Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM6006

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
472806 CV 09-6246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel overig. Erfrecht. Vordering van erfgenaam tot aflegging van rekening en verantwoording jegens executeur-testamentair faalt nu beheersbevoegdheid niet is geëindigd. Wel verplichting tot het geven van een boedelbeschrijving en tot het jaarlijks aantonen dat de goederen waarop het vruchtgebruik rust nog aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 472806 CV EXPL 09-6246

datum : 11 mei 2010

Vonnis in de zaak van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. J.J. Blaak-Looij, advocaat te Goes,

procederend met toevoeging, verleend op 2 maart 2009, nr. 3FP5342,

tegen

[gedaagde partij],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.M.H. Devis, SRK Rechtsbijstand Zoetermeer.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eisende partij] respectievelijk [gedaagde partij].

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Het geschil

[eisende partij] vordert

a. [gedaagde partij] te veroordelen aan haar rekening en verantwoording af te leggen en alle door haar verlangde

inlichtingen en stukken te verschaffen betrekking hebbend op de nalatenschap van

haar vader, [vader], in het bijzonder alle bankafschriften vanaf de datum van overlijden

van [vader], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een

maximum van € 50.000,-, met dien verstande dat de dwangsom eerst verschuldigd zal zijn

indien en voor zover [gedaagde partij] niet binnen 14 dagen na dagtekening van een

informatieverzoek volledig aan dat verzoek gehoor zal geven.

b. [gedaagde partij] de verplichting op te leggen de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving in

tegenwoordigheid van [eisende partij] onder ede te bevestigen.

c. Ten aanzien van de wilsrechtenuitoefening [gedaagde partij] primair te veroordelen tot

onmiddellijke afgifte van een aantal nader omschreven goederen, subsidiair te bepalen dat

bedoelde goederen na het einde van het vruchtgebruik door [gedaagde partij] onmiddellijk

aan [eisende partij] worden afgegeven.

d. [gedaagde partij] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, begroot op € 1000,-, alsmede in

de kosten van deze procedure, met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke

vertragingsrente verschuldigd zal zijn, indien deze kosten niet binnen een week na de

betekening van het vonnis zijn voldaan.

[gedaagde partij] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

1.

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten die, als gesteld en niet of onvoldoende weersproken, als vaststaand hebben te gelden.

1.1.

Op [datum overlijden] is te Zwolle overleden [vader], verder aan te duiden als [vader]. Hij is in eerste echt gehuwd geweest met [V] en na echtscheiding opnieuw gehuwd met [gedaagde partij].

Uit het eerste huwelijk zijn drie, thans nog in leven zijnde, kinderen geboren, te weten [eisende partij], [G] en [A], terwijl uit het tweede huwelijk één, thans nog in leven zijnd, kind is geboren te weten [M].

1.2.

[vader] heeft bij testament, opgemaakt op 8 juli 1980, aan [gedaagde partij] het levenslange recht van vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap gelegateerd en onder bezwaar van dit legaat van vruchtgebruik tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel, zijn vier kinderen en [gedaagde partij], waarbij [gedaagde partij] is vrijgesteld van de verplichting zekerheid te stellen. Voorts heeft [vader] [gedaagde partij] benoemd tot uitvoerster van zijn uiterste wilsbeschikking.

1.3.

[eisende partij] heeft de nalatenschap van haar vader aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

1.4.

Met het oog op de successierechten is door [gedaagde partij] aangifte gedaan onder opgave van de baten en schulden van de nalatenschap. Op grond daarvan is berekend dat het zuiver saldo van de nalatenschap € 40.036,67 bedroeg zodat aan elk van de erfgenamen een bedrag toekomt van € 8.007,33 en aan [gedaagde partij] bovendien het vruchtgebruik over de kindsdelen.

Op 24 november 2009 heeft [gedaagde partij] een boedelbeschrijving opgemaakt van de nalatenschap van [vader] en bij notariële akte doen vastleggen.

1.5.

[eisende partij] heeft bij herhaling aan [gedaagde partij] verzocht inlichtingen te verstrekken inzake het door haar gevoerde beheer over de nalatenschap en, als die beheerstaak zou zijn geëindigd, om daarvan rekening en verantwoording af te leggen. Daarnaast heeft [eisende partij] aangegeven haar wilsrechten te willen uitoefenen met betrekking tot een aantal nader omschreven goederen, met voor haar vooral emotionele waarde. [gedaagde partij] heeft aangegeven de uitoefening van deze wilsrechten niet te erkennen.

De andere erfgenamen hebben zich niet uitgelaten over de uitoefening van hun wilsrechten.

2.

[eisende partij] doet haar vordering steunen op het gegeven dat zij als erfgename mede gerechtigd is tot de nalatenschap van [vader] en op het bepaalde in de artikelen 21, 25 en 78 van boek 4 BW.

3.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.1.

Met betrekking tot zijn erfopvolging is door [vader] een uiterste wilsbeschikking opgemaakt. Ingevolge artikel 4:13, lid 1 BW wordt de regeling inzake de wettelijke verdeling opzij gezet, indien de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat de afdeling waarin die regeling is opgenomen geheel buiten toepassing blijft. Die laatste voorwaarde dient ruim worden opgevat, in die zin dat aan die voorwaarde geacht moet worden te zijn voldaan indien uit de omstandigheden kan worden opgemaakt dat de erflater de wettelijke verdeling buiten toepassing had gelaten indien hij van het bestaan van deze (nieuwe) wettelijke regeling kennis zou hebben gehad. Dat laatste is hier naar het oordeel van de kantonrechter het geval, waar [vader] een regeling heeft getroffen die volledig in de plaats kan treden van de wettelijke verdeling. Dat brengt mee dat het bepaalde inzake de wettelijke verdeling hier niet van toepassing is, evenmin als de daaraan verbonden regeling inzake de wilsrechten, zodat [eisende partij] geen aanspraken kan ontlenen aan de door haar genoemde artikelen 21 en 25 van boek 4 BW.

3.2.

[eisende partij] heeft in de eerste plaats verlangd dat [gedaagde partij] rekening en verantwoording zal afleggen.

Een executeur, wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, is ingevolge artikel 4:151 BW verplicht rekening en verantwoording af te leggen aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is. Het einde van de beheerstaak brengt niet automatisch het einde mee van de beheersbevoegdheid. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] zelf de beheersbevoegdheid heeft beëindigd en evenmin dat de erfgenamen die bevoegdheid hebben beëindigd. Dat betekent dat [gedaagde partij] niet verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording.

3.3.

Voorts heeft [eisende partij] het verstrekken van informatie en stukken gevorderd.

Artikel 4:78, lid 1, BW, waar op [eisende partij] zich beroept, regelt het recht op informatie en afschrift van bescheiden van de legitimaris, die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en de met het beheer van de nalatenschap belaste executeur. Waar [eisende partij] zelf erfgenaam is, is deze bepaling niet op haar van toepassing.

3.4.

Ingevolge artikel 4:148 BW is de executeur verplicht aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen te geven omtrent de uitoefening van zijn taak. Deze bepaling beoogt voor de executeur een ruime informatieplicht in het leven te roepen ten opzichte van de erfgenamen.

Daaruit volgt dat [eisende partij] van [gedaagde partij] kan verlangen dat zij wordt voorzien van alle informatie, betrekking hebbend op de uitoefening van de taak door de executeur.

Artikel 4:146 BW bepaalt dat degene die tot executeur is benoemd, in dit geval [gedaagde partij], verplicht is met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te maken. Tevens heeft de executeur tot taak het beheer van de goederen van de nalatenschap en de voldoening van de schulden van de nalatenschap. De door [eisende partij] verlangde informatie zal daarop betrekking moeten hebben.

3.5.

Bij conclusie van antwoord is een boedelbeschrijving in het geding gebracht. Afgezien van de vraag of deze met bekwame spoed is opgemaakt, is gesteld noch gebleken dat die boedelbeschrijving niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 674 Rv worden gesteld.

De in artikel 4:78, lid 2, BW voorziene mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken de met het beheer van de nalatenschap belaste executeur te doen oproepen ten einde de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving onder ede te bevestigen, is evenzeer slechts toegekend aan de legitimaris die niet erfgenaam is. Voor zover de vordering inhoudt dat van deze laatste mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, komt zij dus niet voor toewijzing in aanmerking.

3.6.

[eisende partij] heeft aangegeven goede redenen te hebben om aan te nemen dat een som geld ter grootte van € 101.000,-, die haar vader in 1998 is toegevallen uit een nalatenschap, ten tijde van zijn overlijden nog niet zover kon zijn opgesoupeerd, dat er niet meer vermogen restte dan bij de boedelbeschrijving is opgegeven.

Voor zover [eisende partij] in verband daarmee verlangt dat [gedaagde partij] inzichtelijk zal maken hoe [vader] bij zijn leven zijn middelen, en in het bijzonder bedoelde erfenis, heeft besteed, moet worden vastgesteld dat voor die vordering geen rechtsgrond is. [eisende partij] ontleent haar aanspraken op informatie aan haar hoedanigheid van erfgenaam. Die hoedanigheid heeft zij eerst sinds het overlijden van haar vader en haar recht op informatie strekt er uitsluitend toe haar in staat te stellen te bepalen wat de waarde is van het vermogen van haar vader op het moment van diens overlijden en hoe sindsdien het beheer is gevoerd. Zij kan er geen aanspraak op maken dat haar inzicht wordt gegeven hoe haar vader bij zijn leven met zijn vermogen is omgegaan en waarom er niet meer resteert dan hetgeen bij diens overlijden aanwezig bleek te zijn.

3.7.

Wel kan [eisende partij] op grond van artikel 4:148 BW jegens [gedaagde partij] er aanspraak op maken voorzien te worden van alle informatie die zij nodig heeft om te kunnen vaststellen wat de waarde was van de nalatenschap, waartoe zij medegerechtigd is. Immers de waarde van haar erfdeel is direct afhankelijk van de waarde van die nalatenschap. [eisende partij] hoeft niet zonder meer genoegen te nemen met de inmiddels opgemaakte boedelbeschrijving, ook al bevat die alle wettelijk vereiste elementen. Genoemde wetsbepaling impliceert het recht voor [eisende partij] om zich van de inhoudelijke juistheid van die boedelbeschrijving te overtuigen aan de hand van alle inlichtingen die daarvoor nodig zijn.

3.8.

Ook waar het gaat om de uitoefening van de beheerstaak heeft [eisende partij] recht op informatie.

Uit hetgeen [eisende partij] heeft aangevoerd is echter duidelijk dat haar vordering tot informatieverstrekking niet tot doel heeft de correcte uitvoering van de beheerstaak te controleren maar bedoeld is om zekerheid te verkrijgen dat de nalatenschap en daarmee haar deel niet door [gedaagde partij] wordt opgemaakt. In feite is het [eisende partij] er om te doen te voorkomen dat het aan [gedaagde partij] toekomende vruchtgebruik feitelijk verbruik wordt.

3.9.

In dit kader is van belang het bepaalde in Boek 4, titel 3, afdeling 2 BW. Op grond van de uiterste wilsbeschikking van [vader] komt aan [gedaagde partij] het vruchtgebruik toe van de gehele nalatenschap. Daarnaast kan haar ingevolge de wet (art. 4:29) het recht van vruchtgebruik toekomen op de inboedel (een eigen woning is niet aanwezig). Een recht van vruchtgebruik op de overige goederen van de nalatenschap zou [eisende partij], behalve op grond van het testament, ook op grond van de wet (art. 4:30 BW) kunnen toekomen, indien haar verzorgingsbehoefte daartoe zou nopen. Deze wettelijke regeling gaat, als vangnetregeling voor de langstlevende echtgenoot, vóór boven hetgeen bij testament is bepaald. Voor het recht van vruchtgebruik maakt dat geen verschil, wel echter voor de daaraan verbonden verantwoordingsplicht. Waar het gaat om vruchtgebruik ingevolge de wet, is die verantwoordingsplicht beperkt op grond van art. 4:31 BW juncto art. 4:23 BW.

De mogelijkheid om aanspraak te maken op een vruchtgebruik, gebaseerd op art. 4:29 vervalt indien de echtgenoot dat niet binnen zes maanden na het overlijden van de erflater heeft gedaan. Voor de aan artikel 4:30 te ontlenen aanspraak geldt een vervaltermijn van een jaar na het overlijden van de erflater.

3.10.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] binnen deze termijnen heeft verklaard op de vestiging van bedoeld vruchtgebruik ingevolge de wet aanspraak te maken, waarmee deze mogelijkheid is vervallen. Dat betekent dat het recht van vruchtgebruik van [gedaagde partij] uitsluitend is gebaseerd op de uiterste wilsbeschikking van [vader], zodat voor haar onverkort de verplichtingen gelden die de wet daaraan verbindt (boek 3, titel 8 BW). Nu [gedaagde partij] bij uiterste wilsbeschikking is vrijgesteld van de verplichting om zekerheid te stellen, is in het kader van deze procedure met name van belang de verplichting om jaarlijks aan [eisende partij] aan te tonen dat de goederen waarop het vruchtgebruik rust, in het bijzonder de gelden en banktegoeden, nog aanwezig zijn (art. 3:206, lid 2 BW).

3.11.

In geval het recht op vruchtgebruik uitsluitend wordt ontleend aan het testament mogen de goederen ingevolge art. 3:207 worden gebruikt én, met in achtneming van de aard van de goederen, ook worden verbruikt. Dat laatste slaat op goederen die aan bederf of slijtage onderhevig zijn, zoals eetwaren, kleding en meubilair, maar, anders dan [gedaagde partij] kennelijk meent, niet op geld.

3.12.

Uit het hiervoor onder 3.6. en 3.10. overwogene volgt dat de vordering, zoals bij dagvaarding op dit punt geformuleerd, in ieder geval verder gaat dan nodig is om te voorzien in de informatie waarop [eisende partij] recht heeft. De nadere precisering, zoals geformuleerd bij repliek, strookt deels met de wettelijke aanspraken van [eisende partij] op informatie maar is voor een deel nog te verstrekkend althans te onbepaald, immers is niet eenduidig wat moet worden verstaan onder “alle bankafschriften”.

Met het oog op het verkrijgen van de gewenste duidelijkheid zal een comparitie van partijen worden gelast.

3.13.

De zaak zal worden verwezen naar de rol voor het bepalen van een datum voor de comparitie van partijen. Aan het niet verschijnen van partijen kan de kantonrechter gevolgen verbinden.

[eisende partij] wordt verzocht tijdig voor de comparitie schriftelijk aan te geven welke bescheiden en welke informatie zij nodig denkt te hebben om de waarde van haar erfdeel te kunnen bepalen en om naar behoren geïnformeerd te zijn over het door [gedaagde partij] gevoerde beheer.

Deze comparitie kan tevens worden benut voor het onderzoeken van de mogelijkheid van een minnelijke regeling.

3.14.

Met betrekking tot de uitoefening van de wilsrechten is hiervoor (r.o. 3.1) reeds vastgesteld dat de wettelijke regeling inzake de wilsrechten hier niet van toepassing is. Verder geldt dat het aan [gedaagde partij] toekomende levenslange vruchtgebruik van de nalatenschap in de weg staat aan toewijzing van de vordering tot afgifte van goederen aan [eisende partij].

3.15.

Subsidiair is gevorderd afgifte van bedoelde goederen aan [eisende partij] onmiddellijk na het einde van het vruchtgebruik door [gedaagde partij].

Voor zover de door haar aangegeven goederen rechtens aan [eisende partij] toekomen, ontstaat, gelet op het levenslange vruchtgebruik door [gedaagde partij], de aanspraak op afgifte pas na het overlijden van [gedaagde partij]. Dat betekent dat [eisende partij] die aanspraak niet jegens [gedaagde partij] heeft maar jegens degene die die goederen alsdan onder zich zal blijken te hebben.

Ook de subsidiaire vordering dient derhalve te worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

I beveelt partijen om in persoon te verschijnen voor de kantonrechter voor het verstrekken van nadere inlichtingen, voor wat [eisende partij] betreft als hiervoor aangegeven onder 3.13, en wel op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum, tijdstip en plaats;

II verzoekt [eisende partij] de door haar te verstrekken inlichtingen ten minste een week voor de vast te stellen zittingsdatum schriftelijk aan de kantonrechter en aan [gedaagde partij] te doen toekomen;

III verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 mei 2010 te 10.00 uur; vóór of uiterlijk op die zitting kunnen beide partijen schriftelijk aan de sector kanton opgeven op welke dagen zij in de maanden juni tot en met augustus 2010 verhinderd zijn, voor welke opgave geen nader uitstel zal worden verleend;

op deze zitting zal dan worden bepaald wanneer en waar de comparitie van partijen zal plaatsvinden;

na dagbepaling wordt geen uitstel meer verleend;

IV houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. H.C. Moorman, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 11 mei 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.