Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3921

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
07/996561-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 13 Flora- en faunawet; niet-ontvankelijkheidsverweer; stelselmatige observatie; bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht – Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnummer: 07.996561-07 (P)

Uitspraak: 03 mei 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2009 en 19 april 2010.

De verdachte is op beide data verschenen, bijgestaan door mr. W.P. Maris, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.L.A.H. de Muij.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(Volgt tenlastelegging)

VOORVRAGEN

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit ter zake van het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde alsmede het ad informandum gevoegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie de periode waarin de stelselmatige observaties hebben plaatsgevonden langer dan nodig voort heeft laten duren. Doordat de observatieperiode langer dan noodzakelijk voortduurde heeft het openbaar ministerie laten gebeuren dat meerdere strafbare feiten zijn gepleegd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft verklaard dat voornoemde stelling van de raadsman geen steun vindt in het recht. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de observaties zowel incidenteel als stelselmatig kunnen plaatsvinden. In deze zaak betrof het een groep waarin meerdere verdachten een rol speelden.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat naar aanleiding van informatie, afkomstig van een door de Belgische autoriteiten ingesteld strafrechtelijk onderzoek, in Nederland een strafrechtelijk onderzoek is gestart naar de verboden handel in in- en uitheemse vogelsoorten en eieren.

In dat kader is door de officier van justitie ten aanzien van medeverdachte (naam medeverdachte 1) een bevel tot stelselmatige observatie afgegeven voor de duur van 3 maanden, te rekenen vanaf 2 april 2007. Op 6 juni 2007 is medeverdachte (naam medeverdachte 1) aangehouden, waarna de stelselmatige observatie werd beëindigd. De stelselmatige observatie heeft derhalve een periode van ruim 2 maanden in beslag genomen.

De rechtbank stelt vast dat de periode waarin medeverdachte (naam medeverdachte 1) is geobserveerd de door de officier van justitie bevolen periode niet heeft overschreden.

De rechtbank overweegt dat, teneinde een goed beeld te krijgen van de omvang van de strafbare handelingen en het aantal betrokken personen, van wie vermoed werd dat zij in wisselende samenstellingen strafbare feiten pleegden, een langere periode van stelselmatige observatie is gerechtvaardigd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen redenen zijn op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat door de duur van voormelde stelselmatige observatie de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn overschreden. Dat verdachte middels de observatie van medeverdachte (naam medeverdachte 1) de aandacht van het openbaar ministerie heeft getrokken doet daar niet aan af. Een andersluidend oordeel vindt naar het oordeel van de rechtbank overigens ook geen steun in het recht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en verwerpt het verweer.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde alsmede het ad informandum gevoegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte refereert zich voor wat het onder 1 ten laste gelegde betreft aan het oordeel van de rechtbank.

Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat met betrekking tot het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde en het ad informandum gevoegde feit de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging dan refereert de raadsman zich voor het onder 2 en 4 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu dit feit volgens de raadsman niet heeft plaatsgevonden in Eemshaven zoals in de tenlastelegging staat vermeld. Volgens de raadsman is de plaats “in ieder geval in Nederland” onvoldoende bepaald om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat betreffende handeling destijds niet strafbaar was gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Het onder 1 ten laste gelegde.

Verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 16 tot en met 17 april 2007 bij de Oostvaardersplassen in de gemeente Almere, Lelystad samen met medeverdachte (naam medeverdachte 1) en een Belgische kennis eieren van de lepelaar, de grote zilverreiger en de blauwe reiger alsmede meerdere jongen van de blauwe reiger onrechtmatig uit nesten in de vrije natuur heeft gehaald en onder zich heeft gehad .

Het onder 2 ten laste gelegde.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 4 mei 2007 te Spanga samen met medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 2) onrechtmatig 4 eieren uit een ooievaarsnest in de vrije natuur, gebouwd op een windmolentje, heeft gehaald . Medeverdachte (naam medeverdachte 2) heeft bij de politie verklaard dat hij in het molentje is geklommen en de eieren uit het nest heeft gelicht. Daarvoor in de plaats heeft hij een ganzenei neergelegd .. Medeverdachte (naam medeverdachte 1) heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2010 verklaard dat hij als chauffeur is opgetreden en zijn medeverdachten naar de plek heeft gebracht waar de ooievaar aan het broeden was. Voorts heeft (naam medeverdachte 1) verklaard dat hij degene is geweest die op het idee kwam een ganzenei neer te leggen .

Het onder 3 ten laste gelegde.

Verdachte en medeverdachte (naam medeverdachte 3) hebben bij de politie verklaard dat zij samen op 14 mei 2007 bij Eemshaven onrechtmatig nesten in de vrije natuur van de bontbekplevier hebben leeggehaald . Na het leeghalen van de nesten, waarbij 4 a 5 eieren zijn weggenomen, zijn beide verdachten naar medeverdachte (naam medeverdachte 2) gereden alwaar zij, met medeweten van (naam medeverdachte 2), de eieren in zijn broedmachine hebben geplaatst. Medeverdachte (naam medeverdachte 2) heeft bij de politie verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat het eieren betrof van de bontbekplevier .

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van de raadsman met betrekking tot de pleegplaats Eemshaven geen nadere bespreking behoeft nu dat verweer door voornoemde bewijsmiddelen wordt weerlegd.

Het onder 4 ten laste gelegde.

Op 15 mei is verdachte, samen met medeverdachte (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 3) naar Noord-Duitsland gereden alwaar zij onrechtmatig meerdere eieren van de roodhalsfuut uit nesten in de vrije natuur hebben gehaald . Medeverdachte (naam medeverdachte 1) heeft de auto bestuurd en op de uitkijk gestaan . Bij verdachte thuis zijn naderhand de eieren over de verdachten verdeeld .

Het onder 5 ten laste gelegde.

Op 6 juni 2007 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het huisadres van verdachte .

Daarbij is een doos met diverse eieren in beslag genomen. Een aantal eieren zijn gedetermineerd als zijnde de eieren van de ringmus, de staartmees en de huismus . Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 19 april 2010 verklaard dat hij ooit een doos met eieren heeft gekregen. Verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat voornoemde eieren in de doos aanwezig zijn geweest .

Met betrekking tot het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de bekennende verklaringen van verdachte voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte was er van op de hoogte dat hij zich de eieren en jonge vogels uit de vrije natuur niet mocht toe-eigenen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Voorts overweegt de rechtbank dat elke verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het plegen van de strafbare handelingen. Verdachte heeft onder andere een grote rol gespeeld in de voorbereiding en het maken van plannen. Voorts heeft verdachte ter uitvoering van die plannen een aantal nesten leeggehaald.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voldoende nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt zodat het medeplegen van voornoemde feiten eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsman heeft betoogd dat de onder 5 ten laste gelegde gedraging ten tijde van de pleegdatum geen strafbare handeling was.

De rechtbank stelt vast dat de gedraging op 6 juni 2007 heeft plaatsgevonden. De in de tenlastelegging genoemde vogels zijn in Bijlage 2 als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling vaststelling beschermde inheemse diersoorten, welke Regeling op 13 november 2001 in werking is getreden , als beschermde vogels aangemerkt.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 4 en 13 van de Flora- en faunawet zijn niet alleen de in de Regeling genoemde vogels maar ook de producten van die vogels als beschermd goed aangemerkt.

De rechtbank is op grond van vorenstaande dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde gedraging op 6 juni 2007 strafbaar was. De rechtbank verwerpt het verweer.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte de doos met eieren weliswaar heeft gekregen doch dat verdachte had moeten nagaan of het geen eieren betrof van beschermde diersoorten. Dat verdachte heeft nagelaten te verifiëren of hij de eieren rechtmatig in zijn bezit had , komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voornoemd feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

Hij in de periode van 16 april 2007 tot en met 17 april 2007, in de gemeente Almere en/of de gemeente Lelystad, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk dieren en eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten eieren, althans een ei van de lepelaar (Platalea leucorodia) en de grote zilverreiger (Casmerodius albus) en de blauwe reiger (Ardea cinerea) en jongen van de blauwe reiger (Ardea cinerea) heeft verworven en onder zich heeft gehad.

2.

Hij op 4 mei 2007, te of bij Spanga, in de gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten 4 eieren van de ooievaar (Ciconia ciconia) onder zich heeft gehad.

3.

Hij op 14 mei 2007 bij Eemshaven in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten eieren van de bontbekplevier (Charadrius hiaticula) heeft vervoerd en heeft verworven en onder zich heeft gehad.

4.

Hij op 15 mei 2007 bij Nieuweschans, in de gemeente Reiderland en te Middelstum, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten eieren van de roodhalsfuut (Podiceps grisegena), binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft verworven en heeft vervoerd en onder zich heeft gehad.

5.

Hij op 6 juni 2007, te Middelstum in de gemeente Lopersum, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4 en/of 5 van de Flora- en faunawet en/of Bijlage A en/of B en/of C van de Verordening (EG) nr.338/97, laatstelijk gewijzigd middels Verordening (EG) nr. 1332/2005, te weten eieren van de ringmus (Passer montanus) en een ei van de staartmees (Aegithalos caudatus) en eieren van de huismus (Passer domesticus) onder zich heeft gehad.

Van het onder 1 tot en met 5 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

5.

Overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren alsmede aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte periode.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft een mildere straf bepleit nu volgens de raadsman rekening dient te worden gehouden met het lange tijdsverloop van de zaak. Voorts verzoekt de raadsman de rechtbank rekening te houden met het feit dat zijn cliënt first offender is en dat de thuissituatie van zijn cliënt penibel is. De raadsman verzoekt de rechtbank derhalve een geheel voorwaardelijke straf op te leggen voor de maximale duur van 3 maanden. Tegen een proeftijd heeft zijn cliënt geen bezwaar.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft naar eigen zeggen voor de spanning en sensatie meegewerkt aan het

leeghalen van nesten van beschermde vogels van verschillend pluimage. Verdachte was er van op de hoogte dat hij niet gerechtigd was de nesten van eieren en jonge vogels te ontdoen. Samen met zijn medeverdachten heeft verdachte puur en alleen ter bevrediging van de eigen behoefte fors ingegrepen in de natuurlijke omgeving van door de wet beschermde vogelsoorten. Daarbij heeft verdachte geen rekening gehouden met de schade die hij en zijn medeverdachten aan vogels en hun natuurlijke leefomgeving hebben aangebracht. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Verdachte heeft ter terechtzitting bepleit een vogelliefhebber te zijn maar heeft door zijn handelen die kwalificatie naar het oordeel van de rechtbank gelogenstraft.

Daarbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de verdachte zich, naast de onder 1 tot en met 5 bewezenverklaarde feiten, ook schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, zoals vermeld in de aan dit vonnis gehechte "kennisgeving ad informandum gevoegde zaken", waarvan het dossier ter kennisneming van de rechtbank bij de stukken is gevoegd en zoals ook door de verdachte tegenover de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 19 april 2010 is erkend.

Ondanks dat de rechtbank eveneens rekening zal houden met de omstandigheid dat een periode van 3 jaren is verstreken voordat de zaak door de rechtbank inhoudelijk is afgehandeld, is de rechtbank in dit geval toch van oordeel dat een forse straf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten en Bijlage 2 als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling vaststelling beschermde inheemse diersoorten.

BESLISSING

Het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 tot en met 5 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 200 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Voorts veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 03 mei 2010.

Mr. A.J. Louter voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.