Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM4042

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
07/650019-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag

Beroep op noodweer

Bewijsmotivering

Strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650019-10 (P)

Uitspraak: 29 april 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres),

thans verblijvende (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010 te Zwolle.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. Bongers, advocaat te Ommen.

Als officier van justitie was aanwezig mr. G.C. Pol.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet (terwijl die (slachtoffer) op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (krachtig/hard) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die (slachtoffer) heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon genaamd (slachtoffer), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die (slachtoffer) (met kracht) (met de vuist) in/op/tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of (terwijl die (slachtoffer) op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (krachtig/hard) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 januari 2010 in de gemeente Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)),(met kracht) (met de vuist) in/op/tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of (terwijl die (slachtoffer) op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (krachtig/hard) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op de avond van 9 januari 2010 is verdachte, na eerst een aantal glazen bessenwijn te hebben gedronken, omstreeks 23.30 uur op de fiets de stad ingegaan. Daar heeft hij in een kroeg 4 à 5 flesjes bier gedronken. Hij is daar tot 04.00 à 05.00 uur gebleven. Vervolgens is hij met zijn fiets door de binnenstad van Zwolle gelopen richting de (horecagelegenheid), om een broodje te eten. Verdachte verklaarde op dat moment geen last te hebben gehad van de alcohol, hij wist wat hij deed .

Toen verdachte door de (straat) liep zag hij een groep staan. Hij herkende een jongen uit de groep, (naam) (hierna: (naam)). Verdachte liep op hem af en raakte met hem ter hoogte van café (naam cafe) aan de praat .

Het slachtoffer, (slachtoffer) (hierna: (slachtoffer)), heeft verklaard dat hij die avond verschillende kroegen had bezocht en flink wat bier had gedronken. Op het laatst was hij flink aangeschoten, hij was toen in café (naam cafe). Dit café heeft hij rond sluitingstijd, 05.00 uur, verlaten. Toen hij buitenkwam zag hij verdachte staan. Hij kende verdachte niet. Volgens hem was verdachte aangeschoten. Zij kregen woorden. Waar het over ging weet (slachtoffer) niet meer .

In de binnenstad van Zwolle, waaronder in de (straat), zijn beveiligingscamera's geplaatst. Op zaterdag 9 januari 2010 omstreeks 05.05 uur wordt op deze beveiligingscamera's een conflict in de (straat) waargenomen .

Ten aanzien van het conflict loopt hetgeen verdachte daarover heeft verklaard uiteen met hetgeen op de beelden van de beveiligingscamera waarneembaar is en door een getuige is verklaard.

De beelden van de beveiligingscamera zijn ter terechtzitting integraal bekeken .

In elk geval is op de camerabeelden zichtbaar dat verdachte, op een moment waarop hij met mensen staat te praten, van een man met een muts een klap tegen zijn hoofd krijgt . Verdachte heeft hierover verklaard dat hij vanuit zijn ooghoek een vuist op zich af zag komen . (slachtoffer) heeft verklaard dat verdachte een slaande beweging naar hem maakte en dat hij verdachte toen een corrigerende tik op zijn gezicht heeft gegeven, geen vuistslag .

De rechtbank stelt vast dat vervolgens op de camerabeelden is te zien dat een derde man tussen verdachte en (slachtoffer) komt . Blijkens de verklaring van verdachte is dit (naam) die hij hoort zeggen dat hij het er bij moet laten . Verdachte loopt vervolgens weg met zijn fiets aan de hand en zet deze verderop neer .

Ongeveer vier minuten later komen (slachtoffer) en verdachte opnieuw tegenover elkaar te staan, ter hoogte van het midden van de straat. Er vindt een woordenwisseling plaats. Ineens haalt verdachte met zijn linkerarm uit en slaat (slachtoffer) tegen het hoofd . (slachtoffer) valt al struikelend en glijdend (zichtbaar is dat er sneeuw en/of ijs op de straat ligt) ongeveer drie meter verder tegen een stenen stoepje dat zich tegen een gevel bevindt neer op de grond. Zichtbaar is dat hij amper beweegt.

Vervolgens loopt verdachte op (slachtoffer) af en geeft hem met zijn linker- en rechtervoet vier trappen tegen het hoofd en het lichaam. Een derde man trekt verdachte vervolgens weg bij (slachtoffer) .

Terwijl verdachte wegloopt staat (slachtoffer) op en loopt langzaam en slingerend weg .

Volgens de lezing van verdachte was hij na de klap van (slachtoffer) verontwaardigd en boos tegelijk. (slachtoffer) bleef hangen en omdat verdachte niet nog een klap wilde hebben en (slachtoffer) naar hem toe kwam heeft hij hem een klap gegeven. Hij heeft (slachtoffer) met zijn linkervuist geraakt op de rechterkant van zijn gezicht en is gelijk daarna weggelopen. Desgevraagd verklaart verdachte dat het mogelijk is dat hij in zijn woede (slachtoffer) nog een aantal keren heeft getrapt .

Getuige (naam getuige) (hierna: (naam getuige)) heeft verklaard dat zij een man op de grond zag vallen tussen (naam cafe) en café (naam cafe). Volgens haar viel de man met zijn hoofd op het opstapje. Zij heeft niet gezien hoe de man kwam te vallen. Zij zag vervolgens dat een man met lang zwart haar, behoorlijk gezet, naar de op de grond liggende man liep en hem vervolgens een keer of vijf tegen zijn hoofd aan schopte. Zij zag dat de man met het lange haar door een andere man werd weggetrokken en dat hij vervolgens wegging. Zij heeft niet gezien dat de jongen op de grond opstond. Later zag zij de jongen strompelen op de (straat) .

(slachtoffer) heeft verklaard niets meer te weten van de situatie nadat hij verdachte een klap had gegeven en deze situatie gesust was. Hij is dat allemaal kwijt. In een portiek is hij weer bij bewustzijn gekomen. Voorbijgangers attendeerden hem op zijn bebloede gezicht. Hij bleek een hoofdwond te hebben .

(slachtoffer) heeft zich in het ziekenhuis gemeld en ook daar verklaard dat hij zich niets meer weet te herinneren. Hij vond zichzelf terug, zittend op de stoeprand met bebloed gelaat en pijnlijke lip . Hij is in het ziekenhuis behandeld en ter observatie opgenomen. Rechts naast de neusvleugel had hij een kneusverwonding van 4 centimeter lengte, een barstwond in de bovenlip bij de rechtermondhoek van 1,5 centimeter welke wond werd gesloten met twee hechtingen, boven op het hoofd een gecompliceerde barstwond in de vorm van een ster die fors heeft gebloed, welke wond met tien hechtingen is gesloten en een forse pijnlijke zwelling door kneuzing en onderhuidse bloeduitstorting op de schouder. Voor al het letsel geldt dat dit is veroorzaakt door direct inwerkend stomp geweld zoals bijvoorbeeld een slag met een stomp voorwerp, een vuistslag of een schop. Ook kon (slachtoffer) zijn rechterarm niet heffen zonder pijn .

Vanwege de omstandigheid dat (slachtoffer) zich niets meer wist te herinneren zijn de camerabeelden door een forensisch arts bekeken waarna deze een aanvullende letselrapportage heeft opgemaakt. De conclusie van deze rapportage is dat gezien de wijze waarop verdachte op (slachtoffer) intrapt/schopt in potentie (zeer) zwaar lichamelijk letsel of zelfs dodelijk letsel kan worden toegebracht, zeker als het slachtoffer zich niet of nauwelijks verweert c.q. kan verweren. Ook bij de wijze van trappen/schoppen is te zien dat verdachte kennelijk aan vechtsport doet of heeft gedaan, waar trappen/schoppen onderdeel hiervan uitmaken.

De forensisch arts geeft voorts aan dat de stoot in het gelaat zodanig hard blijkt te zijn dat (slachtoffer) hierdoor groggy wegloopt en vrij snel hierna als een soort knock out neervalt. (slachtoffer) blijft dan enige tijd bewegingsloos liggen en lijkt (grotendeels) buiten kennis te zijn. (slachtoffer) ligt willoos en blijkbaar met verminderd bewustzijn op de grond. Bij het trappen door verdachte vertoont (slachtoffer) nauwelijks afweerreacties waaruit geconcludeerd wordt dat (slachtoffer) dan nog steeds in een toestand van verminderd bewustzijn verkeert .

De forensisch arts geeft verder aan dat gezien de kracht waarmee door verdachte geschopt wordt, uitgebreid en eventueel zelfs dodelijk letsel zeker mogelijk is. Door de kracht van de schop tegen het hoofd kan de nek breken en door de impact van het harde stompe geweld kunnen grote en dodelijke bloedingen in de schedel ontstaan, kunnen bloedingen in en om de hersenen ontstaan en/of kan door kneuzing zwelling van de schedelinhoud ontstaan, welke ook dodelijk kan zijn .

Naar het oordeel van de rechtbank kan als vaststaand worden aangenomen dat verdachte een klap van (slachtoffer) heeft gekregen nadat zij een woordenwisseling hadden. Na deze klap is deze situatie mede door toedoen van een derde gesust en zijn verdachte en slachtoffer uiteen gegaan.

Verdachte is toen echter niet naar huis gegaan, maar heeft zijn fiets geparkeerd. Verdachte en (slachtoffer) zijn ongeveer vier minuten later wederom tegenover elkaar komen te staan, waarbij opnieuw een woordenwisseling plaatsvond en verdachte (slachtoffer) plotseling een vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven.

Blijkens de camerabeelden is (slachtoffer) vervolgens ongeveer drie meter verderop op de grond terechtgekomen. De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat (slachtoffer) liggend op de grond amper beweegt en dat er geen enkele aanwijzing is waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er - anders dan verdachte ter zitting heeft betoogd - een jegens verdachte dreigende situatie bestond. De rechtbank acht in dit verband aannemelijk hetgeen de forensisch arts heeft geconcludeerd in de aanvullende letselrapportage, namelijk dat (slachtoffer) op dat moment met verminderd bewustzijn op de grond ligt.

De rechtbank heeft vervolgens op grond van de camerabeelden en de verklaring van getuige (naam getuige) vastgesteld dat verdachte doelbewust op (slachtoffer) toeloopt en hem trapt. Hoewel getuige (naam getuige), die zich op ongeveer vijftien meter afstand van (slachtoffer) bevond, heeft verklaard gezien te hebben dat verdachte een keer of vijf tegen het hoofd van (slachtoffer) trapt , houdt de rechtbank het er op grond van de camerabeelden voor dat verdachte (slachtoffer) vier maal krachtig trapt, waarvan ten minste eenmaal vol tegen het hoofd.

Het voert naar het oordeel van de rechtbank te ver om uit de hiervoor beschreven omstandigheden zonder meer een rechtstreekse gerichtheid van het handelen van verdachte op de dood van (slachtoffer) af te leiden. De rechtbank is echter wel van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van (slachtoffer).

Door op de wijze zoals hiervoor is vastgesteld op het slachtoffer in trappen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat hij (slachtoffer) op (een) vita(a)l(e) de(e)l(en) van het lichaam zou raken en dat (slachtoffer) zou komen te overlijden als gevolg van de door het trappen aangebrachte verwondingen. Het is algemeen bekend dat met name het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat de reële kans bestaat dat een harde en stevige trap tegen het hoofd tot potentieel dodelijk letsel kan leiden. Dat (slachtoffer) niet is overleden is te danken aan omstandigheden die niet van de wil van verdachte afhankelijk waren.

In hoeverre vechtsportervaring (kickboksen) van verdachte een rol bij het trappen heeft gespeeld kan op basis van de bewijsmiddelen niet geheel worden vastgesteld, zodat dit element bij de beoordeling geen rol speelt. Voldoende duidelijk is dat verdachte harde trappen heeft uitgedeeld.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 09 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet (terwijl die (slachtoffer) op de grond lag) meermalen krachtig met geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam van die (slachtoffer) heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting primair een beroep op noodweer gedaan. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte verkeerde in een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de angst dat hij na de eerste klap van (slachtoffer) opnieuw een klap van hem zou krijgen. Hiermee was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en valt de klap die verdachte uitdeelde binnen de proportionaliteitseis.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat indien geoordeeld wordt dat verdachte door (slachtoffer) achterna te lopen en te trappen de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden een beroep op noodweerexces wordt gedaan. Omdat verdachte eerder een traumatische ervaring in het uitgaansleven heeft gehad (in 1994, waarbij hij in een bil werd geschoten) in combinatie met dat hij door (slachtoffer) achtervolgd werd, ontstond bij verdachte een hevige gemoedsbeweging.

De raadsman heeft derhalve verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft – kort gezegd – het gevoerde van de hand gewezen en geconcludeerd dat er geen sprake was van een noodweersituatie dan wel van noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van hetgeen verdachte ten laste is gelegd, stelt de rechtbank vast dat de vraag of verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden, beoordeeld dient te worden ten aanzien van de situatie die ontstond nadat (slachtoffer) als gevolg van de door verdachte gegeven vuistslag in het gezicht op de grond terechtkwam.

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (noodweer).

Voor een geslaagd beroep op noodweer is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, ofwel een noodweersituatie jegens verdachte.

De rechtbank overweegt dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding geen sprake is geweest, nu vast is komen te staan dat (slachtoffer) na de vuistslag die verdachte hem toebracht ongeveer drie meter bij verdachte vandaan op de grond terecht is gekomen en aldaar liggend amper beweging heeft vertoond. Verdachte is vervolgens bewust en gericht op (slachtoffer) toegelopen en heeft hem vervolgens tegen het hoofd en het lichaam getrapt. Tijdens het trappen heeft (slachtoffer) nauwelijks tot geen afweerreactie vertoond.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte andere keuzes had kunnen en moeten maken. De rechtbank acht hierbij in het geheel niet aannemelijk dat verdachte zich in een bedreigde positie bevond. (slachtoffer) lag, nadat verdachte hem een vuistslag had verkocht, immers meters verderop op de grond waarbij hij amper bewoog. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte op wat voor wijze dan ook op dat moment van (slachtoffer) iets te vrezen had. De rechtbank acht aannemelijk hetgeen de forensisch arts hier in de aanvullende letselrapportage over heeft verklaard, namelijk dat (slachtoffer) op dat moment in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde. Dit sluit ook aan bij de verklaring van (slachtoffer), die heeft aangegeven zich van deze situatie niets meer te herinneren. Van noodweer was naar het oordeel van de rechtbank dan ook in het geheel geen sprake.

Nu het bestaan van een noodweersituatie in het geheel niet aannemelijk is geworden, verwerpt de rechtbank ook het beroep op noodweerexces.

Het voorgaande betekent dat verdachte strafbaar is.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een eerste klap van (slachtoffer) heeft gehad. Verdachte heeft hiervan aangifte gedaan, maar tegen (slachtoffer) is geen vervolging ingesteld. Om niet te ontaarden in een situatie van willekeur zou de rechter met deze omstandigheid met betrekking tot de strafmaat rekening kunnen houden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig misdrijf. Hij heeft op een harde en stevige wijze ingetrapt op (slachtoffer), terwijl deze zich in een situatie bevond waarin hij zich niet of nauwelijks kon verweren. Verdachte heeft (slachtoffer) tegen het lichaam en het hoofd getrapt. (slachtoffer) had door deze handelswijze van verdachte het leven kunnen verliezen.

Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van (slachtoffer). Naast het lichamelijke letsel dat (slachtoffer) hierbij heeft opgelopen, leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Daarbij gaat het om een ernstig geweldsdelict dat zich in de openbaarheid van het uitgaansleven in de binnenstad van Zwolle heeft voorgedaan, waarmee het niet alleen voor het slachtoffer maar ook een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 januari 2010 meerdere malen veroordeeld is vanwege geweldsdelicten waarbij de meest recente veroordeling (2004) een veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf wegens een poging tot doodslag is geweest.

Als uitgangspunt voor strafoplegging bij een voltooide doodslag geldt in zijn algemeenheid een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het hier niet om een voltooide doodslag maar om een poging daartoe gaat.

De raadsman heeft strafvermindering bepleit in verband met de omstandigheid dat (slachtoffer) verdachte een klap heeft gegeven maar daarvoor door het openbaar ministerie niet wordt vervolgd. De rechtbank is echter van oordeel dat - wat er ook zij van de door (slachtoffer) wellicht aan verdachte uitgedeelde klap - de aan verdachte verweten gedraging jegens (slachtoffer), die minuten later is gevolgd en zonder dat er sprake is geweest van tussentijdse noemenswaardige gebeurtenissen, volstrekt niet in verhouding staat tot die eerdere klap/tik van (slachtoffer) aan verdachte. Van een wezenlijk strafverminderend effect van die klap/tik van (slachtoffer) kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de recidive het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie onvermijdelijk maakt.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. J.N. Bartels, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2010.