Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM5559

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
169293 / JZ RK 10-233
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Godsdienstige opvoeding en ots.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/107
JIN 2010/470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaak/rolnr.: 169293 / JZ RK 10-233

datum: 17 mei 2010

beschikking van de meervoudige familiekamer

In de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Zwolle,

vertegenwoordigd door dhr. H. van ‘t Hof,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

met betrekking tot de minderjarigen:

1. [A], geboren op [datum] 1993 in de gemeente [gemeente];

2. [B], geboren op [datum] 1994 in de gemeente [gemeente];

3. [C], geboren op [datum] 1995 in de gemeente [gemeente];

4. [D], geboren op [datum] 1996 in de gemeente [gemeente];

5.[E], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [gemeente];

6.[F], geboren op [datum] 1999 in de gemeente [gemeente];

7. [G], geboren op [datum] 2006 in de gemeente [gemeente];

8. het ongeborende kind van de vader en de moeder.

kinderen van:

1. [vader],

wonende te [plaats],

hierna als de vader aangeduid,

2.[moeder],

wonende te [plaats]

hierna als de moeder aangeduid.

hierna tezamen ook als de ouders aangeduid.

De vader en de moeder zijn belast met het gezag over de minderjarige kinderen.

Het procesverloop

De Raad heeft op 22 maart 2010 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling en tot machtiging uithuisplaatsing.

Op 15 april 2010 heeft de Raad een aangepast verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling en tot machtiging uithuisplaatsing. De wijziging heeft betrekking op de te benoemen gezinsvoogdijinstelling.

De kinderrechter heeft de behandeling van de zaak naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een rapport van de Raad van 19 maart 2010 met bijlagen, waaronder een brief van het Advies en Meldpunt Kindermishandeling(AMK) d.d. 2 maart 2010 aan de Raad, een brief van R.G.J. Klein Overmeen, huisarts te Kampen d.d. 25 februari 2010 en een brief van F.M. Lange, gynaecoloog te Lelystad d.d. 22 januari 2010.

- de schriftelijke reacties van [A], [D],[B], [E] en [C] [familienaam] voornoemd.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 26 april 2010.

Verschenen zijn:

- de moeder;

- de vader;

- M.B. de Haan namens de Raad.

Verschenen zijn eveneens:

- namens Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna als de gezinsvoogdijinstelling aangeduid: dhr. A.J. Rijlaarsdam en mevr. E. Pijnacker. Genoemde personen zijn alleen bij de opening van de behandeling aanwezig geweest. Op verzoek van de vader en de moeder zijn ze niet bij de inhoudelijke behandeling aanwezig geweest.

Als informanten in deze procedure zijn aangemerkt de meerderjarige kinderen van de ouders:

-[H] [familienaam],

-[I] [familienaam],

-[J] [familienaam],

-[H] [familienaam].

De rechtbank heeft uit haar midden een rechter-commissaris benoemd die de onder 1 vermelde minderjarige, [I] en [H] [familienaam] voornoemd afzonderlijk heeft gehoord.

De onder 2,3,4 en 5 vermelde minderjarigen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord.

Vaststaande feiten

De onder 2 tot en met 7 vermelde minderjarige kinderen wonen bij de vader en de moeder.

De onder 1 vermelde minderjarige woont in een pleeggezin in [plaats].

De moeder is zwanger en verwacht begin augustus 2010 een baby.

Beoordeling

Standpunt van de Raad

De Raad heeft verzocht de minderjarigen alsmede het nog ongeboren kind van de vader en de moeder voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de gezinsvoogdijinstelling.

Tevens heeft de Raad verzocht de gezinsvoogdijinstelling te machtigen [A] voor de duur van een jaar uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs.

Ter onderbouwing van zijn verzoek verwijst de Raad naar zijn rapport, waarin een aantal zorgpunten naar voren zijn gebracht.

Een gezinsvoogd zou de ouders kunnen helpen om aan genoemde zorgpunten te werken, aldus de Raad.

Standpunt van de ouders

De ouders zijn het niet eens met het verzoek. Ze stellen voorop dat zij handelen vanuit hun geloofsopvatting. Het gezin leeft naar de regels zoals deze worden ontleend aan de bijbel. Tot de (volwassen) doop geven de ouders de richting aan en wordt van de kinderen volledige gehoorzaamheid verwacht. De ouders bepalen met wie de kinderen mogen omgaan. De kinderen mogen geen amoureuze relatie aangaan voor de leeftijd van 23 jaar. Dat de ouders vastomlijnde gedachten hebben over de opvoeding kan tot gevolg hebben dat de kinderen wellicht niet zoveel vrijheden krijgen als andere kinderen. Zo komen de kinderen niet bij andere kinderen thuis om te voorkomen dat de kinderen in aanraking komen met zaken waarin de ouders zich niet kunnen vinden. Ook komen er geen andere kinderen in het gezin. Wanneer de kinderen ongehoorzaam zijn worden ze hierop aangesproken en krijgen ze straf.

Alle kinderen hebben de brand goed verwerkt, zodat geen professionele hulp bij de verwerking er van nodig is. Er is voor de overleden jongetjes een opstandingsdienst gehouden waarna de rouwperiode kon worden afgesloten.

Het ontbreekt de kinderen niet aan medische zorg. De moeder heeft voldoende inzicht en kennis om in te schatten wanneer de kinderen door een arts moeten worden gezien. Hetzelfde geldt voor de zorg rondom de zwangerschap. De moeder controleert zelf regelmatig haar bloeddruk en weet wat het beste voor haar is.

De vader en de moeder hopen dat [H] en [A] weer thuis komen wonen op voorwaarde dat zij zich van harte voegen naar de huisregels en de opvoeding van de vader en de moeder en dat zij oprecht hun spijt zullen betuigen aan de ouders en de mensen die zij met hun leugens hebben verward. Daarnaast dienen zij een einde te maken aan hun verkering. De vader en de moeder zouden liever zien dat hulpverleners de jongens naar huis zouden sturen met de opdracht te luisteren naar de ouders en hen te eren.

De vader en de moeder denken dat [A] klem zit omdat hij weet dat hij niet eerlijk is geweest. Zij denken dat dit het werk van de Satan kan zijn. Duivelsuitdrijving is een optie om hem hiervan te genezen, maar zij bezitten zelf deze gave niet. De vader denkt dat [A] iets te verbergen heeft.

Samengevat stellen zij zich op het standpunt dat zij goed voor hun kinderen zorgen en geen opvoedingsondersteuning nodig hebben en daarnaast dat [A] thuis hoort.

Oordeel van de rechtbank over ondertoezichtstelling

Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Zij hebben daarbij in beginsel een grote mate van vrijheid. Dit belangrijke recht van ouders wordt ondermeer beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het past de overheid in beginsel niet om in de wijze van verzorging en opvoeding door de ouders te treden.

Naast de vrijheid van de ouders om hun kinderen naar eigen inzicht te verzorgen en op te voeden staat evenwel de plicht van de overheid om kinderen te beschermen tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke integriteit. Zo bepaalt artikel 19 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind(IVRK) dat de overheid alle passende maatregelen neemt om het kind te beschermen.

Artikel 5 van het IVRK bepaalt als uitgangpunt dat ouders hun kinderen leiden en begeleiden bij de uitoefening door het kind van de in het IVRK erkende rechten, waarbij zij rekening dienen te houden met de zich ontwikkelende vermogens van die kinderen.

Artikel 6 van het IVRK bepaalt dat ieder kind recht heeft op het inherente leven en dat de overheid de mogelijkheden tot het overleven en tot de ontwikkeling van het kind waarborgt.

Artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft aan hoe gezaghebbende ouders aan hun gezag invulling dienen te geven. De eerste twee leden van deze bepaling luiden:

“1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouders zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld op enige andere vernederende behandeling toe.”

Aan de hand van het in artikel 1:254, eerste lid BW neergelegde criterium wordt bepaald of ten aanzien van minderjarige kinderen een beschermingsmaatregel op zijn plaats is. Het eerste lid van dit artikel luidt:

“Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd , en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald, of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg (in deze beschikking als de gezinsvoogdijinstelling aangeduid).”

De rechtbank dient thans na te gaan in hoeverre op grond van het voorgaande er voldaan is aan het criterium van artikel 1:254, eerste lid, BW.

De rechtbank dient daarbij de keuze van de ouders om hun geloofsopvattingen in de opvoeding tot uiting te brengen te respecteren. Van belang is dan evenwel in hoeverre de wijze van opvoeden van de ouders de kinderen in hun ontwikkeling belemmert. Indien dat het geval zou zijn, is er sprake van een gerechtvaardige inbreuk door de overheid op het handelen van de ouders jegens hun minderjarige kinderen en is een ondertoezichtstelling op zijn plaats.

De rechtbank gaat op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen tijdens de zitting over en weer naar voren is gebracht uit van de volgende gegevens:

De vader en de moeder leven vanuit een sterke godsdienstige overtuiging, die zij ook in hun opvoeding tot uitdrukking brengen. Er is sprake van een gesloten gezinssysteem, waarbij de gezinsleden erg op elkaar aangewezen zijn en waarbij weinig tot geen inmenging van buiten af door de vader en de moeder wordt geduld. Tot augustus 2009 heeft de vader, in ieder geval ten aanzien van [H] en [A], lijfstraffen toegepast te weten slaan (met een riem). Eenmaal heeft de vader [D] opgesloten in de kruipruimte van de woning.

[F] kampt vanaf haar geboorte met darmproblemen. [E] heeft dit schooljaar een redelijk diepe wond gehad en [D] heeft eind 2009 een hersenschudding gehad.

De moeder heeft gezondheidsproblemen, te weten risico op ernstig verhoogde bloeddruk en ernstige spatadervorming, met risico’s op trombose en embolievorming.

De ouders hebben voor deze gezondheidsproblemen geen arts geraadpleegd. Ze zijn van mening dat dat niet nodig is omdat de moeder EHBO kennis heeft.

Op 19 augustus 2009 is de woning van het gezin door brand getroffen op het moment dat het

gezin thuis was. Hierbij zijn vier kinderen om het leven gekomen.

Op 31 augustus 2009 heeft [A] het gezin verlaten en is ingetrokken bij het gezin waar [H] reeds verbleef. Sindsdien is er sporadisch contact tussen hem en het gezin.

De rechtbank acht het positief dat de ouders erg op hun kinderen betrokken zijn en bewust met de opvoeding van hun kinderen bezig zijn. Er kan evenwel geconstateerd worden dat er grote zorgen zijn over het lichamelijk/ geestelijk welbevinden van de kinderen. De door de Raad in het rapport weergegeven punten worden door de rechtbank herkend als ontwikkelingsbedreigingen, voorover ze hieronder worden aangeduid:

Ten aanzien van de thuiswonende kinderen

De verwerking van de brand:

Op grond van de informatie van de scholen kan worden betwijfeld of de kinderen de brand en het verlies van hun broertjes op goede wijze hebben verwerkt. De stelling van de ouders dat dat wel het geval is, staat in contrast met de informatie vanuit de scholen dat onduidelijk is in hoeverre de kinderen voldoende ruimte hebben (gekregen) om thuis uiting te geven aan hun verdriet.

Ruimte voor de kinderen om hun eigen keuzes te maken en een eigen identiteit te ontwikkelen.

De rechtbank leidt uit de verkregen informatie af dat de kinderen onvoldoende gelegenheid van de ouders krijgen om zich sociaal en emotioneel te ontwikkelen. De kinderen krijgen onvoldoende vrijheid om met leeftijdsgenootjes om te gaan en een sociaal leven op te bouwen, onvoldoende ruimte om hun eigen mening te vormen en onvoldoende vrijheid om al dan niet te kiezen voor het geloof van de ouders. Daarmee beknotten de ouders de kinderen te veel om hun eigen identiteit, op weg naar volwassenheid, te ontwikkelen.

Dit acht de rechtbank niet verenigbaar artikel 1: 247, eerste lid, BW. Ook de aan de terugkeer van [A] gestelde voorwaarden stroken niet met het in dit artikel neergelegde beginsel.

Contactherstel tussen de kinderen onderling.

Doordat de ouders geen onvoorwaardelijk contact toestaan tussen [A] enerzijds en de thuiswonende kinderen anderzijds lijkt contactherstel momenteel niet goed mogelijk. Een aantal kinderen heeft evenwel aangeven hun broers/zussen erg te missen.

Ten aanzien van [A] geldt, naast bovenstaande punten

De machteloosheid ten aanzien van het niet kunnen veranderen van de opvoedingsstijl van de ouders.

De rechtbank leidt uit de verkregen informatie af dat [A] last heeft van het gegeven dat hij zich niet kan verenigen met de opvoedingsstijl van de ouders.

De hoge draaglast in verband met de zorgen ten aanzien van de thuiswonende kinderen en de gezondheid van de moeder. Deze zorgen lijken [A] momenteel te belemmeren in zijn ontwikkeling. De hulp die hiervoor is geïndiceerd accepteren de ouders niet, welke houding niet in het belang van [A] is.

Het feitelijk niet invullen van het gezag door de vader en de moeder aangezien [A] niet thuis woont en de ouders geen toestemming kunnen geven aan zijn verblijf in het pleeggezin, cq. aan geïndiceerde hulp(traumaverwerking bij Eleos).

Nu onweersproken is dat [A] zonder goedkeuring van de ouders uit huis is gegaan en de ouders geen medewerking willen verlenen aan geïndiceerde hulp, acht de rechtbank deze ontwikkelingsbedreiging voldoende aangetoond.

Het loyaliteitsconflict pleeggezin-gezin van herkomst.

Door het feit dat de ouders enerzijds geen goedkeuring kunnen hechten aan het vertrek van [A] naar het pleeggezin, en anderzijds contactherstel en terugkeer van [A] alleen onder de door hen gestelde voorwaarden toestaan, is [A] in een loyaliteitsconflict terecht gekomen.

Ten aanzien van het ongeboren kind

De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat de moeder zich aan elke professionele (medische) begeleiding onttrekt voor wat betreft de zwangerschap. De stelling van de moeder dat zij zelf aanvoelt wat goed is, overtuigt de rechtbank niet en staat in schril contrast met de grote zorgen die zowel de huisarts als de gynaecoloog in de overgelegde correspondentie tot uiting brengen. De rechtbank is van oordeel dat reeds nu hulp dient te worden geboden om er voor te zorgen dat het kind gezond ter wereld komt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op gegeven dat het nog ongeboren kind zal

opgroeien in het gezin van de ouders, hetgeen hierboven is vermeld ten aanzien van de ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarigen, ook voor het ongeboren kind zal gelden.

Concluderend komt de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht tot de slotsom dat de onder 1 tot en met 7 vermelde minderjarigen zodanig opgroeien en het nog ongeboren kind van de vader en de moeder zodanig zal opgroeien dat de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid ernstig worden bedreigd en dat andere maatregelen in een vrijwillig kader ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar is te voorzien, zullen falen. Het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen.

Beoordeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing voor [A].

Nu de ouders op geen enkele wijze meewerken aan de uithuisplaatsing zal de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [A] verlenen.

Tevens komt de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht tot de slotsom dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [A] of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is de gezinsvoogdijinstelling te machtigen hem gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Het verzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing zal worden toegewezen.

Aan de plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform het Besluit Justitiële Kinderbescherming en Vrijwillige Jeugdhulpverlening.

Beslissing

De rechtbank telt de onder 1 vermelde minderjarige onder toezicht met ingang 17 mei 2010 tot [datum] 2011.

Stelt de onder 2 tot en met 7 vermelde minderjarigen alsmede het nog ongeboren kind van de vader en de moeder onder toezicht met ingang van17 mei 2010 tot 17 mei 2011.

Benoemt BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL tot gezinsvoogdijinstelling, uit te voeren door de het LEGER DES HEILS, JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING.

Verleent de gezinsvoogdijinstelling machtiging [A] [familienaam] voornoemd met ingang van 17 mei 2010 tot [datum] 2011 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. A. Smedes, mr. W. Miltenburg en mr. K. van Leeuwen, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2010.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.