Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM6850

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
494846 VV 10-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot heraansluiting op drinkwatertoevoer jegens waterleidingbedrijf. Uitoefening van opschortingsbevoegdheid niet ontoelaatbaar, voor zover betrekking hebbende op die bedragen die via een reguliere incassoprocedure toegewezen zouden worden. Verplichting tot heraansluiting indien en zodra het aldus berekende bedrag is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 494846 VV 10-25

datum : 2 april 2010

Vonnis in het kort geding van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eiser, verder te noemen: ‘[eisende partij]’,

gemachtigde mr. E. Schriemer, advocaat te Zwolle,

tegen

de naamloze vennootschap VITENS N.V.,

gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde, verder te noemen: ‘Vitens’,

verschenen bij haar bedrijfsjurist, mr. A. van der Minne.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 19 maart 2010 met producties, houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad,

- de bij faxbrief van 29 maart 2010 nader door [eisende partij] ingezonden producties en

- de ter zitting door Vitens overgelegde producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2010. Verschenen zijn:

- [eisende partij], bijgestaan door mr. Schriemer voormeld, en

- namens Vitens mr. Van der Minne voormeld.

[eisende partij] en Vitens hebben bij gelegenheid van deze zitting hun standpunten doen toelichten (beiden aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

De vordering van [eisende partij] tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt ertoe dat Vitens wordt veroordeeld:

a. om daags na betekening van het vonnis de aansluiting van water ten behoeve van de woning van [eisende partij] kosteloos te herstellen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Vitens met die aansluiting in gebreke blijft;

b. om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis een bedrag van € 500,00 aan [eisende partij] te betalen als voorschot op een immateriële schadevergoeding;

met veroordeling van Vitens in de proceskosten.

Vitens heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Vitens is een waterleidingbedrijf en heeft zo’n 2,3 miljoen afnemers. In onder meer Zwolle is Vitens de exclusieve waterleverancier.

b. Vitens heeft met [eisende partij] een overeenkomst gesloten tot levering van water aan de door [eisende partij] bewoonde woning te [woonplaats] aan [adres].

c. Vitens heeft op 13 augustus 2009 een afrekening aan [eisende partij] gezonden betreffende de periode van 26 juni 2008 tot 28 juni 2009. Bij deze afrekening heeft zij een (geschatte) beginstand van ‘1.062’ en een door [eisende partij] opgegeven eindafstand van ‘1.117’ tot uitgangs-punt genomen, leidende tot - na aftrek van in rekening gebrachte voorschotten en ophoging met een voorschot voor de maanden augustus 2009 tot en met oktober 2009 - een door [eisende partij] te betalen bedrag van € 137,51. In deze afrekening zijn onder meer begrepen bedragen aan zuiveringsheffing (€ 36,71) en ingezettenenheffing (€ 38,50).

d. Bij brief van 8 september 2009 heeft [eisende partij] tegen voormelde afrekening geprotesteerd, daartoe stellende dat zijn verbruik minimaal is geweest, mede door een zeven maanden durende periode van waterafsluiting, en dat Vitens ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem aangevraagde vrijstelling van gemeentelijke heffingen en waterschapslasten. [eisende partij] heeft Vitens daarop verzocht een herberekening te maken.

e. Bij brief van 17 september 2009 heeft Vitens [eisende partij]’s verzoek om herberekening afgewezen, daartoe aanvoerende:

‘Doordat wij vorig jaar geen meterstand hebben doorgegeven [doorgekregen, ktr] is die toen geschat, dit houdt in dat u vorig jaar betaald hebt tot de geschatte meterstand van 1.062 kuub, het werkelijk verbruik is nu bij de nieuwste periodeafrekening in rekening gebracht.

Hoewel het verbruik hoger is dan het door ons gehanteerde gemiddelde van 50 kuub per persoon per jaar, is er geen sprake van extreem verbruik. De periodeafrekening is naar onze mening dan ook juist.

Zodra wij een beschikking hebben ontvangen van het Waterschap (...) gaan wij de beschikking verrekenen/uitbetalen.

f. Bij brief van 8 oktober 2009 heeft Vitens [eisende partij] aangemaand en naast voormeld bedrag van € 137,51 aanspraak gemaakt op € 17,50 administratiekosten. In deze aanmaning is verder vermeld:

‘(...) Voorkom afsluiting en nog meer kosten. Als wij geen volledige betaling van u ontvangen, brengen wij € 51,50 incassokosten in rekening en heeft dit tot gevolg dat wij uw drinkwatertoevoer stopzetten. De kosten van afsluiting bedragen minimaal € 216 (€ 51,50 voorrijkosten en € 164,50 afsluitkosten) en komen voor uw rekening. Bij verder uitblijven van uw betaling gaan wij over tot gerechtelijke invordering. (...) Als betaling uitblijft, sluiten wij zonder nadere waarschuwing de watertoevoer af. (...)’

g. Op 30 oktober 2009 is het adres van [eisende partij] vergeefs door een incassomedewerker van Vitens bezocht. Deze medewerker heeft vervolgens een op die datum gedateerde aankondiging van ‘afsluiting drinkwatertoevoer’ achtergelaten. In die aankondiging is onder meer vermeld dat afsluiting alleen nog kan worden voorkomen door binnen twee dagen het openstaande bedrag van € 206,51 (inclusief incassokosten) te betalen.

h. [eisende partij] heeft zich vervolgens tot zijn gemachtigde gewend, die bij brief van 30 oktober 2009 heeft meegedeeld dat het Vitens niet is toegestaan om tijdens de wintermaanden af te sluiten. Bij brief van 6 november 2009 heeft Vitens [eisende partij]’s gemachtigde geantwoord dat het aangehaalde afsluitverbod geldt voor energiebedrijven doch niet voor waterleidingbedrijven als Vitens en dat alleen betaling afsluiting zal kunnen voorkomen.

i. De door Vitens aan [eisende partij] gezonden voorschotnota van 8 november 2009 ad € 38,13, die ziet op de maanden november 2009 tot en met januari 2010, is op 11 november 2009 betaald.

j. Bij brief van 28 januari 2010 is [eisende partij] door de gemeente Zwolle meegedeeld dat hij - zulks in herziening op een eerder deels afgewezen verzoek - voor 2009 aanspraak heeft op volledige kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en waterschapslasten. [eisende partij] heeft die mededeling niet doorgegeven aan Vitens.

k. De door Vitens gezonden voorschotnota van 8 februari 2010 ad € 39,16, die ziet op de maanden februari 2010 tot en met april 2010, is door [eisende partij] onbetaald gelaten.

l. Vitens heeft [eisende partij] op 4 maart 2010 van de toevoer van water naar zijn woning afgesloten door het dichtdraaien van een in de ondergrond van de openbare weg bevindende afsluiter. Vitens heeft daarop meegedeeld alleen tot heraansluiting bereid te zijn indien [eisende partij] een bedrag van € 461,67 (inclusief incasso- en afsluitkosten) voldoet.

m. Bij brief van 4 maart 2010 heeft de gemachtigde van [eisende partij] vergeefs bij Vitens geprotesteerd tegen de afsluiting van de watertoevoer.

De standpunten van partijen

Op wat [eisende partij] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en Vitens in reactie daarop heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

De beoordeling

1.

De spoedeisendheid van de zaak is in voldoende mate komen vast te staan.

2.

In geschil is of Vitens het recht toekomt om haar verbintenis tot levering van water aan (de woning van) [eisende partij] op te schorten, door afsluiting van de watertoevoerleiding.

3.

[eisende partij] heeft als meest verstrekkend aangevoerd dat hij niets aan Vitens is verschuldigd omdat de afrekening van 13 augustus 2009, waarop Vitens de afsluiting baseert, onjuist is. Dat betoog kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden aanvaard.

3.1

Voor zover [eisende partij] zijn stelling baseert op de hoeveelheid afgerekende water van 55 m3, ziet dat er aan voorbij dat die afrekening is gebaseerd op de door hem opgegeven stand van ‘1.117’, bij welke opgaaf [eisende partij] ter zitting is gebleven. Onomstreden is dat Vitens voor de beginstand van deze afrekening de eindstand van de vorige afrekening heeft genomen. Indien juist zou zijn de stelling dat [eisende partij] in de nu afgerekende periode veel minder water - circa 15 m3 naar hij stelt - zou hebben verbruikt, kan daaruit geen andere conclusie worden getrokken dan dat Vitens bij de vorige afrekening te weinig waterverbruik bij [eisende partij] in rekening heeft gebracht, welke onderafrekening nu is gecorrigeerd. Niet valt in te zien dat Vitens daartoe niet gerechtigd zou zijn. De omstandigheid dat de vorige afrekening is gebaseerd op een schatting van een stand van ‘1.062’ legt dienaangaande geen gewicht in de schaal, niet in de laatste plaats omdat [eisende partij] bij die vorige afrekening de juistheid van die stand eenvoudig had kunnen verifiëren door op de in zijn woning aanwezige watermeter te kijken.

3.2

Voor zover [eisende partij] aanvoert dat Vitens bij de afrekening van 13 augustus 2009 ten onrechte bedragen aan zuiveringheffing (€ 36,71) en ingezettenenheffing (€ 38,50) in rekening heeft gebracht, ziet dat er aan voorbij dat die heffingen zijn verschuldigd, tenzij dienaangaande een vrijstelling / kwijtschelding is verleend. Onomstreden is immers dat die vrijstelling pas op 28 januari 2010 aan [eisende partij] is verleend. Vast staat voorts dat [eisende partij] Vitens niet met bekwame spoed - en in ieder geval niet voor 4 maart 2010 - van die vrijstelling en de daaruit volgende aanspraak op vermindering van de afrekening met een bedrag van € 75,21 in kennis heeft gesteld. Uit in ieder geval Vitens’ antwoord van 17 september 2009, zoals hiervoor weergegeven in sub e., had [eisende partij] kunnen en moeten begrijpen dat Vitens voor een eventuele verrekening, vermindering of terugbetaling van dergelijke heffingen afhankelijk was van een daartoe strekkende beslissing van de daartoe bevoegde instantie, in dit geval het waterschap. [eisende partij] heeft niet bestreden dat Vitens pas vorige week door het waterschap in kennis is gesteld van de kwijtschelding. [eisende partij] kan dan ook Vitens niet met succes verwijten dat zij zich voor de afsluiting heeft gebaseerd op de gehele som van de afrekening van 13 augustus 2009. Daarbij komt dat [eisende partij] al uit Vitens’ brief van 17 september 2009 heeft kunnen begrijpen dat een betaling van de gehele som van de afrekening van 13 augustus 2009 op geen enkele wijze in de weg zou staan aan een herberekening en een verrekening/terugbetaling van wat hij - achteraf blijkende - teveel zou hebben betaald. Tot slot laat de vrijstelling / kwijtschelding onverlet dat van de afrekening van 13 augustus 2009 een te betalen bedrag van € 62,30 resteert.

3.3

De voorlopige conclusie moet dan ook zijn dat [eisende partij] aan Vitens een bedrag was verschuldigd, welke betalingsverplichting opeisbaar was. Door tijdige betaling na te laten, is [eisende partij] in de nakoming van de daartoe strekkende verbintenis jegens Vitens tekort geschoten.

4.

Gelet op voormelde tekortkoming komt Vitens dan ook in beginsel een beroep toe op een opschortingsrecht als bedoeld in de artikelen 6:52 en 262 BW. [eisende partij] heeft aangevoerd dat in zijn concrete omstandigheden Vitens niet gerechtigd was om dat recht toe te passen.

4.1

Met [eisende partij] is de kantonrechter van oordeel dat de uitoefening van een opschortingsrecht de op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te baseren toets der kritiek zal moeten kunnen doorstaan. Dit baat hem echter niet. Dienaangaande is het volgende relevant.

4.2

Niet houdbaar moet worden geacht het standpunt van [eisende partij] dat een opschorting niet is toe-

gestaan omdat Vitens een redelijk alternatief van een ‘reguliere incassoprocedure’ ten dienste stond (vergelijk HR 24 november 1995, NJ 1996, 160). Voorts betekent, anders dan [eisende partij] betoogt, de enkele omstandigheid dat water als een eerste levensbehoefte heeft te gelden en/of het gegeven dat Vitens in [woonplaats] de enige waterleverancier (‘monopolist’) betreft, niet dat Vitens zich niet van een opschortingsrecht mag bedienen. Van Vitens behoeft immers niet te worden verlangd dat zij doorgaat met het leveren van water zonder dat zij daarvoor betaling ontvangt. Die omstandigheden brengen wel mee dat een dergelijk recht pas mag worden uitgeoefend nadat Vitens zich redelijk heeft ingespannen om [eisende partij] tot betaling te bewegen en [eisende partij] heeft gewaarschuwd dat en op welke grond opschorting plaatsvindt (vergelijk: HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158).

4.3

In dit geval is vooralsnog het volgende komen vast te staan:

- bij brief van 16 september 2009 is [eisende partij] tot betaling herinnerd;

- bij brief van 17 september 2009 heeft Vitens haar aanspraak op betaling gehandhaafd;

- bij brief van 8 oktober 2009 is [eisende partij] aangemaand, gewezen op het verschuldigd worden van administratiekosten en gewaarschuwd voor het afsluiten van de watertoevoer zonder nadere aankondiging;

- op 30 oktober 2009 is een incassomedewerker bij [eisende partij] langsgegaan en heeft deze via achterlating van een aankondiging ‘afsluiting watertoevoer’ meegedeeld dat alleen volledige betaling van het factuurbedrag van 13 augustus 2009 met bijkomende kosten een afsluiting zal kunnen voorkomen en

- bij antwoordbrief van 6 november 2009 heeft Vitens haar aanspraak op betaling gehandhaafd en herhaald dat alleen betaling afsluiting zal kunnen voorkomen.

Met voorgaande op incasso van de vordering gerichte inspanningen heeft Vitens zich naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter in voldoende mate ingespannen om op minnelijke wijze betaling te verkrijgen en heeft Vitens [eisende partij] in voldoende mate erop gewezen wat hem te wachten stond indien betaling zou uitblijven.

4.4

Anders dan [eisende partij] voorwendt, kan uit de afrekening van 13 augustus 2009 en de daarop gevolgde brieven en andere schriftelijke stukken als hiervoor weergegeven op eenvoudige wijze worden afgeleid waaruit de - in omvang toenemende - vordering van Vitens bestond en dat Vitens op niet mis te verstane wijze betaling daarvan verlangde.

4.5

Anders dan [eisende partij] aanvoert, behoefde niet van Vitens te worden gevergd dat zij hem nog eens expliciet zou informeren over de datum waarop de afsluiting daadwerkelijk zou geschieden. Op 30 oktober 2009 had Vitens immers al duidelijk te kennen gegeven dat zij zonder nadere waarschuwing de watertoevoer zou afsluiten, in welke houding Vitens bij antwoordbrief van 6 november 2009 heeft volhard. [eisende partij] heeft ook niet gesteld wat hij heeft ondernomen om daar meer duidelijkheid over te krijgen. Vitens had al expliciet meegedeeld dat alleen betaling een afsluiting zou kunnen voorkomen, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien wat [eisende partij] nog - anders dan het betalen van de vordering - had kunnen ondernemen om een afsluiting te voorkomen. De door [eisende partij] aangehaalde gezondheidssituatie maakt een en ander niet anders, te minder nu gesteld noch gebleken is dat hij voor 4 maart 2010 Vitens op de bijzonderheden van zijn situatie heeft gewezen.

4.6

Het voorgaande leidt dan ook vooralsnog tot de conclusie dat de uitoefening door Vitens van

haar opschortingsbevoegdheid in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar kan worden aangemerkt.

5.

Vitens’ opschortingsbevoegdheid strekt zich echter niet zover uit dat zij op die wijze meer of andere kosten vergoed krijgt dan die via een incassoprocedure toegewezen zouden worden. De kosten van af- en heraansluiting, door Vitens begroot op een som van € 216,00, kunnen als reëel worden beschouwd. De tevens door Vitens gevorderde administratiekosten ad € 17,50 en incassokosten ad € 51,50, samen € 69,00, overstijgen echter het bedrag wat, gelet op de omvang van de hoofdsom van € 137,51, volgens de door de kantonrechters gebruikte staffel voor vergoeding voor dergelijke kosten toewijsbaar kan worden geacht. Bij zo’n hoofdsom past een (maximum toelaatbare) vergoeding voor dergelijke kosten van € 37,00. Vitens’ bevoegdheid ter zake reikt dan ook niet verder dan een bedrag van € 271,61 (€ 137,51 aan hoofdsom + € 37,00 aan vergoeding van incassokosten + € 216,00 aan kosten voor af- én aansluiten (blijkende uit de mededeling van 4 maart 2010) + € 39,16 aan voorschotnota van 8 februari 2010 -/- € 158,06 aan kwijtschelding heffingen voor 2009 en 2010). Dit betekent dat Vitens [eisende partij] weer zal moeten aansluiten zodra hij aan zijn betalingsverplichting dienaangaande heeft voldaan dan wel zodra tussen partijen ter zake een betalings regeling is getroffen. Een daaraan te verbinden dwangsom wordt niet aangewezen geacht.

6.

Voor de vordering tot vergoeding van immateriële schade is een deugdelijke onderbouwing uitgebleven. In dat verband is onder meer onbelicht gebleven in hoeverre in dit geval een situatie aan de orde is als geregeld in artikel 6:106 BW, welk artikel de gevallen regelt waarin ander nadeel dan vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt. Dit deel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.

7.

[eisende partij] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen als nader te melden.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- gelast Vitens om (werk)daags nadat zij voormeld bedrag van € 271,61 van [eisende partij] heeft ontvangen dan wel (werk)daags nadat partijen aangaande dit bedrag een betalingsregeling hebben getroffen, de afsluiting van de watertoevoer naar de woning van [eisende partij] aan [adres] te [woonplaats] ongedaan te maken;

- veroordeelt [eisende partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Vitens begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 2 april 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.