Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM4019

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
Awb 09/1812
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhavend optreden tegen waterbassins. Beroep ongegrond. Nu de waterbassins geen bouwwerk zijn waarvoor een bouwvergunning vereist is, en ook geen sprake is van strijd met het gebruiksverbod, heeft verweerder de weigering om handhavend op te treden bij het bestreden besluit terecht in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/1812

Uitspraak

in het geding tussen:

A en B,

beide wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. W. Visser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder,

alsmede,

Leo Hoogweg BV te Nootdorp en Difra Agro Projecten BV te Bergschenhoek,

derde partijen,

gemachtigde: mr. M.R. Plug.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2009 heeft verweerder eisers’ verzoek om handhavend op te treden jegens de derde partij afgewezen.

Eisers hebben op 26 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 september 2009 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Op 13 oktober 2009 hebben eisers tegen dat besluit beroep ingesteld.

Het beroep is op 6 april 2010 ter zitting behandeld. Daarbij zijn gevoegd behandeld de zaken met nrs. 08/743 en 09/686. Nadien heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. Visser voornoemd.

Voor verweerder zijn verschenen G. van der Hoeve, mr. P.K. Mintjes en N.E.G.L. Christiaens.

De derde partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Plug en D.

2. Overwegingen

2.1. De derde partijen hebben op het perceel Kalenbergerweg 10-II te Luttelgeest een tuinbouwbedrijf (kassencomplex) opgericht ten behoeve van de teelt van paprika’s.

Eisers wonen in de directe nabijheid van het betreffende perceel.

2.2. Op 13 maart 2009 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de door de derde partijen gerealiseerde waterbassins. Eisers hebben daartoe aangevoerd dat de bassins veel hoger zijn dan de twee meter die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

Bij besluit van 14 april 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen op de grond dat de bassins geen bouwwerken zijn in de zin van de Woningwet.

Eisers hebben daarop een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft het bezwaar van eisers om advies voorgelegd aan de Commissie voor de bezwaarschriften. Op 8 juli 2009 heeft deze commissie advies uitgebracht, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder conform beslist.

2.3. De waterbassins zijn ontstaan door grond af te graven en van deze grond aarden wallen te maken rondom de afgraving. Het geheel is afgedekt met aan elkaar gelaste stukken kunststof folie. De aarden wallen zijn ongeveer 3,75 meter hoog.

De bassins liggen op gronden met de bestemming “Agrarisch gebied” met als nadere aanduiding “Staand glas toegestaan”. Ingevolge artikel 5, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften mogen op deze gronden waterbassins worden gebouwd.

In artikel 1, lid 18, van de planvoorschriften is een bouwwerk gedefinieerd als elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.4. Eisers hebben aangevoerd dat de waterbassins moeten worden aangemerkt als een bouwwerk omdat sprake is van een plaatsgebonden constructie.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. De bassins zijn ontstaan door het uitvoeren van grondwerk. Er is geen sprake van enige constructie. De omstandigheid dat het grondwerk is afgedekt met stroken aaneengelaste folie maakt dit niet anders.

De in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingregels gelden derhalve niet ten aanzien van de waterbassins in kwestie, zodat voor het realiseren daarvan een bouwvergunning niet is vereist.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat voor het afgraven en ophogen van gronden evenmin een aanlegvergunning is vereist, nu het bestemmingsplan zulks niet voorschrijft.

2.5. Eisers hebben vervolgens betoogd dat het gebruik van de waterbassins niet past binnen het gebruiksvoorschrift van artikel 26, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften. Het opslaan van water maakt immers geen onderdeel uit van het beheer van de gronden, aldus eisers.

In dit artikel is bepaald dat onder verboden gebruik in elk geval wordt begrepen het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden.

De rechtbank stelt vast dat eisers een te beperkte uitleg geven aan het begrip ‘beheer van gronden’ als bedoeld in artikel 26.

In de definitiebepalingen wordt onder agrarische bedrijvigheid (waartoe de percelen met de bestemming “Agrarisch gebied” zijn bestemd) mede verstaan glastuinbouw. De omstandigheid dat bij glastuinbouw de teelt van gewassen niet direct in de grond plaatsvindt, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat niet kan worden gesteld dat de waterbassins, die zijn aangelegd ten behoeve van die teelt, niet kunnen worden begrepen onder het op de bestemming gerichte beheer van gronden.

Daar komt bij dat het hebben van een waterbassin voor het exploiteren van een glastuinbouwbedrijf een noodzakelijke voorwaarde is, gelet op het bepaalde in het Besluit glastuinbouw. Hieruit moet worden afgeleid dat deze bassins nodig zijn om de aan het perceel gegeven bestemming te kunnen verwezenlijken.

2.5. Nu de waterbassins geen bouwwerk zijn waarvoor een bouwvergunning vereist is, en ook geen sprake is van strijd met het gebruiksverbod, heeft verweerder de weigering om handhavend op te treden bij het bestreden besluit terecht in stand gelaten.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. Van Rijckevorsel-Besier, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en mr. G.P. Loman, rechters, en door de voorzitter en mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op: