachte omstreeks 22:30 uur gezien bij Coffeeshop (naam) te Zwolle. Als (slachtoffer) na het bezoek aan de coffeeshop in de richting van de Aa-landen op de (straat) rijdt, ziet hij verdachte in zijn Golf achter hem aan rijden. (slachtoffer) zit op dat moment met (naam getuige) in de auto.

Nadat (slachtoffer) enkele straten is doorgereden, slaat hij linksaf de (straat) op. Hij ziet dat verdachte hem nu niet volgt maar rechtdoor rijdt. Nadat (slachtoffer) de (straat) is ingeslagen, slaat hij rechtsaf de (straat) in. Bij de kruising (straat)/(straat) aangekomen, ziet (slachtoffer) dat verdachte met hoge snelheid komt aanrijden. (slachtoffer) heeft het idee dat verdachte hem probeert klem te rijden, maar (slachtoffer) weet net de auto van verdachte voor te blijven. Op dat moment ziet (slachtoffer) in zijn spiegels dat verdachte zijn auto stopt op de kruising. Direct daarna hoort (slachtoffer) meerdere schoten. (slachtoffer) verklaart dat hij wist dat verdachte op hem schoot. In zijn latere verklaring, afgelegd bij de rechter-commissaris, verklaart (slachtoffer) dat hij is gaan bukken op het moment dat het eerste schot viel. Na die schoten zag (slachtoffer) de Golf wegrijden. (slachtoffer) heeft de schoten zelf niet gezien, hij verklaart dat er mogelijk in de lucht geschoten is.

(naam getuige), de bijrijder van (slachtoffer), heeft op 7 augustus te 02:00 uur als getuige een verklaring afgelegd. Hij verklaart, overeenkomstig de verklaring van (slachtoffer), dat er een Golf achter hun auto is aangereden. Als (slachtoffer) en (naam getuige) linksaf slaan, rijdt de grijze Golf rechtdoor. Op het moment dat (naam getuige) en (slachtoffer) op de kruising (straat)/(straat) rijden, nadert een grijze Golf met volle snelheid de kruising. De auto waar (naam getuige) en (slachtoffer) in zitten, passeert net iets eerder het kruispunt dan de grijze Golf. Kennelijk was het de bedoeling om de auto waar (naam getuige) en (slachtoffer) in zaten, klem te rijden, zo verklaart (naam getuige). Op het moment dat hun auto net de kruising gepasseerd is, hoort (naam getuige) ongeveer vijf a zes schoten. (naam getuige) verklaart vervolgens dat (slachtoffer) bukte tijdens het rijden en daarbij bijna een auto die geparkeerd stond ramde. (naam getuige) heeft verdachte niet zien schieten.

Verdachte wordt op 7 augustus 2009 aangehouden nadat hij zichzelf heeft gemeld op het politiebureau te Zwolle. Verdachte wil aangifte doen van een ontvoering en bedreiging waar hij een aantal maanden geleden het slachtoffer van is geworden.

Verdachte wordt geconfronteerd met de aangifte van (slachtoffer) en de verklaring van (naam getuige), maar hij ontkent alle betrokkenheid bij de schietpartij waarvan aangifte is gedaan. Wel heeft hij, direct nadat hem op 7 augustus 2009 is verteld door een verbalisant dat hij aangehouden wordt, spontaan tegen deze verbalisant gezegd dat hij niet heeft geschoten. Op dat moment was nog niet aan verdachte verteld dat hij werd verdacht van een schietpartij.

Ook in het tweede verhoor blijft verdachte de betrokkenheid bij de schietpartij ontkennen. Verdachte verklaart dat hij geld moet betalen aan naam ((slachtoffer)) en (naam getuige) en dat deze (slachtoffer) en (naam getuige) daarom dingen verzinnen die niet kloppen. Verdachte wil verder geen openheid geven over wat er tussen hem en (slachtoffer) is voorgevallen omdat hij bang is voor de gevolgen die dat kan hebben. Hij verklaart dat tegen hem gezegd is dat ze zijn zus dood willen hebben en dat ze weten waar zijn zus woont.

Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij heeft geschoten op 6 augustus 2009. Hij verklaart dat hij drie a vier keer heeft geschoten. Verdachte geeft echter een andere lezing van de feiten dan uit de aangifte van (slachtoffer) en de verklaring van (naam getuige) naar voren komt. Volgens verdachte is hij op de kruising van de (straat)/(straat) (slachtoffer) en (naam getuige) in de auto tegen gekomen. Zowel (slachtoffer) als verdachte stonden stil met de auto en (slachtoffer) sprak vervolgens verdachte aan over het betalen van een geldbedrag. Verdachte verklaart dat hij erg bang was gezien de betrokkenheid van (slachtoffer) en (naam getuige) bij een eerdere ontvoering en afpersing van verdachte. Om (slachtoffer) af te schrikken heeft verdachte meerdere keren geschoten. Verdachte ontkent echter gericht op (slachtoffer) te hebben geschoten. Verdachte heeft naar eigen zeggen één keer gericht op een geparkeerde auto en meerdere keren in de lucht geschoten.

De rechtbank stelt aan de hand de verklaring van verdachte, het aantreffen van twee kogelhulzen, de verklaringen van (slachtoffer) en (naam getuige) en de getuigenverklaringen van (getuige 2), (getuige 3) en (naam getuige 4) vast dat verdachte meerdere keren heeft geschoten.

De rechtbank overweegt dat enkel uit het feit dat geschoten is, nog niet kan worden afgeleid dat verdachte opzet danwel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van (slachtoffer). Hiervoor moet op zijn minst worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk in de richting van (slachtoffer) heeft geschoten.

Uit de verklaring van verdachte blijkt niet dat hij gericht op (slachtoffer) heeft geschoten. Voorts blijken aangever (slachtoffer) en getuige (naam getuige) niet te hebben gezien dat verdachte gericht op (slachtoffer) of (slachtoffer)’s auto heeft geschoten. Om deze reden is het aan de hand van deze verklaringen voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen dat verdachte gericht op (slachtoffer) heeft geschoten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie dat uit de verklaringen van (slachtoffer) en (naam getuige) blijkt dat (slachtoffer) zich even voorbij de kruising in zijn voortbewegende auto bevond op het moment dat geschoten werd, en dat (slachtoffer) zich zodoende in de baan van het schot bevond, wordt door de verdediging betwist. Volgens de verdediging hebben (slachtoffer) en (naam getuige) reden om anders te verklaren over de werkelijke toedracht van de schietpartij, nu zij een rol spelen in de ontvoering en afpersing van verdachte. Verdachte heeft daarvan aangifte willen doen op de dag dat hij in het politiebureau werd aangehouden.

De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek Forensische Opsporing niet blijkt op welke positie (slachtoffer) zich bevond op het moment dat verdachte heeft geschoten. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat de kogel die in het pand (adres) te Zwolle is gevonden, is afgevuurd door verdachte. Immers, de vindplaats van deze kogel komt overeen met de verklaring van verdachte dat hij op de kruising (straat)/(straat) heeft geschoten, met de op de kruising (straat)/(straat) gevonden hulzen en de mogelijke baan die de kogel heeft afgelegd. Echter niet is komen vast te staan dat (slachtoffer) zich op dat moment ergens in de baan van de kogel heeft bevonden.

Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk in de richting van (slachtoffer) heeft geschoten en dat verdachte opzet, in welke vorm dan ook, op de dood van (slachtoffer) heeft gehad. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2

Op 5 augustus 2009 heeft verdachte (als bijrijder), samen met een ander (te weten (naam 3)), te Zwolle in de door verdachte geleasede auto gereden (gekentekend xxxx). De auto van verdachte is op de openbare weg (straat) naast de auto van (slachtoffer) gaan rijden, waarna de auto’s allebei hard op de rem zijn gegaan.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 5 augustus 2009 te Zwolle (slachtoffer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Uit de verklaringen van (slachtoffer) en (naam getuige) blijkt dat verdachte en (naam 3) de auto van (slachtoffer) hebben klemgereden. Hierna zijn verdachte en (naam 3) uit de auto gesprongen. (slachtoffer) is met de auto achteruit weggereden en op die manier ontkomen. Uit de verklaring van (slachtoffer) blijkt dat verdachte en (naam 3), op het moment dat (slachtoffer) aan het wegrijden is, achter de auto van (slachtoffer) aan zijn gerend en dat verdachte heeft gescholden en daarbij zijn, verdachtes, rechterhand bij zijn handtasje heeft gehouden waarbij verdachte een beweging maakte alsof hij een wapen uit dat tasje zou halen. (slachtoffer) verklaart dat hij wist dat verdachte een vuurwapen in dat tasje verborg. Getuige (naam getuige), de bijrijder van (slachtoffer), bevestigt het relaas van (slachtoffer). Uit onderzoek blijkt dat het waarschijnlijk is dat de verse schade aan de rechter achterkant van het voertuig van verdachte is veroorzaakt door botsing met de linkervoorkant van het voertuig van (slachtoffer). Dit ondersteunt de aangifte van (slachtoffer) en de verklaring van (naam getuige). Tevens heeft (naam 4), een vriend van verdachte en (naam 3), verklaard dat verdachte en (naam 3) tegen de auto van (slachtoffer) en (naam getuige) zijn gereden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak ten aanzien van het onder twee ten laste gelegde bepleit. Verdachte is wel uit de auto gesprongen maar is bij zijn auto blijven staan. Er was iets tussen (naam 3) en (slachtoffer), waar verdachte verder niets mee te maken heeft gehad. Verdachte kan zich niet herinneren dat sprake is geweest van een botsing tussen de auto van verdachte en de auto van (slachtoffer). Verdachte heeft niet gescholden en zeker geen bedreiging geuit. Wel had verdachte een tasje om zijn nek, maar hij bewaart daar geen vuurwapen in.

Uit de verklaring van aangever (slachtoffer) blijkt alleen dat hij verdachte heeft gezien, een tasje bij verdachte heeft gezien, en een beweging van de hand van verdachte naar het tasje toe. (slachtoffer) verklaart dat hij heeft gehoord van een vriend dat verdachte in dat tasje zijn vuurwapen verbergt. Op basis daarvan trekt (slachtoffer) een conclusie. Ook getuige (naam getuige) heeft verdachte alleen een handbeweging in het tasje zien maken. Hij verklaart dat hij weet dat verdachte in dat tasje een wapen bewaart. Er is in beide gevallen geen sprake van een objectieve waarneming waaruit blijkt dat er een bedreiging is geuit.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaringen van aangever (slachtoffer) en getuige (naam getuige) blijkt, kort gezegd, dat verdachte en (naam 3) met hun auto de auto van (slachtoffer) en (naam getuige) hebben klem gereden, waarbij de auto van verdachte en (naam 3) met de rechter achterzijde in aanraking is gekomen met de linker voorzijde van de auto van (slachtoffer) en (naam getuige).

Deze verklaringen van (slachtoffer) en (naam getuige) worden ondersteund door het proces-verbaal Technische verkeersanalyse. Uit de analyse van de schade aan de auto’s van verdachte en (slachtoffer) blijkt dat de schade aan de linker voorzijde van de auto waar (slachtoffer) in reed veroorzaakt kan zijn door aanraking met de rechter achterzijde van de auto van verdachte. Hiermee komt de mogelijke botspositie van de auto’s overeen met de door (slachtoffer) en (naam getuige) beschreven botsing. De rechtbank acht de verklaring van (slachtoffer) en (naam getuige) op dit punt betrouwbaar.

(slachtoffer) heeft vervolgens in zijn aangifte verklaard dat verdachte en zijn mededader uit de auto zijn gesprongen en, nadat (slachtoffer) achteruit wegrijdt, verdachte al scheldend achter de auto van (slachtoffer) is aangerend en daarbij zijn rechterhand bij een handtasje hield en een beweging maakte waaruit (slachtoffer) bleek dat als (slachtoffer) iets zou doen, verdachte een wapen uit dat tasje zou halen. Deze verklaring van (slachtoffer) komt overeen met de verklaring van getuige (naam getuige), die verklaart dat verdachte zijn hand in een tasje om zijn nek deed. Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij, op het moment dat hij uit de auto sprong, een tasje om zijn nek had hangen. Zowel (slachtoffer) als (naam getuige) verklaren dat zij weten dat verdachte in dit tasje een wapen verbergt.

De rechtbank hecht geloof aan de verklaringen van (slachtoffer) en (naam getuige) omtrent hun wetenschap dat verdachte in dit tasje een vuurwapen bij zich draagt, nu ook (naam 4), een goede bekende van verdachte, heeft verklaard dat verdachte zijn wapen altijd in een tasje bij zich draagt. (naam 4) kent verdachte ongeveer een half jaar en (naam 4) heeft wel eens gezien dat verdachte uit dat tasje een vuurwapen haalde.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor omschreven dreigende gedrag van verdachte en zijn mededader van een zodanige aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat in het algemeen zulk gedrag bij de bedreigde de vrees kan opwekken dat deze het leven zal gaan verliezen. De rechtbank acht derhalve het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van feit 3 is sprake van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359 lid 3, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

- De bekennende verklaring van verdachte.

- Het proces-verbaal Forensische Opsporing.

- Het proces-verbaal Vuurwapenonderzoek.

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van feit 4 is sprake van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359 lid 3, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

- De bekennende verklaring van verdachte.

- Het proces-verbaal Forensische Opsporing.

- Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende het onderzoek van het onder verdachte in beslag genomen poeder.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Feit 2:

hij op 05 augustus 2009 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, (slachtoffer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend die (slachtoffer) klemgereden in diens auto en vervolgens heeft hij, verdachte, op dreigende wijze met zijn hand in zijn tasje gereikt (waarmee hij de indruk wekte te reiken naar een vuurwapen).

Feit 3:

hij in de periode van 06 augustus 2009 tot en met 07 augustus 2009 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, meer wapens van categorie III, te weten twee vuurwapens, (model/type MOD.30PK, kaliber 9mm, STAR, Becheverria Eibar Spain, S.A., Caliber 9mm, logo ASTAR en model/type 1910/22, kaliber 7.65mm, fabrique nationale d’armes de guerre herstal belgique, browning’s patent depose), en munitie van categorie III, te weten 101 scherpe patronen (kaliber 7.65mm en 9mm) voorhanden heeft gehad.

Feit 4:

hij op 07 augustus 2009 in de gemeente Zwolle in een personenauto (gekentekend xxxx) tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Het bewezene levert op:

Feit 2

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

Feit 3

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

Feit 4

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid van de Opiumwet juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, te weten de feiten zoals onder 1 tot en met 4 ten laste gelegd, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De reclassering heeft zich in haar advies van 6 november 2009 onthouden van een strafadvies ten aanzien van verdachte, vanwege het feit dat verdachte altijd heeft ontkend de hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd.

De in het verleden uitgevoerde onderzoeken betreffende verdachte hebben uitgewezen dat, ondanks alle problematiek, geen concrete persoonlijkheidsstoornis aanwezig was bij verdachte. Nu ook de reclassering niet adviseert tot het uitvoeren van een persoonlijkheidsonderzoek is de officier van justitie van mening dat alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Beslag

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.960,00 heeft de officier van justitie teruggave daarvan aan verdachte gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord/doodslag. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige delicten. Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd op klaarlichte dag en op de openbare weg, zorgt voor maatschappelijke onrust en vergroot de gevoelens van onveiligheid binnen de maatschappij. Doordat verdachte daarnaast vuurwapens en harddrugs voorhanden heeft gehad, worden deze gevoelens extra versterkt. Voorts laat verdachte in zijn gedrag merken weinig respect te hebben voor andermans leven en/of gevoelens van veiligheid.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 30 maart 2010 blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, onder andere voor bezit van en handel in harddrugs en het voorhanden hebben van vuurwapens.

Deze eerdere veroordelingen en de daarbij opgelegde vrijheidsontnemende straffen hebben verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde geen andere straf rechtvaardigt dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Nu ook Reclassering Nederland in haar advies van 6 november 2009 vanwege de ontkennende houding van verdachte niet tot een strafadvies is gekomen, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het aan hem toebehorende geldbedrag van € 1.960,00, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

BESLISSING

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde.

Het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Beslag

De rechtbank gelast de teruggave van het geldbedrag van € 1.960,00 aan verdachte.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. M.A. Wijnands-Veninga en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Botter als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2010.