Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3929

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
07/995199-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 13 Flora- en faunawet; beroep op het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid; beroep op het ontbreken van opzet; voorwaardelijk opzet; onverschoonbare dwaling; bewijs- en strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht – Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnr. : 07.995199-07

Uitspraak: 03 mei 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 09 april 2009 en 20 april 2010. De verdachte is op beide data verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.L.A.H. de Muij, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren alsmede met aftrek van de periode door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebracht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte niet het opzet heeft gehad de fazantenkuikens onrechtmatig onder zich te hebben. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zich van geen kwaad bewust is geweest en dacht dat het onder zich hebben van eendagskuikens was toegestaan. Volgens de raadsman is hier sprake van een verschoonbare dwaling nu verdachte een bewijs van aankoop kan overleggen. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte schuld heeft aan het ten laste gelegde heeft de raadsman afwezigheid van alle schuld bepleit.

Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman van verdachte primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit nu volgens de raadsman aan de strafbare gedragingen de materiele wederrechtelijkheid heeft ontbroken. Volgens de raadsman was het handelen van verdachte wel in strijd met de Flora- en faunawet doch werd tegelijkertijd het belang dat deze wet beschermt wel gediend.

Subsidiair heeft de raadman betoogd dat het opzet aan de gedraging ontbreekt. Derhalve heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2010 verklaard dat hij bewust meerdere kuikens van de fazant heeft gekocht en daardoor de kuikens onder zich heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de kuikens te koop werden aangeboden niet maakt dat de vogels niet onder de bescherming van de Flora- en faunawet vallen. Verdachte heeft nagelaten dit te onderzoeken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte had moeten verifiëren of de kuikens behoorden tot een beschermende inheemse diersoort in de zin van de Flora- en faunawet.

Nu verdachte dit heeft nagelaten heeft hij volgens de rechtbank niet verschoonbaar gedwaald maar willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij als gevolg van de aankoop van de kuikens vogels van een beschermde vogelsoort onder zich zou hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voorwaardelijk opzet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Nu de rechtbank het opzet bewezen acht behoeft het beroep van de raadsman op afwezigheid van alle schuld geen nadere bespreking.

Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid.

Een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid kan onder andere dan slagen indien een strafbepaling is overtreden teneinde een maatschappelijk gezien bepaald nastrevenswaardig doel te bereiken.

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2010 gesteld dat hij de eieren van de kuifeend en de grutto heeft geraapt ter bescherming daarvan omdat de nesten, inclusief deze eieren, anders door boeren zouden worden weggemaaid. Hiermee heeft verdachte een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid van dit handelen gedaan.

De rechtbank overweegt dat de Flora- en faunawet tot doel heeft de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten.

Artikel 13 van de Flora- en faunawet bepaalt, voor zover hier relevant, dat het verboden is eieren van een beschermde inheemse diersoort te verwerven en onder zich te hebben. Op grond van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten is het onder voorwaarden mogelijk vrijstelling van artikel 13 van de Flora- en faunawet te krijgen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voor verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen vrijstelling gold.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte de staat van instandhouding van de in het wild levende kuifeenden en grutto's niet behouden heeft. Verdachte heeft de eieren immers niet in het wild achtergelaten maar heeft de eieren mee naar huis genomen en heeft deze verdeeld onder zichzelf en een aantal medeverdachten. Daarbij merkt de rechtbank op dat verdachte kennelijk slechts die hoeveelheid eieren heeft “gered” die hij voor private doeleinden wilde hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit samenstel van factoren naar maatschappelijke opvattingen niet zodanig nastrevenswaardig, dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat dit tot een voor verdachte zodanige noodzaak heeft geleid dat verdachtes handelen hiermee niet wederrechtelijk is geweest.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Het ontbreken van opzet.

Met betrekking tot het beroep op het ontbreken van opzet overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2010 verklaard dat hij de eieren van de kuifeend en de grutto bewust uit de nesten heeft gehaald. Naar eigen zeggen deed hij dit ter bescherming van die eieren.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aangevoerde beschermingsmotief onverlet laat dat de opzettelijkheid van de betreffende gedraging is komen te staan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring)

1.

Hij op 2 juni 2007 te Ameide, in de gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten fazantenkuikens (Phasianus colchcus) onder zich heeft gehad.

2.

Hij in de maand mei 2007, te Haastrecht en/of te Oudewater en/of te Ameide in de gemeente Zederik, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten eieren van de kuifeend (Aythya filigula) heeft verworven en onder zich heeft gehad.

3.

Hij in de maand mei 2007 te Langerak en/of te Ameide, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten eieren van de grutto (Limosa limosa), heeft verworven en onder zich heeft gehad.

Van het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

Overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet;

3.

Overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich door zijn passie voor vogels mee laten slepen en heeft onder andere meegewerkt aan het leeghalen van nesten van beschermde vogels van verschillend pluimage. Verdachte was er van op de hoogte dat hij niet gerechtigd was de nesten van eieren te ontdoen. Samen met zijn medeverdachten heeft verdachte puur en alleen ter bevrediging van de eigen behoefte fors ingegrepen in de natuurlijke omgeving van door de wet beschermde vogelsoorten. Daarbij heeft verdachte geen rekening gehouden met de schade die hij en zijn medeverdachten aan vogels en hun natuurlijke leefomgeving hebben aangebracht. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Verdachte heeft ter terechtzitting bepleit een vogelliefhebber te zijn maar heeft door zijn handelen die kwalificatie naar het oordeel van de rechtbank gelogenstraft.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat een periode van 3 jaren is verstreken voordat de zaak door de rechtbank inhoudelijk is behandeld.

De rechtbank acht in dit geval toch een voorwaardelijke straf van redelijke omvang noodzakelijk, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten en artikel 1 sub b van bijlage 2 Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten.

BESLISSING

Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 40 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De taakstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 03 mei 2010.

Mr. A.J. Louter voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.